Psalm 130:1-4
In deze verzen wordt ons geleerd:
1. Om tot God te blijven roepen, in welke toestand wij ons ook bevinden, al is die toestand ook nog zo treurig, vers 1. De beste mensen kunnen soms in de diepten zijn, in grote beproeving en benauwdheid, zich niet weten te keren of te wenden, in de diepten van benauwdheid, en bijna in de diepten van de vertwijfeling, hun moed is gezonken, zij zijn in duisternis, kwijnend, verslagen, terneergebogen en ontrust. Maar het is ons voorrecht dat wij in de grootste diepten tot God mogen roepen en verhoord kunnen worden. Een gebed kan de hoogten des hemels bereiken, is het niet uit de diepten van de hel, dan toch wel uit de diepten van de grootste benauwdheid, waarin wij kunnen zijn in de wereld, het gebed van Jeremia uit de kerker, van Daniël uit de kuil van de leeuwen, van Jona uit de buik van de vis. Het is ons belang en onze plicht om tot God te roepen, want dat is het beste middel om te voorkomen dat wij al dieper en dieper wegzinken, en om ons "uit de ruisenden kuil en het modderig slijk op te halen," Psalm 40:2, 3.
2. Om terwijl wij tot God blijven roepen, ons te verzekeren van een antwoord des vredes van Hem, want dat is het, waar David in het geloof om bidt, vers 2. Heere, hoor naar mijn stem, naar mijn klacht en mijn gebed, en laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.
3. Er wordt ons hier geleerd ons te verootmoedigen voor de gerechtigheid Gods, als zijnde schuldig in Zijn ogen en niet in staat om Hem op duizend onzer overtredingen te antwoorden, vers 3. Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Er is kracht en nadruk in, dat hij God in zo weinige woorden tweemaal Heere noemt, Jah en Adonai, en er spreekt groot ontzag uit voor Gods heerlijke majesteit en vrees voor Zijn toorn. Laat ons hier leren:
a. Onze ongerechtigheden te bekennen, te erkennen dat wij ons voor God niet kunnen rechtvaardigen, ons niet onschuldig kunnen verklaren. Er is in onze ongerechtigheden iets opmerkelijks, iets dat aanleiding geeft tot aanmerkingen.
b. De macht en gerechtigheid van God te erkennen, die van zo'n aard is, dat zo Hij met ons in het gericht zou treden, er geen hoop voor ons zou zijn om te ontkomen. Zijn oog kan in de beste mens genoeg ontdekken, om er een veroordeling op te gronden, en als Hij tegen ons optreedt, dan kunnen wij niet bestaan, maar zullen zeker van voor Zijn aangezicht weggedaan worden. Indien God naar streng recht met ons handelt, dan zijn wij verloren, als Hij onze ongerechtigheden gadeslaat, dan zal Hij bevinden dat zij vele en groot zijn, zeer verzwarend zijn en zeer tergend, en als Hij dan dienovereenkomstig met ons handelde, dan zou Hij ons alle hoop ontzeggen op Zijn gunst en ons besluiten onder Zijn toorn, en wat zouden wij dan kunnen doen om onszelf te helpen? Wij zouden aan Zijn wrekende hand niet kunnen ontkomen, haar niet kunnen weerstaan, er niet staande onder kunnen blijven.
c. Gods geduld en verdraagzaamheid te bewonderen. Het ware met ons gedaan indien Hij de ongerechtigheden gadesloeg, en Hij weet dit, en daarom verdraagt Hij ons. Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat we niet vernield zijn door Zijn toorn. 4. Er wordt ons geleerd op de vergevende genade van God te vertrouwen, en ons er mee te vertroosten als wij ons onderhevig zien aan Zijn gerechtigheid, vers 4. Hier is:
a. Gods genade ontdekt en er op gepleit door een boetvaardig zondaar. Maar bij U is vergeving. In al ons naderen tot God is het onze onuitsprekelijke troost, dat er bij Hem vergeving is,. want dat is hetgeen wij nodig hebben. Hij heeft zich instaat gesteld om de zonde te kunnen vergeven, Hij heeft zich doen kennen als genadig en barmhartig en de zonde vergevende, Exodus 34:6, 7. Hij heeft beloofd de zonden te vergeven van hen, die berouw hebben en zich bekeren. Nooit heeft iemand, die met Hem handelde, Hem onverzoenlijk bevonden maar wel gemakkelijk te verbinden en snel bereid om genade te betonen. Bij ons is ongerechtigheid, en daarom is het gelukkig voor ons, dal bij Hem vergeving is. Bij U is verzoening, zo lezen het sommigen. Jezus Christus is de grote verzoening, het rantsoen, dat God gevonden heeft, Hij is steeds bij Hem als onze voorspraak, en door Hem hopen wij vergeving te verkrijgen.
b. Onze plicht aangewezen in die ontdekking, en er uit afgeleid, bij U is vergeving, niet opdat men stoutmoedig bij U zij, maar opdat Gij gevreesd wordt, in het algemeen: opdat Gij aangebeden en gediend zult worden door de kinderen van de mensen, die, zondaren zijnde, niet met God zouden kunnen handelen, indien Hij niet een Meester ware, die zeer vele fouten voorbij kan zien. Maar het is ons een aanmoediging om in Zijn dienst te treden, dat wij niet om ieder vergrijp weggezonden zullen worden, ja voor geen enkel, zo wij er slechts berouw van hebben. Zij, die gezondigd hebben, worden hierdoor zeer bijzonder tot bekering geroepen, uitgenodigd om weer te keren tot de vreze Gods, namelijk dat Hij genadig en barmhartig is, en hen na hun berouw aannemen, Joël 2:13, Mattheus 3:2. Wij moeten inzonderheid heilig ontzag en eerbied hebben voor Gods vergevende genade, Hosea 3:5. Zij zullen vrezende komen tot de Heere en tot Zijn goedheid, en wij kunnen dan de weldaad verwachten van de vergeving, die bij God is, als wij haar tot het voorwerp maken van onze heilige vreze.