Psalm 139:17-24
Hier maakt de psalmist de toepassing op de leer van Gods alwetendheid, en wel op onderscheidene wijze.
1. Hij erkent met verwondering en dankbaarheid de zorg, die God voor hem gedragen heeft gedurende zijn gehele leven, vers 17,18. God, die hem kende, dacht aan hem, en Zijn gedachten over hem waren gedachten van liefde, "gedachten des vredes en niet des kwaads," Jeremia 29:11. Gods alwetendheid, die rechtvaardiglijk over ons had kunnen waken, om ons kwaad te doen, is ten goede voor ons gebruikt, en heeft over ons gewaakt, om ons goed te doen Jeremia 31:28. Gods raadsbesluiten betreffende ons en ons welzijn, waren:
a. Kostelijk, bewonderenswaardig. Hoe kostelijk zijn zij mij. Zij zijn diep in zichzelf, zij kunnen niet gepeild, niet begrepen worden. Gods voorzienigheid heeft ver gereikt in haar beschikkingen betreffende ons, en heeft tot ons welzijn dingen tot stand gebracht, die verre boven onze verwachting waren. Zij zijn ons kostelijk, wij moeten er met grote eerbied aan denken, en toch ook met genot en dankbaarheid. Onze gedachten aan God moeten ons boven alle andere gedachten lieflijk en kostelijk zijn.
b. Bewonderenswaardig talrijk, hoe machtig vele zijn haar sommen! Wij kunnen er geen begrip van hebben hoevele Gods vriendelijke gedachten over ons geweest zijn, hoeveel goed Hij ons gedaan heeft, en hoe onderscheidene weldaden wij van Hem ontvangen hebben. Zouden wij ze tellen alleen de hoofden ervan, en nog veel meer de bijzonderheden ervan zij zijn talrijker dan het zand, en toch is ieder ervan groot en van groot belang en gewicht, Psalm 40:6. Wij kunnen de menigte van Gods ontfermingen niet begrijpen, die elke morgen nieuw zijn.
c. Voortdurend en gestadig. "Word ik des morgens wakker, zo ben ik nog bij U, onder Uw oog en Uw zorg, veilig en gerust onder Uw bescherming." Dit duidt ook het voortdurende besef aan, dat David had dat Gods oog op hem was. Word ik wakker zo ben ik nog bij U in mijn gedachten, en het zou er toe bijdragen om ons de gehele dag in de vreze Gods te houden, als, wanneer wij des morgens wakker worden, onze eerste gedachten aan Hem waren en als wij ons Hem dan voor ons stelden.
2. Uit deze leer leidt hij de gevolgtrekking af, dat verderf gewis het einde zal zijn van de zondaren. God kent al de goddeloosheden van de goddelozen, en daarom zal Hij er voor afrekenen met hen. "Gij, o God! zult gewis de goddelozen ombrengen, want al hun goddeloosheid ligt open voor U, hoe kunstig zij ook bemanteld is om haar voor het oog van de wereld te verbergen. Al is het ook dat Gij hen voor een wijle voorspoedig laat zijn! toch zult Gij hen voorzeker ten laatste ombrengen. Merk nu op:
A. De reden, waarom God hen zal straffen namelijk omdat zij Hem op vermetele wijze beledigen en trotseren, vers 20. Zij spreken schandelijk van U, zij zetten hun mond tegen de hemel, Psalm 73:9, en zullen ter verantwoording worden geroepen voor de harde woorden, die zij tegen Hem gesproken hebben, Judas: 15. Zij zijn Zijn vijanden, en tonen hun vijandschap door Zijn naam ijdellijk te gebruiken, vers 20, gelijk wij onze minachting van iemand tonen als wij een scheldnaam maken van zijn naam, en hem nooit anders in spot en smaad noemen. Zij, die de heilige formules van zweren of van gebed ontheiligen door ze op ongepaste, oneerbiedige wijze te gebruiken, gebruiken Gods naam ijdellijk, en tonen hierdoor vijanden van Hem te zijn. Sommigen houden het voor een beschrijving van geveinsden. "Zij spreken van U ten kwade zij spreken van God, vroomheid voorwendende maar het is met een boze bedoeling, als een dekmantel voor boosaardigheid, en, vijanden van God zijnde terwijl zij vriendschap voorwenden, gebruiken zij Zijn naam ijdellijk zweren zij valselijk."
B. Het gebruik, dat David maakte van dit zijn vooruitzicht van het verderf van de goddelozen.
a. Hij tart hen, "Gij mannen des bloeds, wijkt van mij, gij zult mij niet verleiden, want ik neem uw vriendschap niet aan, ik heb geen gemeenschap met u, en gij kunt mij niet in het verderf storten, daar ik onder Gods bescherming ben, Hij zal u noodzaken van mij te wijken."
b. Hij verfoeit hen, vers 21, 22. "Heere, Gij kent het hart, en kunt voor mij getuigen Zou ik niet haten die U haten? En wel omdat zij U haten? Ik haat hen omdat ik U liefheb en het haat om Uw gezegenden naam aldus gesmaad en beledigd te zien. Zou ik geen verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan, geen verdriet hebben om hun rebellie te zien en hun verderf te voorzien, waarin zij gewis eindigen zal?" De zonde wordt gehaat, en de zondaren worden betreurd door allen, die God vrezen. "Ik haat hen, ik haat het werk van de afvalligen," zoals hij zegt in Psalm 101:3, "met een oprechte en volkomen haat, ik houd hen, die vijanden van God zijn, voor mijn vijanden, en wil geen vertrouwelijke omgang met hen hebben,"
3. Hij beroept zich op God betreffende zijn oprechtheid, vers 23, 24.
A. Hij wenst dat God hem zou ontdekken waar hij onrecht in had. Zij, die oprecht zijn, kunnen zich troosten met Gods alwetendheid, daar deze hun oprechtheid ziet en haar kan getuigen, en zij kunnen met nederig vertrouwen Hem bidden hen te doorgronden en te kennen, ten einde hen aan henzelf te ontdekken want een Godvruchtige begeert het ergste omtrent zichzelf te weten en hen te ontdekken aan anderen. Hij, die eerlijke bedoelingen heeft, zou kunnen wensen een venster in zijn borst te hebben, opdat iedereen in zijn hart zou kunnen lezen. "Heere, ik hoop dat ik niet op een boze weg ben, maar zie of bij mij een schadelijke weg zij, of er nog een verdorven neiging in mij is overgebleven laat het mij dan zien, en roei haar van mij uit, want ik laat haar niet toe."
B. Hij begeert dat hij, zo hij op de rechte weg is, er op voortgeholpen zal worden, hetgeen Hij, die het hart kent, op krachtdadige wijze weet te doen. Leid mij op de eeuwige weg. De weg van de Godzaligheid is een eeuwige weg, hij is eeuwig waar en goed, welbehaaglijk aan God, en nuttig voor ons, en hij zal uitlopen in het eeuwige leven. Het is de weg van de oudheid, aldus sommigen, de goede oude weg. Al de heiligen begeren op deze weg gehouden en geleid te worden, opdat zij er niet van afdwalen, of hem moede worden.