Psalm 138:6-8
David vertroost zich hier met drie dingen.
1. Met de gunst, die God betoont aan Zijn nederig volk, vers 6. Hoewel de Heere hoog is, geen van Zijn schepselen nodig heeft, en door geen hunner bevoordeeld kan worden, ziet Hij toch de nederige aan, ziet Hij de nederigen goedkeurend aan, een welbehagen in hen hebbende, ziet Hij hemel en aarde voorbij om een blik van genade op hen te slaan, Jesaja 57:15, 66:1, en vroeg of laat zal Hij eer op hen leggen, terwijl Hij de verhevenen van verre kent, hen kent, maar hen verstoot en verwerpt, hoe trotselijk zij ook aanspraak maken op Zijn gunst. Dr. Hammond beschouwt dit als de hoofdsom van het Evangelie, dat de koningen van de aarde zullen horen en welkom heten: dat boetvaardige zondaren door God aangenomen zullen worden, maar de onboetvaardigen buitengeworpen zullen worden: getuige het voorbeeld van de Farizeeër en de tollenaar, Lukas 18.
2. De zorg, die God draagt voor Zijn beproefd, verdrukt volk, vers 7. David was een groot en goed man, en toch verwacht hij in het midden van de benauwdheid te wandelen, maar hij bemoedigt zich met de hoop:
a. Dat God hem zal vertroosten. "Als mijn vlees en hart op het punt zijn te bezwijken, zult Gij mij levend maken, mij gerust en blijmoedig maken onder mijn benauwdheid." Er is in Goddelijke vertroostingen genoeg om ons op te wekken, levend te maken, zelfs als wij in het midden van de benauwdheid wandelen, en op het punt zijn om te sterven van vrees.
b. Dat Hij hem zal beschermen, zijn zaak zal voorstaan. Uw rechterhand strekt Gij uit wel niet tegen mijn vijanden om hen te verdoen, maar dan toch tegen de toorn mijner vijanden, om die te weerhouden, er perken aan te stellen.
c. Dat Hij ter bestemder tijd verlossing voor hem zal werken: Uw rechterhand behoudt mij. Gelijk Hij een hand heeft om haar uit te strekken tegen Zijn vijanden, zo heeft Hij ook een hand om Zijn volk te behouden. Christus is de rechterhand des Heeren, die allen zal behouden, die Hem dienen.
3. De verzekering die wij hebben, dat God elk goed werk, dat Hij in en voor Zijn volk begonnen heeft, zal voleindigen, vers 8. De Heere zal het voor mij voleindigen.
A. Hij zal voor mij voleindigen wat het nodigste voor mij is, en Hij weet het best wat het nodigste is. Wij zijn bekommerd en ontrust over vele dingen, die ons niet aangaan maar Hij weet welke dingen werkelijk van gewicht en belang voor ons zijn, Mattheus 6:32, en Hij zal ze ten beste voor ons schikken.
B. Hetgeen, waar wij het meest bezorgd over zijn. Ieder Godvruchtige is het meest in zorg over zijn plicht tegenover God en zijn gelukzaligheid in God, dat de plicht getrouw volbracht zal worden en de zaligheid vast verzekerd zal zijn. En indien dat werkelijk de dingen zijn, waar ons hart het meest op gezet is, en waaromtrent wij het meest in zorg zijn, dan is er een goed werk in ons begonnen, en Hij, die het begonnen heeft, zal het voleindigen, daar kunnen wij zeker van zijn, Filipp. 1:6.
Merk op: a. Welke grond de psalmist heeft voor dit vertrouwen: Uw goedertierenheid, Heere, is in eeuwigheid. Die had hij grotelijks tot het onderwerp gemaakt van zijn lof, Psalm 138:8, en daarom kan hij het nu met te meer verzekerdheid tot het onderwerp maken van zijn hoop. Want als wij aan God de eer geven van Zijn goedertierenheid, dan kunnen wij er voor ons de vertroosting van nemen. Onze hoop, dat wij zullen volharden, moet niet gegrond zijn op onze eigen kracht, want die zal ons begeven, maar op de goedertierenheid van God, want deze zal niet falen. Het is een goede pleitrede: Heere, Uw goedertierenheid is in eeuwigheid, laat mij er een gedenkteken van zijn."
b. Welk gebruik hij maakt van dit vertrouwen, het vervangt zijn gebed niet, maar wekt het op, maakt het vurig en dringend, hij verkeert zijn verwachting in een gebed. Laat niet varen de werken Uwer handen. "Heere, ik ben het werk Uwer handen, mijn ziel is dit, verlaat mij niet, mijn belangen zijn dit, laat Uw zorg er voor niet varen." Welk goeds er in ons is, het is het werk van Gods handen, Hij werkt in ons beide het willen en het volbrengen, als Hij het verlaat zal het falen, maar Zijn heerlijkheid als Jehovah, de volbrengende God, is zozeer gemoeid met de voortgang ervan ten einde toe, dat wij in het geloof kunnen bidden: "Heere, verlaat het niet." Die Hij liefheeft, heeft Hij lief ten einde toe, en Gods werk is volkomen.