1. Een Psalm (
Psalm 3:1), van David, voor den opperzangmeester (
1 Kronieken 25:31).
2.
De toestand van den dichter is die van zodanig enen, die door langdurige vervolgingen en lang uitblijven der Goddelijke hulp tot aan de grenzen van de wanhoop gevoerd, en in dodelijke droefheid gekomen is, daarom zijn wij het met die uitleggers eens, die het ontstaan van den Psalm in de laatste jaren van den tijd der vervolging door Saul stellen, toen David in bijzondere mate Gods versterking nodig had, om niet ten laatste nog in de aanvechting te bezwijken. (1 Samuël 24:20 ) Was de vorige Psalm het klaaglied der Kerk van alle tijden over de slechtheid der mensen, die zich in haar midden verheft, hier hebben wij David's persoonlijke klacht over de boosheid van zijnen vijand, die zich tegen hem verheft. (Vgl Psalm 12:9 met Psalm 13:3).
I. Vers 2-3. Vooraf gaat een lange, diepe zucht van den Psalmist hij klaagt er over, welk ene grote smart hij op aarde te lijden heeft, en hoe hij in den hemel geheel vergeten is.