Esther 6:1-3
Hoe Satan het in Hamans hart heeft gegeven om Mordechai's dood te beramen, lazen wij in het vorige hoofdstuk, hoe God het in het hart van de koning gaf om Mordechai's eer en verhoging te beramen, wordt ons in dit hoofdstuk meegedeeld. Indien nu het woord van de koning de bovenhand zal hebben boven dat van Haman-want hoewel Haman groot is, is de koning op zijn troon toch boven hem-dan zal nog veel meer Gods raad bestaan, welke raadslagen er ook in het hart van de mensen mogen wezen. Als dus beide God en de koning Mordechai geëerd willen hebben, dan is het voor Haman nutteloos om er zich tegen te verzetten, en dat nog wel in dit tijdsgewricht, nu zijn verhoging en Hamans teleurstelling zullen samenwerken om de grote zaak van de verlossing van de Joden tot rijpheid te brengen, waarvoor Esther op de volgende dag een poging zal doen. Uitstel kan soms blijken goed beleid te zijn geweest. Wacht een weinig, en wij zullen zoveel eerder gereed zijn. Cunctando restituit rem-Hij overwon door uitstel. Laat ons de stappen nagaan, door Gods voorzienigheid genomen voor Mordechai's verhoging.
I. In dienzelfden nacht was de slaap van de koning geweken. zijn slaap was weggevlucht, staat er in het oorspronkelijke, en het was misschien als met een schaduw: hoe meer hij hem najoeg, hoe verder hij van hem week. Soms kunnen wij niet slapen, omdat wij zo gaarne zouden willen slapen. Zelfs na een maaltijd des wijns kon hij niet slapen, daar Gods voorzienigheid een doel had met hem wakker te houden. Wij lezen van geen lichamelijke ongesteldheid, die in die nacht zijn slaap stoorde, maar God, wiens gave de slaap is, heeft die van hem weggenomen. Zij, die nog zo besloten zijn zorg van zich af te zetten, slagen daar niet altijd in, zij vinden haar op hun hoofdkussen als zij haar noch verwachten noch welkom heten. Hij, die over honderd zeven en twintig provincies gebood, kon over geen enkel uur slaap gebieden. Misschien heeft het bekoorlijke van Esthers gesprek op de vorige dag hem aanleiding gegeven om zich te verwijten dat hij haar veronachtzaamd had, haar gedurende meer dan dertig dagen uit zijn tegenwoordigheid had gebannen, en dat kon hem wel wakker houden. Een beledigde consciëntie kan wel een tijd vinden om te spreken als zij gehoord wil worden.
II. Toen hij niet slapen kon, vroeg hij om het boek van de gedachtenissen, de jaarboeken van zijn regering, opdat men hem er uit zou voorlezen vers 1. Hij heeft dit stellig niet gedaan om er door in slaap te komen, want het was eerder geschikt om zijn hoofd te vervullen van zorgen en de slaap van hem weg te drijven, maar God gaf het hem in het hart om er om te vragen, veeleer dan om muziek of zang, waarvan de Perzische koningen plachten zich te doen dienen, Daniël 6:19, en die geschikter zouden geweest zijn om hem in slaap te doen komen. Als mensen doen wat ongewoon of onbegrijpelijk is, dan weten wij niet welke bedoelingen God er mee heeft. Misschien wilde hij zich uit dat boek doen voorlezen, om een goed gebruik te maken van de tijd, of om het een of andere nuttige plan te vormen. Indien koning David in die omstandigheden had verkeerd, hij zou zijn gedachten wel met iets anders hebben bezig gehouden, als hij niet had kunnen slapen, hij zou aan God gedacht hebben, aan Hem gepeinsd hebben, Psalm 63:7, en als hij zich uit een boek had willen doen voorlezen, het zou zijn Bijbel geweest zijn: want die wet overdacht hij dag en nacht.
III. De dienaar, die hem voorlas, heeft òf het eerst die zaak nopens Mordechai aangetroffen òf hij heeft zolang gelezen totdat hij er aan toe kwam. Onder andere dingen werd er geschreven gevonden dat Mordechai een samenzwering tegen het leven des koning had ontdekt, waardoor zij verijdeld werd, vers 2. Mordechai was niet in zo blakende gunst aan het hof, dat de lezer voorbedachtelijk die plaats had uitgekozen, maar Gods voorzienigheid heeft hem er toe geleid, ja, als wij de overlevering van de Joden kunnen geloven (die ons door bisschop Patrick wordt meegedeeld) dan was hij genoodzaakt die plaats te lezen, want toen hij het boek juist aan die plaats opende, sloeg hij enige bladzijden om en wilde aan een ander gedeelte van het boek beginnen, maar de bladen sloegen vanzelf weer terug naar de plaats, waar hij het geopend had, en zo heeft hij die paragraaf gelezen. Hoe Mordechai's goede dienst vermeld werd, lazen wij in Hoofdst. 2:23, en hier wordt die vermelding nu in het boek van de gedachtenissen gevonden.
IV. De koning vroeg wat eer en verhoging Mordechai hiervoor gedaan is, vermoedende dat deze goede dienst onbeloond is gebleven, en gelijk Farao's schenker, dit heden gedenkende als zijn zonde, Genesis 41:9. De wet van de dankbaarheid is een wet van de natuur. Wij behoren inzonderheid dankbaar te zijn jegens onze minderen, wij moeten niet denken dat de diensten, die zij ons bewijzen, schulden zijn, die zij aan ons hebben, maar dat integendeel wij er hun schuldenaars door worden. Aan des konings vraag hier kunnen wij twee regels van de dankbaarheid ontlenen.
1. Eer is beter dan niets. Als wij hen, die vriendelijk voor ons geweest zijn, geen beloning kunnen of behoeven te geven, zo laat ons hen eren door hun vriendelijkheid te erkennen en onze verplichting jegens hen ervoor.
2. Beter laat dan nooit. Als wij lang verzuimd hebben onze dankbaarheid voor goede diensten, die ons bewezen zijn, te betonen, zo laat ons eindelijk gedenken aan onze plicht om onze schuld te betalen.
V. De dienaren deelden hem mee dat aan Mordechai voor deze groten dienst niets gedaan was, in de poort van de koning zat hij tevoren, en daar zat hij nog. Voorname lieden nemen gewoonlijk weinig notitie van hun minderen. De koning wist niet of Mordechai al of niet bevorderd was, voordat zijn dienaren het hem zeiden. Hooghartige lieden stellen er een eer in, om onverschillig te zijn voor hun minderen, zich niet om hen te bekommeren, onbekend te zijn met hun toestand. De grote God geeft acht op de geringste van Zijn dienstknechten, weet welke eer of welke oneer hun is aangedaan. Ootmoed, bescheidenheid en zelfverloochening zijn in Gods ogen van grote waarde, maar gewoonlijk staan zij de mensen in deze wereld in de weg. Mordechai klimt niet hoger dan de poort van de koning, terwijl de trotse, eerzuchtige Haman het oor en het hart van de koning wint, maar terwijl de eerzuchtiger snel klimmen op de glibberige baan, staan de nederiger veilig op hun lage plaats. Eer bedwelmt hoogmoedige mensen, maakt hen duizelig, maar houdt de nederige vast, Spreuken 29:23. Eer en verhoging staan hoog aangeschreven bij de koning. Hij vraagt niet: welke beloning is aan Mordechai gegeven? Hoeveel geld? Welk landgoed, of grondbezit? Maar alleen: Wat eer? Een armzalig ding, iets, dat zo hij het vermogen niet had om er naar te leven, niets dan een last voor hem zijn zou als hem bijvoorbeeld een weidsen titel ware geschonken en hij toch geen dienovereenkomstigen staat kon voeren. De grootste persoonlijke verdiensten en de gewichtigste diensten worden dikwijls voorbijgezien en blijven onbeloond door de mensen, weinig eer wordt aangedaan aan hen, die haar het meest verdienen, er het meest geschikt voor zijn, en er het meest goed mee doen. Zie Prediker 9:14-16. Het verkrijgen van rijkdom en eer gaat gewoonlijk zoals bij een loterij, waarin zij, die het minst inzetten, gewoonlijk de beste prijzen trekken. Ja meer: goede diensten strekken soms zó weinig tot iemands bevordering, dat zij hem niet eens tot bescherming dienen. Door het edict van de koning was Mordechai toen met al de Joden aan ondergang en dood gewijd, hoewel erkend wordt dat hij eer en bevordering verdiende. Zij, die God getrouwelijk dienen, behoeven niet te vrezen aldus slecht beloond te worden.