Psalm 118:1-18
Het blijkt hier, evenals dikwijls elders, dat Davids hart vervuld was van de goedertierenheid Gods. Hij beminde het om er aan te denken, beminde het om ervan te spreken, en hij begeerde grotelijks dat God er de lof voor zou ontvangen, en dat anderen er de vertroosting van zouden hebben. Hoe meer ons hart doordrongen is van Gods goedertierenheid, hoe meer het verruimd zal zijn in alle gehoorzaamheid. In deze verzen:
1. Verheft hij Gods goedertierenheid in het algemeen, en roept hij anderen op om haar te erkennen uit hun eigen ervaring ervan, vers 1. Looft de Heere, want Hij is niet alleen goed in zichzelf, maar goed jegens u, en Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid, niet alleen in de eeuwige bron, God zelf, maar in de nimmer falende stromen van die goedertierenheid, welke parallel lopen met de langste lijn van de eeuwigheid, en in de uitverkoren vaten van de genade, die er de altijddurende gedenktekenen van zijn. Israël en het huis Aärons, en allen, die God vrezen, werden opgeroepen om op God te vertrouwen, Psalm 115:9-11, hier worden zij opgeroepen om te belijden dat Zijn goedertierenheid in eeuwigheid is, en zich aldus aan te moedigen om op Hem te vertrouwen, vers 2-4. Priesters en volk, Joden en proselieten, moeten allen Gods goedertierenheid erkennen en zich allen verenigen in hetzelfde lied. Als zij niets meer kunnen zeggen, zo laat hen dit zeggen voor Hem, dat Zijn goedertierenheid tot in eeuwigheid is, dat zij haar al hun dagen hebben ervaren, en er op vertrouwen voor het goede, dat tot in eeuwigheid zal zijn. De lof en dank van allen, die in waarheid de Heere vrezen, zal Hem even welbehaaglijk zijn, als die van het huis van Israël of van het huis van Aaron.
II. Hij bewaart een verhaal van Gods genaderijke handelingen met hem in het bijzonder, dat hij mededeelt aan anderen, opdat zij daaraan beide lofliederen zullen ontlenen en versterking voor hun geloof, en God van beide de eer zal ontvangen. David was in zijn tijd door zeer vele en grote moeilijkheden heengegaan, waardoor hij grote ervaring verkreeg van Gods goedertierenheid.
Laat ons daarom hier opmerken:
1. De grote benauwdheid en het gevaar waarin hij zich had bevonden, tot verheerlijking van Gods goedertierenheid jegens hem in zijn tegenwoordige verhoging. Er zijn velen, die, als zij verhoogd zijn, niet gaarne horen of spreken van hun vroegere ongunstige omstandigheden, maar David neemt alle gelegenheden te baat om aan zijn eerdere staat te gedenken. Hij was in benauwdheid, vers 5, in de engte gebracht, er waren velen, die hem haatten, vers 7, en dat kon niet anders dan smartelijk wezen voor iemand met zo'n edel gemoed, die er naar streefde om ieders genegenheid te winnen. Alle heidenen hadden mij omringd, vers 10. Al de volken, die rondom Israël woonden, hebben het er op toegelegd om David onrust te bezorgen toen hij pas de troon had bestegen, Filistijnen, Moabieten, Syriërs, Ammonieten enz. Wij lezen van zijn vijanden van rondom, zij hadden zich tegen hem verbonden, en gedacht alle hulp en bijstand voor hem af te snijden. Deze poging van zijn vijanden om hem te omsingelen, wordt herhaald, vers 11. Zij hadden mij omringd, ja zij hadden mij omringd, hetgeen te kennen geeft dat zij boosaardig en heftig waren, en voor een tijd overmacht hadden in hun pogingen tegen hem, en dat zij, in wanorde gebracht zijnde, zich weer verzamelden en voortgingen met hun plannen. Zij hadden mij omringd als bijen, zo talrijk waren zij, zo luidruchtig, zo kwellend, zij kwamen op hem aangevlogen, kwamen in zwermen op hem af, vielen hem aan met hun venijnige angels, maar het was tot hun eigen verderf, zoals de bij, naar men zegt, haar leven verliest met haar angel. "Animamque in vulnere ponit zij legt haar leven in de wond". Heere, hoe zijn mijne tegenpartijders vermenigvuldigd!
Op tweeërlei wijze was David in moeilijkheid gebracht.
a. Door het kwaad, dat de mensen hem deden, vers 13. Gij, o vijand, hadt mij zeer hard gestoten, ten einde mij te doen vallen in zonde en in verderf. Stotende hebt gij mij gestoten zo is het in het oorspronkelijke, zodat ik op het punt was van te vallen. Satan is de, grote vijand, die hard stoot door zijn verzoekingen, om ons neer te werpen, ons van onze hoogheid te verstoten, ten einde ons van God te doen afvallen en van onze vertroosting in Hem, en indien God ons niet had ondersteund door Zijn genade, zijn stoten zouden ons noodlottig geweest zijn.
b. Door de beproevingen, die God hem oplegde, vers 18. De Heere heeft mij wel hard gekastijd. De mensen stieten hem om hem te verderven, God had hem gekastijd om hem te onderrichten, zij stieten hem met de boosaardigheid van vijanden, God kastijdde hem met de liefde en tederheid van een vader. Misschien doelt hij op dezelfde benauwdheid, die God, de werker ervan, bedoelde tot zijn nut, opdat hij van Zijn heiligheid zou deelachtig worden, Hebreeën 12:10, 11. Evenwel, de mensen, die er de werktuigen voor waren, meenden het niet zo, en hun hart heeft alzo niet gedacht, maar zij hadden in hun hart om te verdelgen en uit te roeien, Jesaja 10:7. Wat de mensen bedoelen voor het grootste kwaad bedoelt God voor het grootste goed, en het is gemakkelijk te zeggen wiens raad zal bestaan. God zal de benauwdheid heiligen aan Zijn volk, daar zij Zijn kastijding is, en het goede, dat Hij bedoelt doen komen, en Hij zal hen bewaren voor de benauwdheid, die uit het stoten van de vijanden voortkomt, en hen beveiligen tegen het kwaad, dat zij bedoelen, en dan behoeven wij niet te vrezen.
Dit bericht, hetwelk David geeft van zijn benauwdheden, is zeer toepasselijk op onze Heere Jezus. Er waren velen, die Hem haatten, Hem haatten zonder oorzaak. Zij hadden Hem omringd, Joden en Romeinen omringden hem, zij hebben Hem zeer hard gestoten, de duivel deed dit toen hij Hem verzocht, Zijn vervolgers deden dit toen zij Hem smaalden, ja de Heere zelf heeft Hem zeer hard gekastijd, Hem verbrijzeld, smart aangedaan, opdat door Zijn striemen ons genezing zou worden.
2. De gunst, die God hem schonk in zijn benauwdheid.
a. God hoorde zijn gebed, vers 5. "Hij verhoorde mij door verruiming, Hij deed meer voor mij, dan ik in staat was te vragen, Hij verruimde mijn hart in het gebed, en gaf mij ruimer dan waar ik om vroeg." Hij heeft mij verhoord, stellende in de ruimte, waar ik ruimte had om mij te bewegen, ruimte om mij te verblijden, ruimte om in te kunnen gedijen, en die ruimte was zoveel aangenamer omdat ik er in gebracht werd uit mijne benauwdheid, Psalm 4:2.
b. God had de plannen van zijn vijanden tegen hem verijdeld, zij zijn uitgeblust als een doornenvuur, vers 12, dat voor een wijle heftig brandt, een groot geraas maakt en een grote vlam van zich geeft, maar dadelijk uitgaat, en het kwaad niet kon doen, dat het dreigde te doen, zodanig was de woede van Davids vijanden, zo is "het lachen van de dwaas als het geluid van de doornen ondereen pot," Prediker 7:6, en zodanig is de toorn van de dwaas, die daarom niet te vrezen is, evenmin als zijn lachen te benijden is, maar die beide deerniswaardig zijn. Zij hebben hem hard gestoten, maar de Heere heeft hem geholpen, vers 13, hem geholpen om zijn voeten voor aanstoot te bewaren en standvastig te blijven. Onze geestelijke vijanden zouden reeds voor lang onze ondergang bewerkt hebben, indien God niet onze helper ware geweest.
c. God heeft zijn leven bewaard toen er slechts een schrede was tussen hem en de dood, vers 18. "Hij heeft mij wel hard gekastijd, maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven, want Hij heeft mij niet overgegeven in de wil mijner vijanden." Hier schijnt Paulus op te doelen: "als stervende, en ziet wij leven, als getuchtigd, en niet gedood," 2 Corinthiers 6:9. Daarom moeten wij, als wij hard gekastijd worden, niet terstond aan het leven wanhopen, want soms schijnt God de mensen weer te doen keren tot verbrijzeling, en zegt dan toch: Keert weer, leeft.
Ook dit is van toepassing op de Heere Jezus Christus, God verhoorde Hem en stelde Hem in de ruimte, bluste het vuur uit van de toorn van Zijn vijanden, dat slechts henzelf verteerde, want door de dood heeft Hij teniet gedaan degene, die het geweld des doods had, Hij heeft Hem heengeholpen door Zijn onderneming, en in zoverre heeft Hij Hem ter dood niet overgegeven, dat Hij Hem niet in het graf heeft gelaten, niet heeft toegelaten dat Hij verderving zou zien. De dood had geen heerschappij over Hem.
3. Het gebruik, dat hij van deze gunst heeft gemaakt.
A. Het heeft hem aangemoedigd om op God te vertrouwen. Uit eigen ervaring kon hij zeggen: Het is beter, verstandiger, aangenamer en veiliger, tot de Heere toevlucht te nemen, dan op de mens te vertrouwen, het is redelijker en zal beter uitkomen op de Heere te vertrouwen, dan op de mens, ja dan op prinsen te vertrouwen, vers 8-9. Hij, die zich aan Gods leiding en regering overgeeft met een volkomen vertrouwen op Gods wijsheid macht en goedheid, is zekerder van veiligheid en rust, dan wanneer alle koningen en potentaten van de aarde het op zich nemen om hem te beschermen.
B. Het stelde hem instaat om in dat vertrouwen te juichen en te triomferen.
a. Hij juicht en roemt in God en in zijn betrekking tot Hem, vers 6. "De Heere is bij mij. Hij is een rechtvaardig God, en daarom neemt Hij mijn rechtvaardige zaak aan en zal haar voorstaan." Als wij aan Gods zijde zijn, dan is Hij aan de onze, als wij voor Hem en met Hem zijn, dan is Hij voor en met ons, vers 7. "De Heere is bij mij en verdedigt mij, onder degenen die mij helpen. Hij is voor mij onder mijn helpers. Hij is alles voor hen en voor mij, en zonder Hem zou ik mijzelf niet kunnen helpen, zou geen vriend, die ik in de wereld heb, mij kunnen helpen." Aldus in vers 14. De Heere is mijn sterkte en psalm, ik maak Hem aldus, zonder Hem ben ik zwak en treurig, maar op Hem steun ik als mijn sterkte, zowel voor doen als voor lijden, en in Hem verlustig ik mij als mijn psalm, waardoor ik uiting geef aan mijn blijdschap en verlichting heb van mijn smart, en Hem aldus makende, bevind ik Hem aldus. Hij versterkt mijn hart met Zijn genade, en verblijdt mijn hart met Zijn vertroostingen." Indien God onze sterkte is, dan moet Hij onze psalm zijn, indien Hij al ons werk in ons werkt, dan moet Hij alle lof en eer van ons hebben. God is soms de sterkte van Zijn volk als Hij niet hun psalm is, zij hebben geestelijke steun als zij geen geestelijke blijdschap of verlustiging hebben, maar als Hij beide voor ons is, dan hebben wij grotelijks reden om in Hem te juichen en te triomferen, want als Hij onze sterkte en onze psalm is, dan is Hij niet alleen onze Zaligmaker, maar onze zaligheid, want onze sterkte zijnde, beschermt en bewaart Hij ons tot de zaligheid, en onze psalm zijnde, is dit een voorsmaak en onderpand van de zaligheid. b. Hij triomfeert over zijn vijanden. Nu zal zijn hoofd boven hen verhoogd worden, want
Ten eerste. Hij is er zeker van, dat zij hem niet kunnen schaden. "God is voor mij, en dus zal ik niet vrezen wat een mens mij doen kan." vers 6. Hij kan hen trotseren, en wordt door hun aanslagen tegen hem niet ontrust." Zij kunnen niets tegen mij doen, dan hetgeen God hun toelaat te doen. Zij kunnen mij niet wezenlijk schaden, want zij kunnen geen scheiding maken tussen mij en God, zij kunnen niets doen dan hetgeen God mij zal doen medewerken ten goede. De vijand is een mens, een afhankelijk schepsel, wiens macht beperkt Is en onderworpen aan een hogere macht, en daarom zal ik hem niet vrezen." Wie zijt gij dat gij vreest voor de mens, die sterven zal?" Jesaja 51:12. De apostel haalt dit aan met toepassing op alle Christenen, Hebreeën 13:6. Zij kunnen vrijmoediglijk zeggen, even vrijmoediglijk als David zelf: De Heere is mij een helper, en ik zal niet vrezen wat mij een mens doen zal, laat hem zijn ergst doen.
Ten tweede. Hij is er zeker van dat hij hun ten laatste te sterk zal wezen: "ik zal mijn lust zien aan degenen, die mij haten, vers 7, ik zal hen teleurgesteld zien in hun plannen tegen mij, ja meer: in de naam des Heeren zal ik hen verhouwen, vers 10-12. Ik vertrouw in de naam des Heeren dat ik hen zal verderven, en in Zijn naam zal ik tegen hen uitgaan, steunende op Zijn kracht, door Hem gevolmachtigd, en met het oog op Zijn heerlijkheid, niet vertrouwende op mijzelf, of mijzelf wrekende." Aldus ging hij uit tegen Goliath in de naam van de God Israëls, 1 Samuël 17:45. David zegt dit als type van Christus, die over de machten van de duisternis heeft getriomfeerd, hen heeft uitgetogen en in het openbaar tentoongesteld.
c. Hij triomfeert in de zekerheid van de voortduur van zijn welvaart, van zijn overwinning en zijns levens.
Ten eerste. Van zijn welvaart, vers 15. In de tenten van de rechtvaardigen is een stem des gejuichs en des heils, inzonderheid in de mijne, in mijn gezin. De woningen van de rechtvaardigen in deze wereld zijn slechts tenten, gering en beweeglijk, wij hebben hier geen stad, geen blijvende stad. Maar deze tenten zijn voor hen aangenamer dan de paleizen van de goddelozen het voor hen zijn, want in het huis, waar de Godsdienst heerst:
1. Is heil, veiligheid tegen kwaad, een voorsmaak van de eeuwige zaligheid, die aan dit huis geschied is, Lukas 19:9.
2. Waar heil is, daar is reden tot juichen. Heilige blijdschap wordt de vreugde des heils genoemd, want daarin is overvloedige reden tot vreugde.
3. Waar blijdschap is, daar behoort de stem des gejuichs gehoord te worden, lof en dankzegging. Laat God gediend worden met blijdschap en verheuging des harten, en laat de stem van dat gejuich dagelijks gehoord worden in ons gezin tot verheerlijking van God en tot aanmoediging van anderen.
Ten tweede. Van deze overwinning. De rechterhand des Heeren doet krachtige daden, vers 15, en is verhoogd, want (gelijk sommigen het lezen) zij heeft mij verhoogd. De rechterhand van Gods kracht is ten dienste van Zijn volk, en zij werkt krachtdadiglijk voor hen, en daarom zegevierend. Immers, welke moeilijkheid kan stand houden voor Gods kracht? Wij zijn zwak en handelen slechts kleinmoedig, lafhartig voor onszelf, maar God is machtig en doet krachtige daden voor ons, met ijver en vastberadenheid, Jesaja 63:5, 6. Er is bezieling zowel als kracht in alle Gods werkingen voor Zijn volk. En als Gods rechterhand krachtige daden doet voor ons heil, dan behoort zij verhoogd te worden in onze lof.
Ten derde. Van zijn leven, vers 17. "Ik zal niet sterven door de handen mijner vijanden, die mij naar het leven staan, maar leven en de werken des Heeren vertellen. Ik zal leven als een gedenkzuil van Gods goedertierenheid en macht, Zijn werken zullen in mij openbaar worden, en ik zal het tot mijn levenswerk maken om God te loven en groot te maken, dit beschouwende als het doel mijner bewering." Het is niet de moeite waard om voor enigerlei ander doel te leven, dan om Gods werken te vertellen, tot Zijn eer en tot aanmoediging van anderen om Hem te dienen. Zodanigen waren de triomfen van de Zone Davids in de zekerheid, die Hij had van het welslagen van Zijn onderneming, en dat het welbehagen des Heeren door Zijn hand gelukkiglijk zou voorgaan.