Psalm 139:1-6
David spreekt hier de grote leerstelling uit, dat de God, met wie wij te doen hebben, ons volkomen kent, en dat al de bewegingen en handelingen, beide van onze inwendige en uitwendige mens, naakt en geopend voor Hem zijn.
1. Hij stelt deze leer in een toespraak tot God. Hij zegt het tot Hem, erkent het voor Hem, en geeft er Hem de eer van. Goddelijke waarheden hebben een even goed aanzien in het gebed als in de prediking, en een veel beter aanzien dan zij hebben in een twistgesprek. Als wij van God tot God spreken, dan zullen wij zeer in zorg zijn om met de uiterste oprechtheid, zowel als met de uiterste eerbied te spreken.
2. Hij stelt dit leerstuk vast bij wijze van toepassing op zichzelf. Het is niet: "Gij kent allen", maar, "Gij kent mij, dat te geloven is voor mij van het grootste belang, en dat te bedenken zal mij het nuttigste wezen." Wij weten deze dingen dan tot ons welzijn, ons nut en voordeel, als wij ze voor onszelf weten, Job 5:27. Als wij erkennen: Heere, alle zielen zijn Uwe," dan moeten wij er bijvoegen: "Mijn ziel is Uwe, Gij, die alle zonde haat, haat mijn zonde, die goed zijt voor allen, goed zijt voor Israël, zijt goed voor mij." Zo ook hier: "Gij doorgrondt en kent mij, kent mij even door en door als wij datgene kennen, hetwelk wij het nauwkeurigst onderzocht hebben." David was een koning, en het hart van koningen is ondoorgrondelijk voor hun onderdanen, Spreuken 25:3, maar dat is het niet voor hun soeverein.
3. Hij treedt in bijzonderheden, Gij kent mij waar ik ook ben, en wat ik ook doe, mij en alles wat mij behoort."
a. "Gij kent mij en al mijn bewegingen, Gij weet mijn zitten om te rusten, en mijn opstaan om aan de arbeid te gaan, in welke gemoedsstemming ik ga zitten, en waarin ik mij opwek om op te staan, waar mijn ziel rust in vindt als haar steun, wat zij bedoelt, en waar zij naar streeft als haar gelukzaligheid en haar einddoel. Gij kent mij als ik tehuis kom, hoe mijn wandel is voor mijn gezin, en als ik uitga, weet Gij op welke boodschap ik uitga."
b. "Gij kent al mijn overleggingen, niets is meer verborgen en meer vluchtig dan de gedachte, zij is altijd onbekend aan anderen, zij blijft dikwijls onopgemerkt voor onszelf, en toch verstaat Gij van verre mijn gedachten. Al zijn mijn gedachten ook nog zo vreemd en ver verwilderd van elkaar, Gij verstaat er de aaneenschakeling van, en kunt haar onderling verband ontdekken, als zovelen ervan mijn aandacht ontsnappen, dat ik haar onderling verband niet zie." Of, "Gij verstaat ze van verre, zelfs voordat ik ze nog gedacht heb, en lang nadat ik ze gedacht heb en zelf ze vergeten heb." Of, "Gij verstaat ze van verre, van de hoogte des hemels ziet Gij ze in het diepst van het hart," Psalm 33:14.
c. "Gij kent mij en al mijn plannen en ondernemingen, Gij omringt mijn gaan en mijn liggen, " sommigen lezen het: Gij zift of want mijn pad ten einde volkomen te onderscheiden het goed en het kwaad, dat ik doe, zoals wij door ziften of wannen tussen koren en kaf onderscheiden. Al onze daden worden gezift door het oordeel Gods, Psalm 17:3. God neemt kennis van iedere stap, die wij doen en van iedere stap ter zijde. Al onze wegen zijn Hem bekend, vers 3, nauwkeurig bekend, Hij weet naar welke regel wij wandelen, naar welk doel wij heengaan, met welk gezelschap wij wandelen.
d. Gij kent mij in al mijn afzonderingen, Gij kent mijn nederliggen, als ik mij terugtrek van alle gezelschap, en nadenk over hetgeen gedurende de dag is voorgevallen, en ik mij ter ruste begeef, Gij weet wat er in mijn hart is, en met welke gedachten ik mij ter ruste begeef."
e. Gij kent mij, en weet alles wat ik zeg, vers 4. Er is geen woord op mijn tong, geen ijdel woord, geen goed woord, of Gij weet het, weet wat er mee bedoeld is uit welke gedachte het voortkwam, en met welke bedoeling het werd uitgesproken. Er is geen woord op mijn tong, op het punt van uitgesproken te worden, doch dat onderdrukt en teruggehouden werd, of Gij weet het." Heere, als er geen woord op mijn tong is, weet Gij toch alles, zo lezen het sommigen, want voor God zijn gedachten woorden.
f. "Gij kent mij in ieder deel van mij: Gij bezet mij van achteren en van voren, zodat ik, waar ik ook heenga, altijd onder Uw oog ben, en er niet aan kan ontkomen. Gij zet Uw hand op mij, zodat ik U niet kan ontvlieden." Waar wij ons ook bevinden, overal zijn wij onder het oog en de hand van God. Misschien is dit een toespeling op de wijze van doen van een arts, die zijn hand legt op zijn patiënt, om te weten hoe zijn pols klopt. God kent ons, zoals wij niet alleen weten wat wij zien, maar wat wij gevoelen. Al de heiligen zijn in Zijn hand.
4. Hij spreekt er van met bewondering vers 6. De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog
a. Gij hebt een kennis van mij, zoals ik haar niet van mijzelf heb, noch kan hebben, ik kan geen kennis nemen van al mijn gedachten, noch zo'n oordeel over mijzelf hebben als Gij het van mij hebt."
b. Het is een kennis, die ik niet kan begrijpen en nog veel minder kan beschrijven. Dat Gij alles weet, daar ben ik zeker van, maar hoe, zou ik niet kunnen zeggen." Wij kunnen door geen onderzoek of doorgronding ontdekken, hoe God ons doorgrondt en ontdekt, noch weten hoe wij bekend zijn.