1 Koningen 1:41-53
Wij hebben hier:
I. De tijding van Salomo's inhuldiging gebracht tot Adonia en zijn partijgenoten temidden van hun vrolijkheid. Zij hadden geëindigd te eten, en het schijnt, dat het zeer lang geduurd heeft eer zij er een einde aan maakten, want geheel de zaak van Salomo's zalving was bevolen, geregeld en volbracht, terwijl zij nog aan tafel waren. Aldus zijn zij, die de Here Jezus Christus niet dienen maar Hem tegenstaan, gewoonlijk dezulken, die hun buik dienen, Romeinen 16:18, en er een god van maken. Hun langdurig aanzitten aan het feestmaal geeft ook te kennen dat zij zeer gerust waren, en overtuigd van het welslagen hunner plannen, want anders zouden zij niet zoveel tijd hebben laten verloren gaan. De oude wereld en Sodom waren etende en drinkende, gerust en zinnelijk, toen de verwoesting over hen kwam, Lukas 17:26 en verv. Toen zij geëindigd hadden te eten en zich bereidden om hun koning uit te roepen, en hem in triomf naar de stad te brengen, hoorden zij het geluid van de bazuinen, vers 41, en "het was een geluid van verschrikking in hun oren," Job 15:21. Joab was een oud man, en werd er door verschrikt, vrezende dat de stad in oproer was, maar Adonia is zeer gerust, en vertrouwt dat de bode, een kloek man zijnde, een goede boodschap zal brengen, vers 42. Overweldigers vleien zich met de hoop op succes, en diegenen zijn gewoonlijk het minst beschroomd, wier toestand het gevaarlijkst is. Maar hoe kunnen zij, die slechte daden doen, goede tijdingen verwachten? Neen, de kloekste man zal hun de slechtste tijding brengen, zoals de zoon des priesters haar hier aan Adonia gebracht heeft, vers 43. "Ja de beste tijding, die ik u te brengen heb, is, dat Salomo tot koning gemaakt is, zodat er van uw aanspraken niets komen kan."
Hij verhaalt hun zeer uitvoerig:
1. Met hoe grote plechtigheid Salomo koning was gemaakt, vers 44, 45, en dat hij nu op de troon des koninkrijk zit, vers 46. Adonia dacht voor hem de troon te beklimmen, maar Salomo was hem voor.
2. Met welk een algemene voldoening Salomo koning was gemaakt, zodat hetgeen gedaan was, niet waarschijnlijk weer ongedaan gemaakt kon worden.
a. Het volk was tevreden, getuige hun blijde toejuichingen, vers 45.
b. De hovelingen waren tevreden. De knechten des konings zijn gekomen met een adres van gelukwensing bij deze gelegenheid. vers 47. Wij hebben hier de inhoud van hun adres, zij zegenden de koning David, prezen zijn wijze zorg voor het openbare welzijn, en baden hartelijk om zijn herstel. Zij baden ook voor koning Salomo, dat God zijn naam beter zou maken dan die zijns vaders, hetgeen wel kon wezen, nu hij zijns vaders voorbeeld had om op te volgen, een kind op de schouders van een reus is groter dan de reus zelf.
c. De koning zelf is tevreden, hij heeft aangebeden op de slaapstede, hij boog zich, niet alleen om te kennen te geven dat hij het adres van zijn knechten aannam, maar om zijn eigen gebed en dankzegging op te zenden tot God, vers 48. Geloofd zij de Here, de God Israëls, die als Israëls God, en ten goede van Israël, deze zaak tot zo'n gelukkig einde heeft gebracht, en dat mijn ogen het gezien hebben. Het is voor Godvruchtige mensen een grote voldoening om, als zij de wereld gaan verlaten, de zaken van hun gezin in goede orde te zien, hun kinderen te zien opstaan om in hun plaats God en hun geslacht te dienen, en inzonderheid om vrede te zien over Israël en de bevestiging er van.
II. Hoe dit de aanslag van Adonia volkomen verijdeld heeft, het bedierf hun feest, verstrooide hun gezelschap, en noodzaakte hen om ieder voor zijn veiligheid te zorgen. "Het triomferen van de goddelozen is van korte duur." Job 20:5. Zij hebben een kasteel gebouwd in de lucht, dat, daar het geen fundamenten heeft, spoedig zal vallen en hen zal verpletteren. Zij waren bevreesd op heterdaad betrapt te zullen worden, terwijl zij nog tezamen waren om hun verraderlijk plan uit te broeien, en daarom zocht ieder hunner een goed heenkomen.
III. De verschrikking, die over Adonia zelf was gekomen, en wat hij deed om zich te beveiligen. Hij was nu even terneder geslagen, als hij tevoren opgewekt en vrolijk was, vers 42, 50. Hij had Salomo veracht, hem niet waardig geacht om zijn gast te zijn, vers 10, maar nu vreest hij hem als zijn rechter: hij vreesde voor Salomo. Zo zullen zij, die Christus en Zijn koninkrijk tegenstaan, weldra tot sidderen gebracht worden voor Hem, en dan tevergeefs roepen tot de rotsen en de bergen om hen te beschutten tegen Zijn toorn, Hij vatte de hoornen des altaars, die altijd beschouwd werden als een vrijplaats, een gewijd toevluchtsoord, Exodus 21:14, hiermede te kennen gevende, dat hij geen gerechtelijk verhoor durfde ondergaan, maar zich overgaf aan de genade van zijn vorst, in zijn afsmeken daarvan steunde hij op geen andere pleitgrond, dan de barmhartigheid Gods, die geopenbaard was in de inzetting en de aanneming van de offeranden, die op dat altaar geofferd werden, en de vergeving van de zonde deswege. Misschien heeft Adonia vroeger de dienst op het altaar veronachtzaamd, maar nu wenst hij er de bescherming van te hebben. Velen, die in de dagen van hun gerustheid op de grote zaligheid geen acht geven, zouden, als de schrik des Heren over hen is, wel gaarne verplicht zijn aan Christus en Zijn verdienste, en, als het te laat is, zullen "zij de hoornen van dat altaar vatten."
IV. Zijn nederige bede aan Salomo om genade. Door hen, die aan Salomo bericht brachten waar hij was, zond hij een verzoek om zijn leven, vers 51. Dat de koning Salomo mij als heden zwere dat hij zijn knecht met het zwaard niet doden zal. Hij erkent Salomo als zijn vorst, en zichzelf als zijn knecht, hij durft zich niet rechtvaardigen, maar bidt zijn rechter om genade. Dit was wel een grote verandering voor hem, hij, die des morgens naar de kroon greep, smeekt nog voor de nacht om zijn leven. Toen was het: Adonia is koning, thans beeft Adonia en kan zich niet veilig achten of Salomo moet hem onder ede beloven hem niet ter dood te brengen.
V. De orders, die Salomo hem betreffende, heeft gegeven. Hij liet hem vrij op voorwaarde, dat hij zich verder goed zou gedragen, vers 52, 53. Hij bedenkt dat hij zijn broeder is, dat het zijn eerste misdaad was, misschien zal hij, nu men hem zo spoedig zijn dwaling heeft doen inzien, en daar hij niet volhardt in zijn rebellie, tonen niet slechts een vreedzaam, maar een nuttig onderdaan te zijn, en daarom, zo hij zich in het vervolg goed gedraagt, zal het verledene vergeven zijn, maar zo het blijkt dat hij ontevreden, woelziek en eerzuchtig is dan zal deze misdaad tegen hem herdacht worden, dan zal hij er weer voor ter verantwoording worden geroepen, en de doodstraf tegen hem worden uitgesproken. Aldus ontvangt de Zone Davids hen in genade, die in opstand tegen Hem geweest zijn, indien zij terug willen keren tot hun gehoorzaamheid, en trouw willen zijn aan hun soeverein, dan zullen hun vroegere misdaden niet meer tegen hen herdacht worden, maar indien zij de belangen van de wereld en het vlees blijven dienen, dan zal dit hun verderf wezen. Adonia wordt door Salomo ontboden, en hem wordt gezegd op welke voet hij met hem staat, waarvoor hij hem dank betuigt en zich aan hem onderwerpt, en hierop krijgt hij bevel om naar zijn huis te gaan en er in afzondering te leven. Salomo schonk hem niet alleen het leven, maar ook zijn bezitting, aldus zijn troon bevestigende in goedertierenheid.