Psalm 143:7-12
Hier deelt David ons mee wat hij zei, toen hij zijn handen uitbreidde tot God. Hij begint niet slechts als iemand, wie het ernst is, maar als iemand, die haast heeft: "Verhoor mij haastelijk en vertoef niet langer, want mijn geest bezwijkt. Ik ben op het punt van in onmacht te vallen geef mij een hartsterking spoedig, spoedig of het is met mij gedaan." Het was geen haasten van ongeloof, maar van vurig verlangen en heilige liefde, Haast U tot mijn hulp, O God.
David bidt hier om drie dingen.
I. Om de tentoonspreiding van Gods gunst jegens hem, dat God een welbehagen in hem zou hebben, en hem dit zou doen weten, dit verkiest hij boven ieder ander goed, Psalm 4:7.
1. Hij vreest Gods misnoegen, "Verberg Uw aangezicht niet van mij, Heere, wees niet toornig op mij, wend U niet van mij af, zoals wij ons afwenden van iemand, op wie wij misnoegd zijn. Heere, laat mij niet onder de vrees blijven voor Uw toorn, of in twijfel omtrent Uw gunst, als ik Uw gunst heb, laat dit dan niet voor mij verborgen zijn." Zij, die de waarheid van de genade hebben, kunnen niet anders dan begeren er ook het bewijs van te hebben. Hij voert het rampzalige van zijn toestand aan indien God zich van Hem terugtrekt: Heere, laat mij niet onder Uw toorn zijn, want dan ben ik als degenen, die in de kuil dalen, in het graf dalen, ik ben als een dode, zwak en bleek, Uw toornige blikken zijn erger dan de dood, of in de hel, in de bodemloze afgrond." Zelfs zij, die door genade verlost zijn van in de kuil neer te dalen, kunnen soms, als de verschrikkingen Gods zich tegen hen rusten, er uitzien als degenen, die in de kuil nederdalen. Mistroostige heiligen hebben soms tegen de toorn Gods beroepen alsof zij veroordeelde zondaren waren, Job 6:4, Psalm 88:7.
2. Hij smeekt om Gods gunst, vers 8. Doe mij Uw goedertierenheid in de morgenstond horen. Hij kan niet anders dan denken dat God liefde voor hem heeft, dat Hij hem iets goeds, iets vriendelijks te zeggen heeft, enige goede, troostrijke woorden, maar het tegenwoordige gewoel in zijn zaken en de ontroering van zijn geest verdoofden deze lieflijke fluisterstemmen, en daarom bidt hij: "Heere, spreek niet slechts vriendelijk tot mij, maar doe het mij horen, doe mij vreugde en blijdschap horen," Psalm 51:10. God spreekt tot ons door Zijn Woord en door Zijn voorzienigheid, en in beide moeten wij begeren en er naar streven om Zijn goedertierenheid te horen Psalm 107:43, opdat wij ons die geduriglijk voorstellen. "Doe ze mij horen in de morgenstond, iedere morgen, laat mijn gedachten als ik wakker word, voor Gods goedertierenheid wezen, opdat de zoete smaak ervan mij de gehele dag bijblijve." Zijn pleitgrond is: want ik betrouw op U, en op U alleen, ik verwacht troost van niemand anders." Het is een gewone zaak, dat Gods goedertierenheid gewerkt wordt voor degenen, die op kiem betrouwen.
II. De werkingen van Gods genade in hem. Deze begeert hij even vurig als de gunst van God jegens hem en die moeten ook wij vurig begeren. Hij bidt:
1. Dat hij verlicht zal worden met de kennis van Gods wil, en dat is het eerste werk des Geestes ten opzichte van Zijn andere werken, want God handelt met de mensen als rederijke schepselen. Voor dat doel zijn hier drie beden. a. Maak mij bekend de weg, die ik te gaan heb. Zij, die van harte wensen recht te wandelen voor God, zijn soms in grote verlegenheid, daar zij niet weten wat de rechte weg is, er in twijfel over zijn. Laat hen dan met vrijmoedigheid tot de troon van de genade komen en God bidden om hun door Zijn Woord en Geest en voorzienigheid de weg te tonen en te voorkomen dat zij Hem missen. Een Godvruchtige vraagt niet wat soort van weg het is, waarop hij moet wandelen, of op welke weg het het aangenaamste is om er op te wandelen, maar wat de rechte weg is, waarop hij behoort te wandelen. Hij pleit: "ik hef mijn ziel tot U op, om naar Uw wil gevormd te worden." Hij wenste niet slechts met aandrang maar met onpartijdigheid zijn plicht te kennen, en die dat doen, zullen onderricht worden.
b. "Leer mij Uw welbehagen doen, niet slechts: toon mij wat Uw wil, Uw welbehagen is, maar leer mij hoe het te doen, hoe mijn hand met schranderheid en bedrevenheid ervoor te gebruiken om mijn plicht te doen." Het is de begeerte en het streven van al Gods getrouwe dienstknechten om Zijn wil te kennen en te doen, en er volkomen in te zijn. Hij pleit: "Gij zijt mijn God, en daarom mijn orakel, van wie ik raad kan verwachten, mijn God en daarom mijn bestuurder, mijn regeerder, wiens wil ik wens te doen." Als wij in oprechtheid God aannemen tot onze God, dan kunnen wij er gerust op aan dat Hij ons leren zal Zijn wil te doen, zoals een meester zijn dienstknecht.
c. Leid mij in het land van de oprechtheid, vers 10 in de gemeenschap van de heiligen, het lieflijke land van de oprechten, of, in een gevestigde manier van heilig te leven, die mij zal leiden naar de hemel, het land van de oprechtheid, waar de heiligheid volmaakt zal wezen, en hij die heilig is nog heilig zijn zal. Wij moeten begeren veilig geleid te worden naar de hemel, niet alleen omdat die het land is van de gelukzaligheid, maar omdat hij het land is van de oprechtheid, het is de volkomenheid van de genade. Wij kunnen de weg niet vinden, die ons heenvoert naar dat land, tenzij God hem ons wijst, niet gaan op die weg, tenzij Hij ons bij de hand neemt en ons leidt, zoals wij degenen leiden, die zwak, of kreupel, of vreesachtig, of slecht van gezicht zijn, zo nodig is de genade van God, niet alleen om ons op de goede weg te brengen maar om er ons op te houden en er ons op te doen voortgang. De pleitrede is: Uw Geest is goed en machtig om mij goed te maken, goed en bereidwillig om hen te helpen, die verlegen en ten einde raad zijn. Uw goede Geest geleide mij, zo lezen sommigen het. Zij, die de Heere tot hun God hebben, hebben Zijn Geest tot hun gids, en het is beide hun aard en hun voorrecht, dat zij door de Geest geleid worden.
2. Hit bidt dat hij levend gemaakt zal worden om Zijn wil te doen, vers 11. O Heere maak mij levend, wek mijn genadegaven op opdat zij werkzaam zullen zijn, wek mijn Godsvrucht op, opdat zij levendig zij, wek mij op tot mijn plicht, en maak er mij levendig in en dat wel om Uws naams wil. De beste heiligen vinden zich soms dof en dodig en traag, en daarom bidden zij God hen levend te maken
III. Het optreden van Gods voorzienigheid voor hem, dat God op Zijn eigen tijd en Zijn eigen wijze:
1. Hem rust zal geven van zijn ellende en benauwdheid, vers 9. "Red mij, Heere, van mijn vijanden opdat zij hun wil niet aan mij doen, want bij U schuil ik. Ik vertrouw op U om mij te verdedigen in mijn benauwdheid en er mij daarom uit te verlossen." Bewaringen zijn onderpanden van verlossing, en diegenen zullen God hun schuilplaats bevinden, die Hem door het geloof aldus maken, vers 11. Voer mijn ziel uit de benauwdheid om Uw gerechtigheid, om de wille Uwer belofte, ja om de wille Uwer goedertierenheid, want sommigen verstaan door gerechtigheid vriendelijkheid en goedheid. Verlos mij niet slechts van mijn uitwendige benauwdheid, maar van de benauwdheid mijner ziel, de benauwdheid, die dreigt mijn geest in mij te overstelpen. In welke benauwdheid ik ook ben, laat mijn hart niet ontroerd zijn, Johannes 14:1.
2. Dat Hij afrekenen zal met hen, die de werktuigen waren van zijn ellende, vers 12. "Roei mijn vijanden uit om Uw goedertierenheid jegens mij, opdat ik niet langer in vrees voor hen zij, breng hen allen om, allen, wie zij ook zijn, hoe talrijk, hoe machtig zij ook zijn, die mijn ziel beangstigen, en haar kwellen, want ik ben Uw knecht, en ben besloten dit te blijven, en daarom kan ik verwachten door U erkend en beschermd te worden." Dit gebed is een profetie van de algehele verwoesting van al de onboetvaardige vijanden van Jezus Christus en Zijn koninkrijk, die niet willen dat Hij Koning over hen zal zijn, die Zijn Geest smart aandoen en Zijn ziel kwellen door Zijn volk te kwellen, in wier benauwdheid Hij benauwd is.