Psalm 116:10-19
De Septuaginta en andere overzettingen uit de oudheid maken deze verzen tot een afzonderlijke psalm, onderscheiden van de voorgaanden, en sommigen hebben hem de martelaarspsalm genoemd, vanwege vers 15, naar ik veronderstel. David doet hier belijdenis van drie dingen.
1. Zijn geloof, vers 10. Ik heb geloofd, daarom sprak ik, hetgeen aangehaald wordt door de apostel, 2 Corinthiers 4:13, met toepassing op hemzelf en zijn mededienstknechten, die hoewel zij om Christus wil leden, zich niet schaamden om Hem te belijden. David geloofde het wezen, de voorzienigheid en de belofte van God, inzonderheid de verzekering, die God hem heeft gegeven door Samuël, dat hij zijn herdersstaf zou verwisselen voor een scepter. In het geloof hieraan heeft hij veel hardheid geleden en daarom sprak hij, sprak hij tot God door het gebed, vers 4, door lofzegging, vers 12. Zij die in God geloven, zullen zich tot Hem wenden, zullen tot Hem spreken. Hij sprak tot zichzelf, omdat hij geloofde, zei hij tot zijn ziel: Keer weer tot uw rust. Hij sprak tot anderen, zei aan zijn vrienden wat zijn hoop was, en wat de grond was van zijn hoop, hoewel het Saul tegen hem verbitterde en hij er zeer door bedrukt was. Zij, die geloven met het hart, moeten belijden met de mond, tot heerlijkheid Gods, ter aanmoediging van anderen en om hun eigen oprechtheid te doen blijken, Handelingen 9:19, 20. Zij, die leven in de hoop op het koninkrijk der heerlijkheid, moeten noch vrezen noch zich schamen om Hem te belijden, die het voor hen verkregen heeft, Mattheus 10-32.
II. Zijn vrees. Ik ben zeer bedrukt geweest en toen zei ik in mijn haasten, ( ietwat roekeloos en onbedachtzaam, in mijn verbazing, aldus sommigen, toen ik in ontsteltenis was, in mijn vlucht, aldus anderen, toen Saul mij najoeg), alle mensen zijn leugenaars, allen, met wie hij te doen had, Saul en al zijn hovelingen, zijn vrienden, die naar hij dacht, hem bijgestaan zouden hebben, hadden hem verlaten en verstoten toen hij in ongenade was gevallen aan het hof. En sommigen denken dat hij het inzonderheid bedoelde van Samuël, die hem het koninkrijk had beloofd, maar hem had bedrogen, want, zegt hij, "een van deze dagen zal ik door de hand van Saul omkomen," 1 Samuël 27:1.
Merk op:
1. Het geloof zelfs van de beste heiligen is niet volmaakt, noch ook altijd even sterk en werkzaam. David geloofde, en sprak wel, vers 10, maar nu heeft hij door ongeloof verkeerd gesproken.
2. Als wij ons onder zware beproeving en groot leed bevinden, dan zijn wij er licht aan onderhevig, inzonderheid als de beproeving en het leed lang aanhouden, om moede te worden, moedeloos te worden en schier te wanhopen aan uitkomst. Laat ons dan niet hard zijn in onze afkeuring van anderen, maar zorgvuldig over onszelf waken, als wij in moeite of benauwdheid zijn, Psalm 39:2, 4.
3. Als Godvruchtige mensen iets zeggen, dat verkeerd is, dan is het in hun haasten, overvallen zijnde door een verzoeking, niet in voorbedachten rade, zoals de goddeloze, die "wandelt in de raad van de goddelozen," Psalm 1:1, "en tegen zijn broeders spreekt," Psalm 50, 19, 20.
4. Wat wij in ons haasten zeggen, dat verkeerd is, moeten wij door berouw herroepen zoals David, Psalm 31:23 en dan zal het niet als beschuldiging tegen ons worden ingebracht. Sommigen houden het er voor dat dit geen roekeloos, haastig gezegde van David was. Hij was zeer bedrukt, grotelijks beproefd en genoodzaakt te vluchten, maar hij vertrouwde niet op de mens, stelde geen vlees tot zijn arm. "Neen", zei hij, "alle mensen zijn leugenaars, gelijk de gemene lieden ijdelheid zijn, zo zijn de grote lieden leugen, en daarom was mijn vertrouwen alleen in God, en in Hem kan ik niet worden teleurgesteld." In deze zin schijnt de apostel het op te vatten, Romeinen 3:4. "God zij waarachtig, maar alle mensen leugenachtig" in vergelijking met God. Alle mensen zijn wispelturig en onstandvastig, onderhevig aan verandering, zo laat ons dan aflaten van de mens en God aankleven.
III. Zijn dankbaarheid, vers 12 en verv. God is beter voor hem geweest dan zijn vrees en had hem genadiglijk verlost uit zijn benauwdheid, en, uit aanmerking hiervan:
1. Vraagt hij welke vergelding hij hiervoor doen kan, vers 12. Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen? Hier spreekt hij:
a. Als iemand, die zich bewust is vele zegeningen van God te hebben ontvangen, al Zijn weldaden. Deze psalm schijnt geschreven te zijn bij gelegenheid van een zeer bijzondere weldaad, vers 6, 7, maar in die ene zag hij vele, en die ene bracht hem vele in de herinnering, en daarom denkt hij nu aan al de weldaden, die God hem had bewezen. Als wij van Gods weldaden spreken dan behoren wij ze te verheerlijken, er met hoge lof van te spreken.
b. Als iemand, die zeer begerig is om er zijn dankbaarheid voor te kunnen uitdrukken. Wat zal ik de Heere vergelden? Niet alsof hij dacht dat hij iets zou kunnen doen in evenredigheid met hetgeen hij had ontvangen. Wij kunnen niet meer wanen Gode een beloning te kunnen geven, dan wanen enigerlei gunst van Hem te kunnen verdienen, maar hij wenste iets te doen, dat Gode welbehaaglijk was als de uitdrukking van een dankbaar gemoed. Hij vraagt God: Wat zal ik vergelden vraagt de priester, vraagt zijn vrienden, of liever, vraagt zichzelf, en spreekt in zijn eigen hart er over. Vele weldaden van God ontvangen hebbende, behoren wij te vragen: Wat zullen wij vergelden?
2. Hij besluit wat hij zal vergelden.
A. Hij zal op Godvruchtige en plechtige wijze zijn lofzeggingen en gebeden tot God opzenden, vers 13, 17. "Ik zal de beker van de verlossingen opnemen, ik zal de drankoffers offeren, voorgeschreven door de wet ten teken van mijn dankbaarheid aan God, en mij met mijn vrienden verheugen in Gods goedheid jegens mij." Dit wordt genoemd de beker van de verlossingen, omdat hij gedronken werd ter gedachtenis aan de verlossing. De vrome Joden hadden soms een beker van de dankzegging bij hun maaltijden, waarvan de heer des huizes, het hoofd van het gezin, het eerst dronk met dankzegging aan God, en allen, die met hem aan tafel waren, na hem dronken. Maar sommigen verstaan het niet van de beker, die hij aan God wilde offeren, maar van de beker die God in zijn hand zou geven. Ik zal aannemen:
Ten eerste. De beker van de beproeving. Vele goede Schriftverklaarders verstaan het van die beker, die bittere beker, die toch geheiligd is aan de vromen, zodat hij voor hen "een beker van de verlossing is," Filipp. 1:19. Dit zal mij ter zaligheid redden, het is een middel voor geestelijke gezondheid. Davids lijden was een type van Christus' lijden, en wij hebben in het onze gemeenschap met het zijne, en zijn beker was in waarheid een beker van de verlossing. "Daar God mij zo vele weldaden heeft bewezen, zal ik elke beker, die Hij in mijn hand geeft, geredelijk aannemen en er niet over twisten, Zijn heilige wil is mij welkom." Hierin sprak David de taal van de Zone Davids, Johannes 18:11. "De drinkbeker, die mij de Vadergegeven heeft, zal Ik die niet drinken?"
Ten tweede. De beker van de vertroosting, "ik zal de weldaden, die God mij bewijst, ontvangen als uit Zijn hand en er Zijn liefde in proeven, als hetgeen het deel is niet alleen van mijne erve in de andere wereld, maar van mijn beker in deze."
b. Ik zal U offeren een offerande van dankzegging, de dankoffers, die God eiste, Leviticus 7:11, 12 en verv. Zij, wier hert waarlijk dankbaar is, zullen dit tonen in dankoffers. Wij moeten eerst onszelf aan God geven, als levende offeranden, Romeinen 12:1, 2 Corinthiers 8:5 en dan wat wij hebben te koste leggen aan Zijn eer in werken van Godsvrucht en barmhartigheid. Weldadigheid en mededeelzaamheid, dat zijn offeranden, die de Heere welbehaaglijk zijn, Hebreeën 13:15, 16, en die moeten samengaan met de dankzegging en de aanroeping Zijns naams. Indien God milddadig is geweest jegens ons, dan is het wel het minste dat wij in vergelding daarvoor kunnen doen, milddadig te zijn voor de armen, Psalm 16:2,3. Waarom zouden wij Gode offeren wat ons niets kost?
c. Ik zal de naam des Heeren aanroepen. Dit had hij beloofd, vers 2, en hier herhaalt hij het, vers 13, en wederom, vers 17. Als wij vriendelijkheid hebben ontvangen van een mens gelijk wij zelf zijn, dan zeggen wij hem dat wij hopen hem nooit meer lastig te zullen vallen, maar het behaagt God om de gebeden Zijns volks te beschouwen als een eer Hem aangedaan, als een genot, niet als een last, en daarom moeten wij uit dankbaarheid voor vroegere weldaden Hem zoeken voor nog verdere zegeningen en voortgang met Hem aan te roepen.
B. Hij zal altijd goede gedachten van God blijven koesteren, als teder zorgdragende voor het leven en het welzijn van Zijn volk, vers 15. Kostelijk is in de ogen des Heeren de dood van Zijn gunstgenoten, zo kostelijk, dat Hij noch Saul, noch aan Absalom, noch aan een ander van Davids vijanden de voldoening van zijn dood zal geven, hoe vurig zij die ook wensen. In de diepte van zijn ellende en in zijn groot gevaar had David zich met deze waarheid vertroost, daar zij in de uitkomst voor hem gebleken is en bevestigd werd, en nu vertroost hij er anderen mede, die zich in dezelfde toestand van beproeving en gevaar bevinden. God heeft zelfs in deze wereld een volk, die Zijn heiligen, Zijn gunstgenoten zijn, Zijn barmhartigen, die barmhartigheid van Hem hebben ontvangen, en om Zijnentwil barmhartigheid betonen. De gunstgenoten Gods zijn sterflijk en stervende, ja er zijn zodanigen die hun dood begeren en alles doen wat zij kunnen om hem te verhaasten, en soms ook werkelijk hun dood veroorzaken, maar hij is kostelijk in de ogen des Heeren, hun leven is dit, 2 Koningen 1:13, hun bloed is dit, Psalm 72:14. Soms voorkomt God op wonderdadige wijze de dood van Zijn heiligen als er tussen hen en de dood slechts een schrede is, Hij draagt bijzondere zorg voor hun dood, om er al de omstandigheden van tot hun beste te regelen, en wie hen doodt, zullen, hoe licht zij er over denken, er duur voor moeten betalen, als er onderzoek zal worden gedaan naar het bloed van de heiligen, Mattheus 23:35. Hoewel niemand het ter harte neemt als de rechtvaardigen omkomen, zal God doen blijken dat Hij het ter harte neemt. Dit behoort ons gewillig te maken om te sterven, voor Christus te sterven, als wij er toe geroepen worden, dat onze dood geregistreerd zal worden in de hemel, en laat dan voor ons kostelijk zijn hetgeen kostelijk is voor God. C. Hij zal zich verplichten om gedurende al zijn dagen Gods dienstknecht te zijn. Gevraagd hebbende: Wat zal ik vergelden? geeft hij hier zichzelf over aan God, dat meer is dan alle brandoffers en slachtoffers, vers 16. Och Heere zeker ik ben Uw knecht. Hier is:
a. De betrekking, waarin David belijdt tot God te staan, "ik ben Uw knecht, ik verkies dit te zijn, ik besluit dit te zijn, ik wil leven en sterven in Uw dienst." Hij had Gods volk, dat Hem dierbaar is, Zijn gunstgenoten genoemd, maar als hij er toe komt om dit op zichzelf toe te passen, dan zegt hij niet: Zeker, ik ben Uw gunstgenoot (dat scheen te hoog een titel voor hemzelf) maar, ik ben Uw knecht. David was een koning, en toch roemt hij erin, dat hij Gods knecht is. Het is voor de grootste koningen op aarde geen verkleining maar een eer om dienstknechten te zijn van de God des hemels. David gebruikt hier geen plichtpleging bij God, zoals het gebruikelijk is onder de mensen om te zeggen: ik ben uw dienaar, mijnheer. Neen, Heere, waarlijk, ik ben Uw knecht, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik dit ben. En hij herhaalt het, als iets waaraan hij gaarne dacht, en waarbij hij besloten had te blijven: Ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht. Laat anderen de meester dienen, die zij willen, waarlijk ik ben Uw knecht.
b. De grond van die betrekking. Op tweeërlei wijze kwamen de mensen er toe dienstknechten te zijn.
Ten eerste. Door geboorte. "Heere, ik was geboren in Uw huis, ik ben de zoon Uwer dienstmaagd, en daarom Uw dienstknecht." Het is een grote zegen om kinderen te zijn van Godvruchtige ouders, daar dit ons tot onze plicht noodzaakt, en er kan bij God op gepleit worden om genade.
Ten tweede. Door verlossing. Hij, die de loslating bewerkt heeft van een gevangene nam hem tot zijn dienstknecht. "Heere, Gij hebt mijn banden losgemaakt, die smarten of banden des doods, die mij hadden omvangen Gij hebt er mij van ontslagen, en daarom ben ik Uw knecht, heb ik aanspraak op Uwe bescherming, evenzeer als ik verplicht ben tot Uw werk." De eigen banden, die Gij hebt losgemaakt, zullen mij te vaster aan U verbinden. Bisschop Patrick.
D. Hij zal er een gewetenszaak van maken om zijn geloften te betalen, en te volbrengen wat hij had beloofd, hij zal niet alleen de lofofferen offeren, die hij had beloofd, maar al de andere verplichtingen nakomen, die hij ten dage van zijn benauwdheid tegenover God op zich had genomen, vers 14. Mijne geloften zal ik de Heere betalen, en wederom, vers 18, Ik zal mijne geloften de Heere betalen, nu in de tegenwoordigheid van al Zijn volk. Geloften zijn schulden, die betaald moeten worden, want het is beter geen geloften te doen, dan geloften te doen en ze niet te betalen.
a. Nu, terstond. Hij wil niet, zoals slechte schuldenaars, er de betaling van uitstellen, om nog een dag uitstel verzoeken, maar ik zal het nu doen.
b. In het openbaar. Hij zal zijn lofzeggingen niet haastig en in een hoek doen, maar de dienst, die hij voor God heeft te verrichten, zal hij in de tegenwoordigheid van al het volk verrichten, niet om er mee te pralen, maar om te tonen dat hij zich de dienst van God niet schaamt, en opdat anderen uitgelokt zouden worden om er zich met hem in te verenigen. Hij zal zijn geloften betalen in de voorhoven van de tabernakel, waar een wolk van Israëlieten de dienst bij woonde, in het midden van Jeruzalem, ten einde de Godsvrucht nog meer in eer te brengen.