Spreuken 25:2-3
1. Hier wordt een voorbeeld gegeven van de eer van God: het is zijn eer een zaak te verbergen. Hij behoeft geen zaak te onderzoeken, want Hij kent iedere zaak door een heldere en ontwijfelbare beschouwing en niets kan voor Hem verborgen zijn maar Zijn eigen weg is in de zee en Zijn pad in grote wateren. Er is een ondoorgrondelijke diepte in Zijn raadsbesluiten, Romeinen 11:33. Het is slechts een klein deel, dat van Hem gehoord wordt. Wolken en donkerheid zijn rondom Hem. Wij zien wat Hij doet, maar wij kennen er de redenen niet van. Sommigen brengen het in betrekking met de zonden van de mensen, het is Zijn eer de zonde te vergeven, hetgeen is: haar te bedekken, haar niet te gedenken, haar niet meer te noemen, Zijn verdraagzaamheid, die Hij oefent jegens zondaren, is ook Zijn eer, waarin Hij schijnt te zwijgen en geen kennis van de zaak te nemen.
2. Waarin de eer van de koningen is gelegen.
A. Het is Gods eer, dat Hij geen onderzoek behoeft in te stellen naar een zaak, omdat Hij haar kent zonder haar te onderzoeken, maar het is de eer van de koningen om nauwgezet en met alle middelen, die hun ten dienste staan, een zaak te onderzoeken, die voor hen gebracht wordt, zich moeite te geven om de overtreders een gerechtelijk verhoor te doen ondergaan, ten einde achter hun plannen en bedoelingen te komen, en de verborgen werken van de duisternis aan het licht te brengen, geen oordeel uit te spreken voor zij alle omstandigheden wel overwogen hebben, het ook niet geheel aan anderen over te laten om de dingen te onderzoeken, maar uit hun eigen ogen te zien.
B. Het is Gods eer, dat Hij door geen onderzoek of navorsing ontdekt kan worden, en iets van die eer straalt af op koningen, wijze koningen die een zaak doorgronden, de helft is ondoorgrondelijk, zoals de hoogte des hemels of de diepte van de aarde, waarnaar wij kunnen gissen, maar die wij niet kunnen weten. Vorsten hebben hun "arcana imperii hun staatsgeheimen," plannen, die verborgen worden gehouden, en redenen van staat, waarover particuliere personen niet bevoegd zijn te oordelen en waarin zij dus geen nieuwsgierige blikken moeten werpen. Wijze vorsten, die een zaak onderzoeken, hebben vernuftige invallen, waaraan niemand zou denken, zoals Salomo toen hij om een zwaard vroeg om het levende kind door midden te snijden, waardoor hij bedoelde de ware moeder te ontdekken.