Psalm 112:1-5
De psalmist begint met ons op te roepen om God te loven, maar onmiddellijk begeeft hij er zich toe om het volk van God te loven, want welke eer of heerlijkheid ook erkend wordt in hen te zijn, zij komt van God en moet tot Hem wederkeren gelijk Hij hun lof is, zo zijn zij de Zijne. Wij hebben reden om de Heere te loven dat er een volk in de wereld is, dat Hem vreest en dient, en dat dit volk gelukkig is, en beide zijn geheel en uitsluitend aan de genade Gods te danken. Nu hebben wij hier:
1. Een beschrijving van hen, die gelukzalig genoemd worden en aan wie deze beloften gegeven zijn.
A. Zij hebben goede beginselen en een Godvruchtige gezindheid. Diegenen hebben de voorrechten van Gods onderdanen, niet die roepen: Heere, Heere, maar die in waarheid Zijn regering welgezind zijn.
a. Het zijn de zodanigen, die ontzag hebben voor God, steeds eerbied hebben voor Zijn majesteit, achting koesteren voor Zijn wil. De gelukzalige man is hij, die de Heere vreest, vers 1.
b. Het zijn dezulken, die een welgevallen hebben aan hun plicht. Hij, die de Heere vreest als een vader met de gezindheid van een kind, niet van een slaaf, heeft grote lust in Zijn geboden, heeft er een welbehagen in evenals in de billijkheid en goedheid ervan, zij zijn geschreven in zijn hart, het is zijn keus om er aan onderworpen te zijn, en hij noemt ze een zacht, aangenaam juk, het is zijn verlustiging om Gods geboden te onderzoeken, er door lezen, horen en nadenken, omgang mee te hebben, Psalm 1:2. Hij verlustigt zich niet alleen in Gods beloften, maar in Zijn geboden, en acht zich gelukkig onder Gods regering, zowel als in Zijn gunst. Het is hem een genot om in de weg van zijn plicht te worden gevonden, en hij is in zijn element als hij in de dienst van God is. Hierin verlustigt hij zich meer dan in de bezigheden en genietingen van deze wereld. En wat hij doet in de Godsdienst, doet hij uit beginsel omdat hij lieflijkheid ziet in de Godsdienst, en er ook voordeel in vindt.
B. Zij zijn eerlijk en oprecht in hun betuigingen en bedoelingen. Zij worden de oprechten genoemd, vers 2, 4, die werkelijk zo goed zijn als zij schijnen te wezen, en getrouw handelen met God en de mensen. Er is geen ware Godsdienst zonder oprechtheid, dat is Evangelievolmaaktheid.
C. Zij zijn beide rechtvaardig en vriendelijk in hun handelingen, hij is genadig en barmhartig, vers 4, durft niemand onrecht doen maar doet aan een ieder al het goed, dat hij kan, en dat wel uit een beginsel van medelijden en vriendelijkheid. In de vorige psalm is van God gezegd: Hij is genadig en barmhartig, en hier wordt het gezegd van de Godvruchtige, want hierin moeten wij navolgers Gods zijn als geliefde kinderen, barmhartig zijn, gelijk Hij barmhartig is. Hij is barmhartig, en toch recht vaardig, hij is op eerlijke wijze gekomen aan hetgeen, waar hij goed mee doet, de Heere haat de roof in het brandoffer, en dat doet ook hij. Er wordt een voorbeeld gegeven van zijn weldadigheid, vers 5. Hij ontfermt zich en leent uit. Soms is er evenveel barmhartigheid in uitlenen als in geven, daar het de ontlener aanspoort beide tot naarstigheid en tot eerlijkheid. Hij ontfermt zich en leent, Psalm 37:26. Hij doet het uit een recht beginsel, niet zoals de woekeraar leent tot zijn eigen voordeel, ook niet bloot uit edelmoedigheid, maar uit zuivere barmhartigheid.
Hij doet het op de rechte wijze, niet morrend, maar vriendelijk, met een blijmoedig gelaat. 2. De zaligheid, welke hier verzekerd wordt aan hen, die aan deze karakterbeschrijving beantwoorden. Zaligheid, alle zaligheid, voor de man, die de Heere vreest. Wat de mensen ook van hen mogen zeggen of denken, God zegt, dat zij zalig zijn, en Zijn zeggen, dat zij dit zijn, maakt dat zij het zijn.
A. De nakomelingen van een Godvruchtige zal het er om zijn Godsvrucht te beter om gaan, vers 2. Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde. Misschien zal hij zelf niet zo heel groot zijn in de wereld, er niet zo'n aanzien in hebben als zijn zaad na hem, om zijnentwil. De Godsdienst heeft menige familie tot aanzien gebracht, haar niet misschien tot hoge bevordering doen komen, maar haar wel en solide gevestigd. Als de Godvruchtigen zelf zalig zijn in de hemel, genieten hun nakomelingen misschien eer en aanzien op de aarde, en zullen zelf erkennen dat het is krachtens een zegen, die van hen is nedergedaald. Het geslacht van de oprechten zal gezegend worden, als zij in hun voetstappen treden, zij zullen te meer gezegend zijn om hun betrekking tot hen: "beminden om der vaderen wil," Romeinen 11:28, want aldus luidt het verbond: "Ik zal u tot een God zijn en uw zaad na u," 17:7, en terwijl "het zaad van de boosdoeners in eeuwigheid niet genoemd zal worden," Jesaja 14:20. Laat de kinderen van Godvruchtige ouders dit voorrecht hogelijk waarderen, en zich wachten van iets te doen om de zegen te verbeuren, die voor het geslacht van de oprechten is weggelegd.
B. Zij zullen voorspoedig zijn in de wereld, inzonderheid zal hun ziel wel varen, vers 3..
a. Zij zullen gezegend wezen met uitwendige voorspoed in zoverre het goed voor hen is. Have en rijkdom zullen in het huis des oprechten wezen, niet tot in zijn hart, want hij behoort niet tot hen, in wie de liefde tot het geld heerst, misschien ook niet zozeer in zijn hand, (want hij begint pas de bezitting te vermeerderen) maar in zijn huis, zijn gezin zal rijk worden als hij is heengegaan. Maar
b. Wat nog veel beter is: zij zullen gezegend worden met geestelijke zegeningen, die de ware rijkdom zijn. Zijn rijkdom zal in zijn huis wezen, want dat moet hij aan anderen laten, maar van zijn gerechtigheid zal hij zelf de vertroosting smaken zij bestaat in eeuwigheid. Genade is beter dan goud, want ze is duurzamer. Hij zal have en rijkdom hebben, en toch bij zijn Godsdienst inlijven, en in zijn staat van voorspoed zal hij nog vasthouden aan zijn oprechtheid terwijl velen, die haar vasthielden in de storm, haar afwerpen in de zonneschijn. Wereldlijke voorspoed is dan een zegen, wanneer de mensen er niet door verkoelen in hun Godsvrucht, maar er in blijven volharden, en als deze blijvend is in de familie en samengaat met de have en de rijkdom, als de erfgenamen van des vaders bezittingen ook zijn deugden erven, dan is dat in waarheid een gelukkige familie. Hoe dit nu zij, de gerechtigheid van de Godvruchtige bestaat in eeuwigheid in de onverwelkelijke kroon van de gerechtigheid.
C. Zij zullen in hun beproeving vertroosting hebben vers 4. De oprechten gaat het licht op in de duisternis. Hierin ligt opgesloten dat Godvruchtigen beproevingen kunnen hebben, de belofte stelt hen hiervan niet vrij, in de gewone rampen van het menselijk leven zullen zij delen, maar "wanneer zij in duisternis zijn gezeten, zal hun de Heere een licht zijn," Micha 7:8. Zij zullen ondersteund en vertroost worden onder hun ellende, hun geest zal helder zijn als hun uitwendige toestand bewolkt is, "Sat lucis intus: Er is licht genoeg van binnen." Omringd door de Egyptische duisternis hadden de Israëlieten licht in hun woningen. Zij zullen ter bestemder tijd, misschien wel als zij het het minst verwachten, verlost worden uit hun ellende, als de nacht het donkerst is, breekt de dag aan, ja ten tijde des avonds, als de nacht verwacht werd, zal het licht wezen. D. Zij zullen wijsheid hebben voor het bestuur van al hun zaken, vers 5. Hij, die goed doet met zijn bezittingen, zal ze door de voorzienigheid Gods vermeerderen, niet door een wonder, maar door zijn eigen beleid, hij beschikt zijn zaken met recht, en "zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem," Jesaja 28:26. Het behoort tot het karakter van een Godvruchtige, dat hij zijn verstand gebruikt in het bestuur van zijn zaken, in het verkrijgen en behouden, opdat hij wat hebbe om te geven. Het kan verstaan worden van de zaken van zijn liefdadigheid, hij ontfermt zich en leent uit maar hij doet het met wijsheid, opdat zijn liefdadigheid niet misplaatst zij, niet verkeerd worde aangewend, hij geeft aan de rechte personen wat recht en geschikt is om hun te geven, en op de rechte tijd en in de rechte evenredigheid. En het maakt een deel uit van de belofte aan hem, die aldus zijn zaken beschikt met recht, dat God hem meer zal geven. Zij, die het meest hun wijsheid gebruiken, zien het meest hoe nodig zij hun is, en vragen haar van God, die beloofd heeft haar mildelijk te geven, Jakobus 1:5. Hij zal zijn woorden besturen met oordeel, zo is het in het oorspronkelijke, en er is niets, waarvoor wij meer wijsheid van node hebben, dan in het regeren van de tong, zalig hij, aan wie God deze wijsheid geeft.