Lukas 6:27-36
Deze verzen komen overeen met Mattheus 5:38 tot aan het einde van dat hoofdstuk: Ik zeg ulieden, die dit hoort, vers 27, u allen, die hoort, en niet slechts de discipelen, want dit zijn leringen van algemeen belang. Die oren heeft om te horen, die hore. Zij, die naarstiglijk horen naar Christus, zullen bevinden dat Hij hun iets te zeggen heeft, dat wèl waard is, dat zij het horen. Dit nu zijn de lessen, die Christus ons hier leert:
I. Dat wij aan ieder moeten geven wat hem toekomt, eerlijk en rechtvaardig moeten zijn in al onze handelingen, vers 31 : Gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks, want dat is uwen naaste lief te hebben als uzelven. Wat wij redelijkerwijs verwachten, dat ons gedaan zal worden, hetzij in rechtvaardigheid of in barmhartigheid en liefde, door anderen, indien zij in onzen toestand waren en wij in den hunnen, dat moeten wij hun doen. Wij moeten onze ziel stellen in de plaats van hun ziel en dan medelijden met hen hebben en hen helpen, zoals wij wensen en met recht verwachten, dat ons medelijden en hulp bewezen zal worden.
II. Dat wij gewillig moeten zijn om te geven aan hen, die in nood zijn, vers 30. Geeft een iegelijk, die van u begeert, een iegelijk, die een geschikt voorwerp is van barmhartigheid, die gebrek heeft aan het nodige, waarin gij kunt voorzien uit uwen overvloed. Geeft aan hen, die niet instaat zijn zich zelven te helpen, aan hen, die geen vrienden of bloedverwanten hebben, instaat om hun te hulp te komen " Christus wil dat Zijne discipelen bereid zijn om uit te delen, en gewillig om mede te delen naar hun vermogen in gewone gevallen, en boven hun vermogen in buitengewone gevallen.
III. Dat wij edelmoedig moeten zijn om vergiffenis te schenken aan hen, die ons benadeeld hebben.
1. Wij moeten niet op het uiterste punt van ons recht staan: degenen, die u den mantel neemt, hetzij door bedrog of geweld, verhinder hem door geen middelen van geweld, ook den rok te nemen, vers 29. Laat hem dien ook hebben, veeleer dan er om te vechten. En "van hem, die uw goed neemt", (zoals, volgens Dr. Hammond, hier gelezen moet worden) "het van u leent, moet gij het niet terugeisen, indien zij door de beschikkingen van Gods voorzienigheid onmachtig zijn om te betalen, stelt de wet niet tegen hen te werk, maar lijd liever verliezen dan hen "bij de keel te grijpen", Mattheus 18:28. Als iemand, die u geld schuldig is, wegloopt en uw goed medeneemt, kwel u niet, en ontsteek u niet in toorn tegen hem.
2. Wij moeten niet streng zijn om een onrecht, dat ons is aangedaan, te wreken: Degenen, die u aan de wang slaat, moet gij niet voor het gerecht gaan vervolgen, maar bied hem ook de andere, dat is: zie het voorbij, al loopt gij hierdoor ook gevaar van opnieuw door hem aangevallen of beledigd te worden, hetgeen gewoonlijk als verontschuldiging wordt aangevoerd voor het verklagen van den belediger of aanrander bij het gerecht. Als iemand u aan de wang slaat, moet gij, veeleer dan den slag terug te geven, bereid zijn er nog een te ontvangen. Dat is: laat het aan God over om uwe zaak te bepleiten, maar zit gij stil neer onder de belediging. Indien wij aldus handelen, zal God onze vijanden-in zover zij ook Zijne vijanden zijn-op het kinnebakken slaan, zodat de tanden der goddelozen worden verbroken, Psalm 3:8, want Hij heeft gezegd: Mijne is de wraak, en dat zal Hij tonen, als wij de w raak aan Hem overlaten. 3. Ja meer: wij moeten goed doen aan hen, die ons kwaad doen. Dat is het, wat onze Heiland ons voornamelijk in deze verzen wil leren, als een wet, die bijzonder aan Zijn Godsdienst eigen is, een deel uitmaakt van de volmaaktheid er van.
a. Wij moeten welwillend wezen voor hen, die ons beledigd hebben, of ons schade hebben berokkend. Wij moeten niet slechts onze vijanden liefhebben en hun een goed hart toedragen, maar hun ook goed doen, even bereid zijn om hun, als om aan ieder ander, een goeden dienst te bewijzen, indien zij het nodig hebben, en wij er toe instaat zijn. Wij moeten er ons op toeleggen om, als de gelegenheid er zich toe aanbiedt, door daden te tonen dat er geen wrok in ons hart is tegen hen, en dat wij niet op wraak zinnen. Vervloeken zij ons, spreken zij kwaad van ons, wensen zij ons kwaad? Doen zij ons geweld in woord of daad? Pogen zij ons verachtelijk of gehaat te maken? Laat ons hen zegenen en voor hen bidden, laat ons wèl van hen spreken, het goede voor hen wensen, inzonderheid voor hun ziel, en voorbede voor hen doen bij God. Dit wordt herhaald in vers 35. Hebt uwe vijanden lief en doet hun goed. Om ons dezen moeilijken plicht aan te bevelen, wordt hij voorgesteld als een daad van edelmoedigheid, waartoe slechts weinigen instaat zijn. Lief te hebben die ons liefhebben, daar is niets bijzonders in, niets dat bijzonder aan Christus' discipelen eigen is, want ook zondaren hebben lief degenen, die hen liefhebben. Daarin is gene zelfverloochening gelegen, het is slechts het volgen der natuur, zelfs in haar verdorven toestand, vers 32. Er is ons geen dank verschuldigd als wij hen liefhebben, die zeggen en doen wat wij gaarne hebben, dat zij zullen zeggen en doen. "En -vers 33- indien gij goed doet degenen, die u goed doen en hun vriendelijkheid met vriendelijkheid vergeldt, dan geschiedt dit uit het beginsel van gewoonte, eer en dankbaarheid, en daarom: wat dank hebt gij? Welk een eer zijt gij hiermede voor den naam van Christus, welk een vermaardheid, of goed gerucht, doet gij er van uitgaan? want ook de zondaars, die niets van Christus of van Zijne leer weten, doen hetzelfde. U betaamt het echter iets te doen, dat voortreffelijker en uitnemender is, hierin moet gij uwe naasten overtreffen, gij moet doen wat zondaars niet zullen doen, en waartoe hun beginsel ook niet kan reiken, gij moet kwaad met goed vergelden, niet omdat wij dan daarvoor dank zullen oogsten, maar omdat wij dan onzen God zijn tot een naam en tot lof, en Hij den dank zal ontvangen.
b. Wij moeten goed en vriendelijk zijn voor hen, van wie wij generlei nut of voordeel voor ons zelven kunnen verwachten, vers 35. Leent zonder iets weer te hopen. Hiermede wordt bedoeld het lenen der rijken van een weinig geld aan de armen voor hun nooddruft, om zich het dagelijks brood te kopen voor hen en hun gezin, of om hen uit de gevangenis te houden. In zulk een geval moeten wij lenen met het voornemen geen interest te eisen voor wat wij lenen, hetgeen wij wèl, en met volle recht, kunnen eisen van hen, die geld lenen om er handel mede te drijven. Maar dat is nog niet alles: wij moeten lenen, ofschoon wij reden hebben te vermoeden, dat wij het geleende zullen verliezen, lenen aan hen, die zo arm zijn, dat het niet waarschijnlijk is, dat zij het terug kunnen betalen. Dit gebod kan het best opgehelderd worden door de wet van Mozes, Deuteronomium 15:7-10, die hen verplichtte aan een armen broeder te lenen zoveel als hij nodig had, al was ook het jubeljaar nabij. Hier zijn twee beweegredenen voor deze edelmoedige liefdadigheid. Het zal ons tot nut en voordeel strekken, want ons loon zal groot zijn, vers 35. Wat op aarde uit een waar beginsel van liefdadigheid gegeven of geleend wordt, zal ons in de andere wereld heerlijk en ruim vergoed worden. Gij zult niet slechts betaald, maar beloond worden, grotelijks beloond, er zal tot u worden gezegd: Komt, gij gezegenden, beërft het koninkrijk. Het zal ons tot eer strekken, want hierin zullen wij Gode gelijkvormig zijn in Zijne goedheid, die de grootste heerlijkheid is: Gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn, zult door Hem als Zijne kinderen worden erkend, daar gij Hem gelijkt. Het is de heerlijkheid Gods, dat Hij goedertieren is over de ondankbaren en bozen, de gaven der gemene voorzienigheid schenkt ook aan de slechtsten der mensen, die Hem elke dag tergen en tegen Hem rebelleren, en deze gaven zelfs tot Zijne oneer misbruiken. Hieruit leidt Hij de gevolgtrekking af, vers 36, Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is. Dit verklaart Mattheus 5:48, Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is. Volgt uwen Vader na in die dingen, die Zijn heerlijkste volmaaktheden zijn. Zij, die barmhartig zijn, gelijk God barmhartig is, zelfs over de ondankbaren en bozen, zijn volmaakt, zoals God volmaakt is, aldus behaagt het Hem het te beschouwen en aan te nemen, hoewel wij er zo oneindig in tekortkomen. De liefde, of de liefdadigheid, wordt de band der volmaaktheid genoemd, Colossenzen 3:14. Het behoort ons sterk aan te sporen om barmhartig te zijn over onze broederen, zelfs over dezulken. die ons schade hebben toegebracht of ons beledigd hebben, niet slechts omdat God dit is over anderen, maar omdat Hij het is over ons, hoewel wij boos en ondankbaar geweest zijn en het nog zijn, het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn.