Psalm 132:11-18
Dat zijn dierbare beloften, bevestigd door een eed, opdat hun erfgenamen een sterke vertroosting zouden hebben, Hebreeën 6:17, 18. Of wij ze nu nemen als pleitgronden in het gebed, of als antwoorden op het gebed, het komt alles op hetzelfde neer, de gelovigen weten op beiderlei wijzen gebruik te maken van de beloften, met dezelve te spreken tot God, en in dezelve te horen wat God de Heere zal spreken tot hen. Deze beloften hebben betrekking op de bevestiging beide van de kerk en van de staat, beide op de troon en het huis van David, en op de getuigenis Israëls, gevestigd op de berg Zion. De beloften betreffende de berg Zion zijn even toepasselijk op de Evangeliekerk, als die betreffende Davids zaad op Christus, en daarom kunnen wij pleiten op beide, en zijn zij zeer troostrijk voor ons. Hier is:
I. De keuze, die God gedaan heeft, van het huis Davids en van de berg Zion. Beiden waren Gods verordening.
1. God heeft Davids geslacht verkoren om het koninklijk geslacht te zijn, en zijn keuze bevestigd door een eed. De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen, Hij zal er niet van afgaan. Heeft David de Heere gezworen dat hij Hem een huis zal bouwen? vers 2, de Heere heeft aan David gezworen, dat Hij hem een huis zal bouwen, want God zal bij niemand van Zijn volk achterblijven in liefde of verzekeringen. De belofte, gedaan aan David, heeft betrekking:
A. Op een lange reeks van koningen, die uit zijn lenden zullen voortkomen en hem zullen opvolgen: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten, hetgeen vervuld werd in Salomo, David heeft geleefd om dit met grote voldoening nog te zien, 1 Koningen 1:48. De kroon ging ook voorwaardelijk, bij erfrecht over in zijn geslacht tot in eeuwigheid. Indien uw zonen in de volgende eeuwen Mijn verbond zullen houden en Mijn getuigenissen, die Ik hen leren zal. God zelf neemt het op zich om hen te leren, en Hij deed het, zij hadden Mozes en de profeten, en alles wat Hij verwacht is dat zij zouden houden wat Hij hen geleerd had, er bij zouden blijven, en dan zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten. Koningen zijn Gode welgevallig als zij zich goed gedragen, en hun opdracht van Hem geldt "quamdiu se bene gesserint, zolang zij zich goed gedragen." In de uitkomst bleek dat zij zich niet goed gedroegen, dat zij Gods verbond niet hielden, en zo ging het erfrecht eindelijk te loor, en is langzamerhand de scepter van Juda geweken.
B. Op een eeuwige opvolger, een Koning, die uit zijn lenden zou voortkomen, van de grootheid van wiens heerschappij en vrede geen einde zal zijn. Petrus past dit toe op Christus, ja hij zegt ons dat David zelf het aldus heeft begrepen, Handelingen 2:30. Hij wist dat God hem met ede gezworen had, dat Hij uit de vrucht van zijn lenden, zoveel het vlees aangaat, de Christus verwekken zou, om op zijn troon te zitten, en in de volheid des tijds heeft Hij het gedaan, heeft Hij Hem de troon Zijns vaders Davids gegeven, Lukas 1:32. Hij heeft aan de voorwaarde van de belofte voldaan, Hij heeft Gods verbond en Zijn getuigenis gehouden, Hij heeft de wil Zijns Vaders gedaan, en daarom zal aan Hem en Zijn geestelijk zaad de belofte vervuld worden, en de kinderen, die God Hem gegeven heeft, alle gelovigen, zullen zitten op Zijn troon tot in eeuwigheid, Openbaring 3:21.
2. God heeft de berg Zion verkoren om de heilige berg te zijn, en Zijn keuze bevestigd doordat Hij er zich in verlustigde, vers 13, 14. "Hij heeft Zion verkoren, Hij heeft het begeerd," Psalm 78:68. Hij verkoos hem tot woning voor Zijn ark, en zei ervan: Dit is Mijn ruste tot in eeuwigheid, niet slechts Mijn woonstede voor een tijd, zoals Silo het geweest is. Zion was de stad Davids, hij verkoos haar om de koninklijke stad te zijn, omdat God haar verkoos om de heilige stad te zijn. God zei: Hier zal Ik wonen, en daarom zei David: Hier zal Ik wonen, want hij bleef bij zijn beginsel: Het is mij goed nabij God te zijn. Zion moet hier beschouwd worden als type van de Evangeliekerk, die de berg Zion geroemd wordt, Hebreeën 12:22, en in haar heeft hetgeen hier van Zion gezegd is de volkomen vervulling. Zion was sedert lang reeds geploegd als een akker, maar de kerk van Christus is het huis des levenden Gods, 1 Timotheus 3:15, en zij is Zijne ruste tot in eeuwigheid, en zal gezegend worden met Zijn tegenwoordigheid al de dagen tot aan de voleinding van de wereld. Gods verlustiging in Zijn kerk, Zijn voortdurende tegenwoordigheid bij Zijn kerk, is de vertroosting en blijdschap van al haar leden.
II. De keurzegeningen, die God voor het huis Davids en de berg Zion heeft weggelegd. Dien God verkiest, zegent Hij.
1. God, de berg Zion verkoren hebbende, belooft Hij die te zegenen:
A. Met de zegeningen van het tegenwoordige leven, want de Godzaligheid heeft daar de belofte van, vers 15. De aarde zal haar gewas geven, waar de Godsdienst opgericht is, daar zal voorraad van brood wezen, en zegenende zal God het zegenen, Psalm 67:7. Hij zal het gewis en overvloedig zegenen. En een kleine voorraad met een overvloedige zegen er op, zal van meer dienst zijn en meer aangenaam dan een grote voorraad zonder die zegen. Gods volk heeft een bijzondere zegen op geheel gewone genietingen, en die zegen maakt ze uiterst lieflijk. Maar de belofte gaat nog verder: haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen. Zion heeft haar eigen armen te onderhouden, en er is beloofd dat God voor hen zal zorgen:
a. Door Zijn voorzienigheid zullen ze bewaard worden voor gebrek, zij zullen kost genoeg hebben. Als er schaarste is, zullen de armen er het eerst onder lijden, zodat het een stellig teken van overvloed is als zij genoeg hebben. Zions armen zullen geen gebrek lijden, want God heeft het alle kinderen van Zion ten plicht gesteld, om liefdadig te zijn jegens de armen, naardat zij het vermogen er toe hebben, en de kerk moet er voor zorgen dat zij niet veronachtzaamd worden, Handelingen 6:1.
b. Door Zijn genade zullen zij bewaard worden voor klagen, al hebben zij slechts droog brood, zullen zij toch verzadigd zijn. Zions armen hebben boven alle anderen reden om met weinig in deze wereld tevreden te zijn, omdat voor hen betere dingen bereid zijn. En dit kan geestelijk verstaan worden van de kost, de voorraad, die gemaakt is voor de ziel in het Woord en de inzettingen, God zal die overvloedig zegenen tot voedsel voor de nieuwe mens, en de armen van geest verzadigen met het brood des levens. Wat God voor ons heiligt, daar kunnen en zullen wij mee verzadigd worden.
B. Met de zegeningen van het toekomende leven, de dingen, die tot de Godzaligheid behoren, vers 16, dat een antwoord is op het gebed in vers 9..
a. Er was begeerd dat de priesters bekleed zouden worden met gerechtigheid, hier is beloofd dat God hen zal bekleden met heil) hen niet alleen zal behouden, maar hen en hun bestuur het middel zal doen zijn tot behoudenis van Zijn volk, zij zullen beide zichzelf behouden en degenen, die hen horen, en alzo toevoegen tot de gemeente die zalig zullen worden. Die God met gerechtigheid bekleedt, zal Hij ook met heil bekleden. Wij moeten bidden om gerechtigheid en dan zal God met haar ons ook heil geven.
b. Er was begeerd dat Gods gunstgenoten mochten juichen. God geeft meer dan wij vragen, en als Hij heil geeft, zal Hij overvloedige blijdschap geven.
2. Davids geslacht verkoren hebbende, belooft God ook dat met gepaste zegeningen te zegenen.
a. Met toenemende macht: Daar, in Zion, zal Ik David een hoorn doen uitspruiten, vers 17. De koninklijke waardigheid zal al meer en meer toenemen, voortdurend zal haar luister groter worden. Christus is de hoorn van de zaligheid, een overvloedige, krachtige zaligheid aanduidende, die God verwekt heeft en doen uitspruiten in het huis van Zijn knecht David. David had beloofd zijn macht te zullen gebruiken tot eer van God, de hoornen van de goddelozen te zullen afhouwen, en de hoornen van de rechtvaardigen te zullen verhogen, Psalm 75:11, ter beloning daarvan belooft God hier zijn hoorn te doen uitspruiten, want aan hen, die macht hebben en haar goed gebruiken, zal meer macht gegeven worden.
b. Duurzame eer. Ik heb voor mijn gezalfde een lamp toegericht. Gij doet mijn lamp lichten, Psalm 18:29, die lamp zal gewis helder branden, die God toericht. Een lamp is een opvolger, want als een lamp bijna uit is, kan er een andere aan aangestoken worden, want hierdoor zal aan David geen man ontbreken om voor God te staan. Christus is de lamp en het licht van de wereld.
c. Volkomen overwinning, zijn vijanden, die plannen tegen hem beraamd hebben, zal Ik met schaamte bekleden, als zij hun plannen verijdeld zien. Laat de vijanden van alle goede regeerders verwachten met schaamte bekleed te zullen worden, inzonderheid de vijanden van de Heere Jezus en Zijn regering, die in de grote dag zullen opstaan tot versmaadheden en tot eeuwige afprijzing.
d. Algemene voorspoed. Op hem zal zijn kroon bloeien, zijn regering zal al meer en meer zijn eer zijn. Deze belofte moest haar volkomen vervulling erlangen in Jezus Christus, wiens kroon van de eer en van de macht nooit zal verwelken, de bloemen ervan zullen nooit verdorren. De kroon van aardse vorsten "is niet van geslacht tot geslacht", Spreuken 27:24. Maar Christus' kroon is tot in alle eeuwigheid en de kronen, weggelegd voor Zijn getrouwe onderdanen, zijn onverwelkelijk.