Deuteronomium 31:9-13
De wet is door Mozes gegeven, aldus lezen wij in Johannes 1:17. Hem was niet alleen toevertrouwd om haar aan dat geslacht over te leveren, maar ook aan de navolgende geslachten, en hier blijkt het dat hij getrouw was aan zijn opdracht.
I. Mozes schreef deze wet, vers 9. De geleerde bisschop Patrick verstaat dit van al de vijf boeken van Mozes, welke dikwijls de Wet worden genoemd, hoewel hij veronderstelt dat Mozes het grootste gedeelte van de Pentateuch reeds tevoren geschreven had, heeft hij hem toch niet voor dit tijdstip voleindigd, nu heeft hij de laatste hand gelegd aan dit gewijde geschrift. Velen denken dat de wet hier (inzonderheid wijl zij deze wet genoemd wordt, dit grote Kort Begrip van de wet) verstaan moet worden van het boek van Deuteronomium, al die redevoeringen voor het volk, die dit gehele boek innemen, heeft hij, door Goddelijke ingeving bezield zijnde, geschreven als het woord van God. Hij schreef deze wet:
1. Opdat zij, die haar gehoord hadden, haar nog dikwijls zullen zien en in hun geheugen terugroepen.
2. Opdat zij zoveel veiliger aan de nakomelingschap zou worden overgeleverd. De kerk heeft overvloedig nut en voordeel ontvangen van de geschriften, zowel als van de prediking van de Goddelijke dingen, het geloof is niet alleen uit het gehoor, maar ook uit lezen. Dezelfde zorg, die genomen was voor de wet, is, Gode zij dank, ook genomen voor het Evangelie, spoedig nadat het was gepredikt, werd het geschreven, opdat het hen zou bereiken, op dewelken de einden van de eeuwen zullen gekomen zijn.
II. Haar geschreven hebbende, gaf hij haar over in de hoede en zorg van de priesters en de oudsten. Hij gaf een authentiek exemplaar aan de priesters, om bij de ark gelegd te worden, vers 26, om daar te berusten als een standaard, waaraan alle andere afschriften getoetst moesten worden. En er wordt verondersteld. dat hij een ander exemplaar heeft gegeven aan de oudsten van iedere stam, om door allen van die stam, die er neiging toe hadden, afgeschreven te worden. Sommigen merken op dat aan de oudsten, zowel als aan de priesters de wet toevertrouwd was, om te kennen te geven, dat de magistraten door hun macht zowel als de bedienaren van de Godsdienst door hun leer, de Godsdienst moeten handhaven, en zorgdragen dat de wet niet overtreden wordt of verloren zal gaan.
III. Hij bepaalde dat de wet in het openbaar gelezen zal worden in een algemene vergadering van geheel Israël, ieder zevende jaar. Zeer waarschijnlijk hebben de vrome Joden de wet dagelijks gelezen in hun gezin, en van oude tijden wordt Mozes op elken sabbat in de synagogen gelezen, Handelingen 15:21. Maar opdat de wet te meer geëerd en groot gemaakt zou worden, moest zij eens in de zeven jaren in een algemene vergadering gelezen worden. Hoewel wij het Woord voor onszelf in onze huizen lezen, moeten wij het niet onnodig achten om het ook in het openbaar te horen lezen.
Nu geeft hij hier een aanwijzing, wanneer deze plechtige lezing van de wet moet plaatshebben, zij moet geschieden:
a. In het jaar van de vrijlating. In dat jaar rustte het land zodat zij goed de tijd hadden om deze dienst bij te wonen. Dienstknechten, die dan ontslagen werden, en arme schuldenaars, aan wie dan hun schulden werden kwijtgescholden, moesten weten dat van hen, die het nut en voordeel genieten van de wet, met recht verwacht werd, dat zij er nu ook gehoorzaamheid aan zullen bewijzen, en dat zij zich dus moesten overgeven om Gods dienstknechten te zijn, omdat Hij hun banden heeft losgemaakt. Het jaar van de vrijlating was een type van de Evangeliegenade, dat daarom het welaangename jaar des Heeren wordt genoemd, want de vergeving van onze schulden en onze verlossing door Christus verplichten en dringen ons Zijn geboden te houden, Lukas 1:74, 75.
b. Op het loofhuttenfeest in dat jaar. Op dat feest werd inzonderheid van hen geëist, om vrolijk te zijn voor het aangezicht Gods, Leviticus 23:40. Daarom moesten zij dan de wet lezen, beide om hun vrolijkheid voegzaam te doen zijn en haar binnen de perken te houden, en om hun vrolijkheid te heiligen, opdat zij Gods wet tot het onderwerp zullen maken van hun vreugde en haar met genoegen zullen lezen, en niet als een verdrietige taak.
2. Voor wie zij gelezen moest worden, voor geheel Israël, vers 11, mannen, vrouwen, enkinderen, en de vreemdelingen, vers 12. De vrouwen en kinderen waren niet verplicht om naar de andere feesten op te gaan, maar alleen naar dit waarin de wet werd gelezen. Het is de wil van God, dat alle mensen zich bekend zullen maken met Zijn woord. Het is een regel voor allen, en daarom moet het voor allen gelezen worden. Er wordt verondersteld dat, daar geheel Israël bij geen mogelijkheid op een plaats bijeen kon komen, of dat de stem van een man hen allen bereiken kon, zovelen als de voorhoven van het huis des Heeren konden bevatten daar bijeen kwamen, en de overigen terzelfder tijd in hun synagogen. De Joodse wetgeleerden zeggen dat de hoorders verplicht waren hun hart te bereiden en te horen met vreze en eerbied en met blijdschap en beven, zoals ten dage toen de wet gegeven werd op de berg Sinai, en hoewel zij grote en wijze mannen waren, die de gehele wet zeer wel kenden, waren zij toch verplicht om met grote aandacht te luisteren, want hij die leest, is de hoodschapper van de vergadering om de woorden Gods te doen horen. Ik wenste wel dat zij die het Evangelie horen prediken en lezen, dit in aanmerking wilden nemen.
3. Door wie zij gelezen moest worden. Gij zult deze wet lezen, vers 11. "Gij, o Israël, door een bevoegd persoon, die hiertoe aangesteld is, of, gij, o Jozua, hun voornaamste bestuurder", zoals wij bevinden, dat hij zelf de wet gelezen heeft, Jozua 8:35. Dat heeft ook Josia gedaan, 2 Kronieken 34:30, en Ezra, Nehemia 8:3. En de Joden zeggen dat de koning zelf (als zij er een hadden) de persoon was, die in de voorhoven des tempels las, dat er voor dat doel in het midden van de voorhof een spreekgestoelte was opgericht, waarop de koning stond, dat het boek van de wet hem gegeven werd, door de hogepriester, dat hij opstond om het aan te nemen, een gebed uitsprak (zoals ieder deed, die de wet in het openbaar moest lezen) eer hij las, en dan mocht hij, als hij dit wilde, gaan zitten en lezen, maar het werd prijzenswaardiger in hem geacht om staande te lezen, zoals (zeggen zij) Agrippa gedaan heeft. Hier zij mij de gissing veroorloofd, dat Salomo in zijn tweede boek de Prediker wordt geroemd, omdat hij de substantie van dat boek in een rede voor het volk heeft uitgesproken na zijn openbaar lezen van de wet op het loofhuttenfeest, overeenkomstig het hier gegeven gebod.
4. Tot welk doel zij aldus plechtig gelezen moest worden.
a. Opdat het tegenwoordige geslacht zijn bekendheid met de wet Gods zou bewaren, vers 12. Zij moeten horen, opdat zij leren, en God vrezen en waarnemen hun plicht te doen. Zie hier wat ons doel moet wezen in ons horen van het Woord, wij moeten horen, opdat wij leren en toenemen in kennis, en telkens als wij de Schrift lezen, zullen wij bevinden dat er al meer en meer uit te leren is. Wij moeten leren, opdat wij God vrezen, dat is, naar behoren getroffen zullen zijn door de dingen Gods, en wij moeten God vrezen, ten einde waar te nemen te doen alle woorden van deze wet, want tevergeefs wenden wij voor Hem te vrezen, indien wij Hem niet gehoorzamen.
b. Opdat het opkomend geslacht bijtijds doortrokken worde van Godsdienst, vers 13, niet alleen opdat zij, die iets weten, meer zullen weten, maar opdat de kinderen, die niets geweten hebben, bijtijds dit mogen weten, dat het hun grootste belang, zowel als hun plicht is, God te vrezen.