5. Opdat niet mijn vijand, die zich boven mij verheft (
Vers 3), wanneer hij mij geheel en al ten onder gebracht zal hebben, zegge: Ik heb hem overmocht, opdat niet mijne tegenpartijen zich verheugen, wanneer ik zou wankelen, zou bezwijken, want Uwe eer zou schade lijden, wanneer Gij Uwen knecht, die zich op U verlaat, aan zulk een hoon der goddelozen zoudt willen blootstellen 1).
1) Had het hier slechts zijne eigene zaak aangegaan, deze gedachte ware hem wel niet zo bijtend geweest, waar echter, gelijk hier bij David, die reeds vooraf de zalving tot Koning van Israël ontvangen had, en op wie in dit opzicht het hoopje der vromen van dien tijd hoopvol zag (Psalm 5, inleiding), Gods waarachtigheid zelf op het spel staat en het hoongelach der goddelozen over den knecht Gods minder henzelve dan den Heere geldt, daar snijdt dit onverdraaglijk in de borst der vromen..
6.
III. Vers 6. Op de bede volgt de vreugde des geloofs over de zekere verhoring; de Psalmist weet, dat boven alle schouwspelen van onzen strijd hier beneden, een genadig en gaarne helpend God als toeschouwer zit, en dezen God zingt hij lofliederen, terwijl het nog om hem dondert en bliksemt.