Psalm 106:1-5
Hier wordt ons geleerd:
1. God te loven, vers 1, 2. Looft deHeere, dat is:
a. Brengt Hem dank voor Zijn goedheid, de openbaring ervan aan ons en de vele voorbeelden en bewijzen ervan. Hij is goed, en Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid, laat ons daarom onze verplichtingen aan Hem erkennen, en Hem onze beste genegenheden en diensten wijden.
b. Geeft Hem de eer van Zijn grootheid, Zijn mogendheden, de bewijzen van Zijn almachtige kracht, waarmee Hij grote dingen gedaan heeft, die niet weerstaan kunnen worden. wie kan ze uitspreken? Wie is waardig om dit te doen? Wie is er toe in staat? Zij zijn zovele, dat zij niet geteld kunnen worden, zo geheimenisvol, dat zij niet kunnen worden beschreven, als wij het meeste wat wij kunnen gezegd hebben van de mogendheden des Heeren, dan is er nog de helft niet van gezegd, er is nog meer van te zeggen. het is een onderwerp, dat niet uitgeput kan raken. Wij moeten Zijn lof verkondigen, wij kunnen er iets van verkondigen, maar wie kan hem geheel verkondigen? De engelen zelf kunnen het niet. Dit zal er ons niet van vrijstellen om te doen wat wij kunnen, maar er ons toe opwekken en aansporen om te doen alles wat wij kunnen.
2. Om het volk van God te loven, hen welgelukzalig te achten en te noemen, vers 3. Zij, die het recht onderhouden, zijn welgelukzalig, want zij zijn geschikt om gebruikt te worden voor het loven van God. Gods volk zijn zij, wier beginselen gezond zijn, zij onderhouden het recht, zij houden zich aan de regelen van recht en Godsdienst, en hun handelingen komen daarmee overeen, zij doen gerechtigheid, zijn rechtvaardig jegens God en jegens alle mensen, en hierin zijn zij standvastig, zij doen het te aller tijd, in al hun handel en wandel, ieder ogenblik, in alle voorkomende gevallen, en hierin volharden zij tot de einde.
3. Onszelf te loven, dat is gelukkig te achten in de gunst van God, er onze gelukzaligheid in te plaatsen, haar dientengevolge met alle ernst te zoeken, zoals de psalmist het hier doet, vers 4, 5.
a. Hij heeft het oog op de goedertierenheid van God als de bron van alle gelukzaligheid: "Gedenk mijner, o Heere, om mij de goedertierenheid en genade te geven, die ik nodig heb, naar het welbehagen tot Uw volk." Gelijk er een volk in de wereld is, dat in bijzondere zin Gods volk is, zo is er een bijzondere gunst, een bijzonder welbehagen, dat God in dat volk heeft, waarin alle Godvruchtige zielen wensen te delen, en wij behoeven niets meer te begeren dan dat om ons gelukkig te maken.
b. Hij heeft het oog op het heil Gods, de grote zaligheid, die van de ziel als de grond van alle geluk. Bezoek mij met Uw heil. "Schenk mij (zegt Dr. Hammond) die vergeving en genade, die ik behoef, en van niemand anders kan hopen dan van U." Laat dat heil mijn deel wezen tot in eeuwigheid, en het onderpand van mijn tegenwoordige vertroosting.
c. Hij heeft het oog op de gelukzaligheid van de rechtvaardigen, als hetgeen, waarin alle goed is opgesloten vers 5. "Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen, en zo gelukkig ben als Uwe heiligen, en gelukkiger begeer ik niet te wezen." Gods volk wordt hier Zijn uitverkorenen genoemd, Zijn volk, Zijn erfdeel, want Hij heeft hen zich afgezonderd, hen onder Zijn regering genomen. Hij wordt door hen bediend, in hen verheerlijkt. De uitverkorenen Gods hebben een goed, dat hun bijzonder eigen is, de stof is beide van hun blijdschap en van hun roemen, dat hun genot en hun lof is. Gods volk heeft reden om een blijmoedig volk te zijn, en de gehele dag te roemen in hun God, en zij die deze blijdschap, die eer hebben, behoeven geen van de kinderen van de mensen hun genot en hun roem te benijden. De blijdschap van Gods volk en de roem van Zijn erfdeel kunnen aan iedereen voldoening schenken, want zij hebben eeuwige blijdschap en eer, die voor hen weggelegd is in de hemel.