Jeremia 29:8-14
Om het volk in zijn gevangenschap gerust te stellen,
I. Leert God hen, af te laten van te bouwen op de valse gronden, die de gewaande profeten geleerd hadden, vers 8, 9. Die hadden hun wijsgemaakt, dat hun gevangenschap kort zou duren en daarom moesten zij in Babel geen wortel schieten, maar voortdurend gereed staan om weer te keren. Want hierin "bedriegen zij u, zegt God, zij profeteren u leugen, ofschoon zij profeteren in Mijn naam. Laat ze u niet bedriegen, laat u niet door hen misleiden". Zolang wij het woord van de waarheid hebben om de geesten te beproeven, is het onze schuld als wij bedrogen worden, want dat kan ons de waarheid bekend maken. "Hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen." Hij bedoelt of de dromen of inbeeldingen, waarmee het volk zich vermaakt en het hoofd vervult, door aan niets te denken of van niets te spreken dan een nabijzijnde verlossing, zodat zij in wakende toestand hun droom geloofden en dat voor een goed teken hielden, waarmee hun ijdele verwachting nog versterkt werd, of de dromen, die de profeten droomden, en waarop die hun profetieën grondden. God zegt het volk: "` t Zijn uw dromers, die gij doet dromen, omdat zij u behagen, gij doet ze dromen, omdat gij ze begeert en wenst. Gij doet ze dromen, dit is, gij luistert er naar en spoort de profeten aan om u daarmee te misleiden, ge wilt, dat zij u slechts zachte dingen zullen zeggen, Jesaja 30:10 ". Het waren dromen van hun eigen vinding. Valse profeten zouden het volk in zijn zonden niet gevleid hebben, zo het dat zelf niet begeerde, zij spraken zacht tot hun profeten, opdat die wederkerig zachte dingen meedeelden.
II. Geeft God hun een goede grond, om daarop hun hoop te bouwen. Wij zouden niemand overhalen het op zand gebouwde huis af te breken, als er geen rots was om daarop te bouwen. God belooft hun hier, dat Hij hen wel niet dadelijk, maar toch na verloop van tijd zal wederhalen, "nadat de zeventig jaren zullen vervuld zijn." Hieruit blijkt, dat die zeventig jaren van de ballingschap niet van de laatste, maar van de eerste wegvoering moeten gerekend worden. Zie, ofschoon de bevrijding van de kerk niet in onze tijd moge komen, ze zal op Gods tijd komen, en wij weten zeker, dat Gods tijd de beste is. De belofte houdt in, dat God hen in barmhartigheid zal bezoeken, al heeft Hij hun lang als een vreemde geschreven, Hij zal onder hen komen en hun verschijnen en hen vereren, gelijk grote mannen hun minderen doen als zij hen bezoeken. "Hij zal hun gevangenis wenden en alle ellende van de ballingschap wegnemen". Al zijn zij verstrooid, de een hier, de ander in een ander vreemd land, Hij zal ze "weerbrengen uit alle plaatsen, waarheen Hij ze gedreven heeft, " Hij zal een banier oprichten, waaromheen allen zich kunnen verzamelen, en ze weer een volk maken. En hoe ver zij ook verwijderd mogen zijn, zij zullen weer in hun eigen land heengevoerd worden, tot de plaats, vanwaar Hij ze gevankelijk heeft doen heenvoeren, vers 14. Nu,
1. Zal dit de vervulling van Gods belofte jegens hen zijn, vers 10, Ik zal Mijn goed woord over u verwekken. Laat niet het uitblijven van de voorzeggingen, die valselijk aan God werden toegeschreven, de kracht van die voorzeggingen verminderen, die inderdaad van Hem zijn. Wat inderdaad Gods Woord is, is een goed woord, en daarom zal het vervuld worden, en "geen jota of tittel zal op de aarde vallen. Heeft hij gesproken, en zou Hij het niet doen?" Dit zal hun uittocht uit de ballingschap straks heerlijk maken, dat het de vervulling zal wezen van Gods goede woord jegens hen, het gevolg van een genaderijke belofte.
2. Het zal de voortzetting zijn van Gods plannen met hen, vers 11 :Ik weet de gedachten die Ik over u denk. Gode zijn alle Zijn werken bekend en al van Zijn gedachten eveneens Handelingen 15:18, Zijn gedachten en Zijn werken stemmen nauwkeurig overeen, Hij doet alles "naar de raad van Zijn welbehagen". Wij kennen dikwijls onze eigen gedachten niet, noch weten wat wij eigenlijk bedoelen maar God is Zichzelf volkomen bewust. Wij zijn soms maar al te zeer geneigd, te menen, dat Gods doen tegen ons gekeerd is, maar Hij weet, dat het tegendeel waar is, Hij denkt "goed en geen kwaad, " zelfs wat kwaad schijnt, is ten goede bedoeld. Zijn gedachten strekken alle tot het vastgestelde doel, dat Hij te van Zijner tijd zal bereiken. Het einde, dat zij verwachten, zal komen, misschien niet op de door hen verwachte tijd. Laat hen geduld hebben totdat de vrucht rijp is, en dan zullen zij ze hebben. Hij zal hun geven "het einde en de verwachting."
a. "Hij zal hun het einde te zien geven (de troostvolle oplossing) van hun smart, al duurt die lang, ze duurt niet immer. De tijd om Zion genadig te zijn, de bestemde tijd zal komen". Als de nood op het hoogst is, is de redding nabij, Hij zal hun de heerlijke vervulling van Zijn heilsbeloften doen zien, want Gods werk is volmaakt. Hij die in de beginne "de hemel en de aarde volbracht en al hun heir, zal ook aan Zijn volk de zegen vermenigvuldigen". Wat Hij in de weg van barmhartigheid begint, voltooit Hij ook. God doet geen ding half.
b. Hij zal hun de verwachting geven, waarnaar zij lang begeerd en gewacht, waarop zij zo lang gehoopt hebben. Hij zal hun geven, niet de verwachting hunner vreze, maar de verwachting huns geloofs, de verwachting, die Hij had toegezegd, en die op hun best zal uitlopen.
3. Dit zal het antwoord zijn op hun gebeden en smekingen voor God, vers 12-14.
a. God zal ze tot bidden opwekken: Dan zult gij Mij aanroepen en henengaan en tot Mij bidden. Zie, wanneer God Zijn volk de verwachte zegen gaat geven, dan giet Hij een geest des gebeds uit, en dat is een goed teken van Zijn komen en barmhartigheid. "Wanneer gij dan het verwachte einde ziet naderen, dan zult gij Mij aanroepen." Zie, beloften worden niet gegeven om het gebed overbodig te maken, maar aan te moedigen, en als de verlossing komt, moeten wij voortgaan met bidden om algehele vervulling. Toen Daniël verstond dat de 70 jaren ten einde liepen, "zette hij zijn aangezicht met te meer ijver om de Heere te zoeken, Daniël 9:2, 3.
b. Dan zal God als `t ware nog sneller Zijn beloften vervullen, "Ik zal naar u komen en Ik zal door u gevonden worden". God heeft gezegd, en wij mogen er op bouwen: Zoek, en gij zult vinden. Wij hebben een vaste regel, neergelegd in vers 13 :Gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw gehele hart. Als wij God zoeken, moeten wij ijverig zoeken, zoeken naar aanwijzingen hoe te handelen en bemoedigingen voor ons geloof en onze hoop. Wij moeten voortgaan met zoeken en moeite doen om te zoeken, en dit met ons hart, (dat is in oprechtheid) met ons gehele hart (dat is met kracht en vuur, al onze energie in ons gebed leggende), die dus God zoeken, zullen Hem vinden en in Hem vinden een Beloner dergenen, die Hem zoeken, Hebreeën 11:6. Hij heeft nooit tot de zulke gezegd: Zoekt Mij nu tevergeefs.