6. Maar 1) ik vertrouw, hoe zeker het ook mijne vijanden reeds menen, dat ik bezwijken zal (
Vers 5), op Uwe goedertierenheid; zeker Gij zult mijne smart wegnemen; mijn hart zal zich verheugen in uw heil; als ware de redding, die ik verwacht, reeds aanwezig; ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.
Dat is het voorrecht van den godvruchtige boven den wereldling: wanneer de laatste door den druk en de bezwaren des levens wordt geplaagd, vervalt hij ras tot moedeloosheid en zinkt hij al dieper in vertwijfeling, omdat hij geen God voor zijn hart kent, en hij slaat over tot enen weg van verstrooiing of wanhoop; maar het kind van God weet zich tot zijnen Vader te wenden, op zijnen getrouwen Verbonds-God zich te verlaten, en vindt altoos licht en troost, raad en uitkomst in elke zelfs in den grootsten nood; ja, zelfs doet ons de moedeloosheid wel eens onze machteloosheid erkennen, van alle poging ten enenmale afzien en op den Heere alleen en geheel ons vertrouwen vestigen. Gelukkig, wanneer onder Gods zegen, dit kwade alzo ten goede medewerkt. Langs dien weg wordt het hart gevormd en geheiligd en gewent het zich aan den Heere en Zijnen weg..
In de stormachtig bewogene ziel van den bidder is het nu stil geworden; het moge daar buiten nog gelijk te voren woeden, in den grond van zijn hart is vrede..
Het plotselinge, heerlijke in het Boek der Psalmen is een van de meest opmerkelijke trekken. Als in een ogenblik komen wij van de diepte van moedeloosheid tot de hoogte van godsdienstig vertrouwen en van vreugde..
Wilt gij verhoord worden, vergeet de drie g's niet: geloof, geduld, gebed.
Op het geloofsgebed volgt nu de geloofsroem David weet te spreken van moedeloze ogenblikken, maar ook van te verkeren op de hoogten des heils. Ja, zo heerlijk openbaart zich dit geloofsvertrouwen, dat hij de redding als aanwezig ziet. In het geloof was hij zo verzekerd van hulpe en redding, dat hij God er nu reeds voor moet danken ja, hij stelt het zich voor ogen en daarom haast hij zich, om er van te zingen.