Mattheus 16:24-28
Nadat Christus Zijn discipelen getoond had, dat Hij moest lijden, en dat Hij bereid en gewillig was om te lijden, toont Hij hun nu, dat ook zij moeten lijden, en er ook bereid en gewillig toe moeten zijn. Het is ene gewichtige rede, die wij in deze verzen hebben.
I. Hier wordt de wet van het discipelschap gegeven, en worden de voorwaarden vastgesteld, waarop wij er de eer en de voorrechten van mogen hebben, vers 24. Hij zei dit tot Zijne discipelen, niet alleen, opdat zij het aan anderen zouden onderwijzen, maar opdat zij er ook hun eigene oprechtheid aan zouden toetsen. Wij hebben hier te letten op
1. Wat het is, een discipel van Christus te zijn, het is achter Hem te komen. Toen Christus Zijne discipelen riep, luidde het woord van bevel: Volg Mij. Een waar discipel van Christus is iemand, die Hem volgt in plichtsbetrachting, en Hem zal volgen in de heerlijkheid. Het is iemand, die achter Christus komt, niet iemand, die Hem voorschrijft wat Hij doen moet, zoals Petrus dit nu op zich had genomen te doen, vergetende wat zijne plaats is tegenover den Heere. Een discipel van Christus komt achter Hem, gelijk de schapen achter den herder, de dienstknecht achter zijn meester, de soldaten achter hun aanvoerder. Hij is iemand, die hetzelfde bedoelt wat Christus bedoelt, de heerlijkheid Gods, en de heerlijkheid des hemels, iemand, die wandelt op dezelfden weg, waarop Hij gewandeld heeft, geleid wordt door Zijn' Geest, treedt in Zijne voetstappen, zich onderwerpt aan Zijne leiding, het Lam volgt, waar het ook heengaat, Openbaring 14:4.
2. Wat de grote dingen zijn, die geëist worden van hen, die Christus' discipelen willen wezen. Zo iemand wil komen, ei tis thelei indien iemand gewillig is te komen. Het geeft ene wel overdachte keuze te kennen, met blijmoedigheid en vastberadenheid in die keuze. Velen zijn discipelen, meer bij geval, of door den wil van anderen, dan door enigerlei daad van hun eigen wil, maar Christus wil, dat Zijn volk vrijwilligers zullen zijn, Psalm 110.
3. Het is alsof Christus gezegd had: "Indien iemand van hen, die Mijne discipelen niet zijn, stellig en bepaald tot Mij wil komen, en indien gij, die Mijne discipelen zijt, evenzo gezind zijt om bij Mij te blijven en Mij aan te kleven, dan is het op deze voorwaarden, deze, en gene anderen: gij moet Mij volgen in lijden, zowel als in andere dingen, daarom, als gij neerzit om de kosten te overrekenen, zo rekent hierop." Wat nu zijn deze voorwaarden?
a. Hij verloochene zich zelven. Petrus had Christus aangeraden zich zelven te sparen, en, in hetzelfde geval verkerende, zou hij bereid zijn dien raad op te volgen, maar Christus zegt hun allen aan, dat zij, wel verre van zich zelven te sparen, zich zelven moeten verloochenen. Hierin moeten zij achter Christus komen, want Zijne geboorte, Zijn leven en dood, het was alles ene doorlopende daad van zelfverloochening en zelfontlediging, Filippenzen 2:7, 8. Indien zelfverloochening een harde les is, en tegen vlees en bloed ingaat, onze Meester heeft die les voor ons en ten onzen behoeve geleerd, en in beoefening gebracht ter onzer verlossing en lering, en de dienstknecht is niet boven zijn heer. Al de discipelen en volgelingen van Jezus Christus moeten zich verloochenen. Het is de fundamentele wet van toelating in Christus' school en de eerste en grote les, die in deze school geleerd moet worden, is zelfverloochening. Zelfverloochening is beide de enge poort en de smalle weg, en zij is nodig teneinde wij al de andere goede lessen, die dáár onderwezen worden, kunnen leren. Wij moeten ons zelven volstrekt verloochenen, wij moeten onze eigene schaduw niet bewonderen, niet toegeven aan ons humeur, wij moeten niet steunen op ons verstand, ons zelven niet zoeken, niet zelf ons eigen doelwit zijn. Wij moeten ons ook vergelijkenderwijs verloochenen, wij moeten ons zelven verloochenen voor Christus, voor Zijn wil en Zijne ere, en den dienst van Zijne belangen in deze wereld: wij moeten ons zelven verloochenen voor onze broederen en voor hun welzijn, en wij moeten ons zelven verloochenen voor ons zelven, de lusten van het vlees verloochenen voor het welzijn onzer ziel.
b. En neme zijn kruis op. Het kruis is hier genomen voor alle lijden als mensen of als Christenen: beproevingen in den weg der voorzienigheid, vervolgingen om der gerechtigheid wil, alle moeite en verdriet, dat ons ten deel valt, hetzij wegens wèl doen, of wegens niet doen wat kwaad of verkeerd is. De verdrietelijkheden of wederwaardigheden der Christenen worden zeer gepast kruisen genoemd, met toespeling op den dood aan het kruis, waaraan Christus gehoorzaam is geweest, en het moest ons met ons verdriet en onze benauwdheden verzoenen, er de verschrikking uit wegnemen, dat zij zijn, wat wij in gemeenschap met Christus dragen, en wat Hij voor ons gedragen heeft. Ieder discipel van Christus heeft zijn kruis, en moet er op rekenen, gelijk ieder zijn bijzonderen plicht te vervullen heeft, zo heeft ieder ook zijne bijzondere beproeving of benauwdheid te dragen, en iedereen gevoelt het meest zijn eigen last. Kruisen zijn het deel en lot van alle Gods kinderen, maar van dit algemene lot heeft ieder zijn bijzonder deel. Dat is ons kruis wat de Oneindige Wijsheid voor ons bestemd heeft, en de Soevereine Voorzienigheid ons oplegt, als voor ons het meest gepast. Het is goed voor ons om het kruis, waar wij ons onder bevinden, ons eigen te noemen, en het als zodanig aan te nemen. Wij zijn geneigd te denken, dat wij het kruis van die of die beter zouden kunnen dragen dan ons eigen kruis, maar dat is het beste wat is, en zo moeten wij het beschouwen en het ons ten nutte maken. Ieder discipel van Christus moet datgene op zich nemen wat de alwijze God tot zijn kruis heeft gemaakt. Het is ene toespeling op de Romeinse gewoonte om hen, die veroordeeld waren om gekruist te worden, zelf hun kruis te laten dragen. Toen Simon Christus' kruis achter Hem droeg, was dit ene veraanschouwelijking van deze zinsnede.
Ten eerste. Er wordt verondersteld, dat het. kruis op onzen weg ligt en voor ons bereid is. Wij moeten gene kruisen voor ons zelven maken, maar ons voegen naar die, welke God voor ons heeft gemaakt. De regel voor ons is geen stap uit den weg des plichts te wijken, hetzij om een kruis te ontmoeten of er een te vermijden. Wij moeten niet door roekeloosheid of onvoorzichtigheid ons kruisen op den hals halen, maar ze opnemen, als zij op onzen weg gelegd worden. Wij moeten met ene beproeving zo handelen, dat zij geen struikelblok of hinderpaal voor ons wordt in enigerlei dienst, dien wij voor God te doen hebben. Wij moeten het opnemen uit onzen weg, door over de ergernis van het kruis heen te komen, ik acht op geen ding, en dan moeten wij er op onzen weg mede voortgaan, al ligt het ons ook zwaar op den schouder.
Ten tweede. Wat wij te doen hebben is niet slechts het kruis te dragen (een stok of een steen zou dit ook kunnen), niet slechts er onder te zwijgen, maar wij moeten het kruis opnemen, er nut en voordeel aan ontlenen voor onze ziel. Wij moeten niet zeggen: "Dit is een kwaad, en ik moet het dragen, omdat ik het niet verhelpen kan", maar: "Dit is een kwaad, en ik wil het dragen, omdat het mij zal medewerken ten goede." Als wij ons verblijden in onze beproevingen en roemen in de verdrukkingen, dan is het, dat wij ons kruis opnemen. Dit volgt zeer gepast op het ons zelven verloochenen, want hij, die zich de genoegens der zonde niet wil ontzeggen, en de voorrechten en voordelen dezer wereld, om Christus wil, niet wil derven, zal, als het op stuk van zaken aankomt, wel nooit den moed hebben om zijn kruis op te nemen. "Hij, die niet het vaste besluit kan nemen, om als een heilige te leven, heeft in zich zelven het duidelijke bewijs, dat hij wel nooit als een martelaar zal sterven".
c. En volg Mij, in dit bijzondere opnemen van het kruis. Lijdende heiligen moeten op Jezus zien, om van Hem leiding en bemoediging te ontvangen onder hun lijden. Dragen wij het kruis? Dan volgen wij Christus hierin, die het voor ons draagt, en het voor ons, dat is ten onzen behoeve, draagt, en het aldus van ons wegdraagt. Hij droeg het zware einde van het kruis, het einde, waarop de vloek rustte, dat was een zwaar einde, en zo werd het andere einde licht en gemakkelijk voor ons gemaakt. Of wij kunnen dit nemen in algemenen zin: wij moeten Christus volgen in alle heiligheid en gehoorzaamheid. De discipelen van Christus moeten er zich op toeleggen hun Meester na te volgen, zich in alles naar Zijn voorbeeld te gedragen en te volharden in wèldoen, welke kruisen er zich daarbij ook voordoen op hun weg. Wel te doen en kwaad te lijden, dat is Christus volgen. Zo iemand achter Mij wil komen, die volge Mij, dat schijnt idem per idem te zijn-dezelfde zaak nog eens. Wat is het verschil? Dit voorzeker: Zo iemand achter Mij wil komen in belijdenis, en dus den naam en de ere heeft van een discipel te zijn, die volge Mij in waarheid, en doe dus het werk, volbrenge den plicht van een discipel. Of wel: Zo iemand er zich toe begeeft om achter Mij te komen in een goed begin, laat hij voortgaan en volharden in Mij te volgen. Dat is het volharden in den Heere te volgen, zo als Kaleb gedaan heeft. Zij, die achter Christus komen, moeten hem volgen.
II. Hier zijn redenen om ons te bewegen tot onderwerping aan deze wetten en aanneming van deze voorwaarden. Zelfverloochening en geduld onder lijden zijn moeilijke lessen, die wij nooit zullen leren, zo wij met vlees en bloed te rade gaan. Laat ons daarom met onzen Heere Jezus Christus te rade gaan, en zien wat Hij ons aanraadt. Hier geeft Hij ons enige dingen ter overweging, die ons er toe kunnen brengen, om dezen plicht van zelfverloochening en lijden om Christus wil op ons te nemen. Denk na over Het gewicht en belang der eeuwige gelukzaligheid, die afhangt van onze tegenwoordige keuze, vers 25. Wie zijn leven zal willen behouden, door Christus te verloochenen, die zal hetzelve verliezen, maar zo wie tevreden is het te verliezen door Christus te belijden, die zal hetzelve vinden. Hier zijn ons leven en dood, goed en kwaad, de zegen en de vloek voorgesteld. Let op: De ellende, waardoor de afval, die het verschoonlijkst schijnt te zijn, gevolgd wordt.
Wie zijn leven zal willen behouden in deze wereld, indien het door zonde is, zal hetzelve verliezen in ene andere wereld. Wie Christus verlaat om een tijdelijk, voorbijgaand, leven te behouden, en aan een tijdelijken dood te ontkomen, zal gewis het eeuwige leven niet bereiken, en den tweeden dood macht over zich geven, die hem dan ook eeuwiglijk houden zal. Er kan geen schoner uitvlucht gevonden worden om afval en ongerechtigheid te vergoelijken, dan die van het leven te redden, zo sterk en dringend is de wet van het zelfbehoud. En toch is ook dit dwaasheid, want in het einde zal het blijken zelf-verwoesting te zijn. Het geredde leven is maar voor een ogenblik, de dood, die geschuwd wordt, is slechts als een slaap, maar het leven verloren is eeuwig verloren, en de dood, die er op volgt, is de diepte en vervollediging van alle rampzaligheid, en ene eindeloze scheiding van al wat goed is. Laat nu ieder mens met gezond verstand dit overwegen en zijn hart uitspreken, of er op den langen duur wezenlijk iets gewonnen wordt, al is het ook dat men er zijne goederen, zijne bevordering in deze wereld, of zijn leven door redt. Het voordeel, voortvloeiende uit standvastigheid, hoe gevaarlijk dit ook moge wezen, en hoeveel dit ons ook moge kosten. Wie om Christus wil zijn leven zal verliezen in deze wereld, die zal hetzelve vinden in ene betere wereld. Menig leven wordt, om Christus wil verloren, door Zijn werk te doen, door ijverig te arbeiden voor Zijn naam, door te lijden, verkiezende liever te sterven, dan Hem of Zijne waarheid te verloochenen. Christus' heilige Godsdienst is ons overgeleverd, verzegeld met het bloed van duizenden, die hun eigene ziel niet hebben gekend, maar hun leven hebben versmaad, (zoals Job van een ander geval zegt), hoewel zij zeer kostelijk en van grote waardij waren, toen zij hun plicht hebben betracht en van Jezus hebben getuigd, Openbaring 20:4. Velen hebben veel voor Christus verloren, ja zelfs hun leven, maar toch is er nooit iemand geweest, en zal er nooit iemand zijn, die in het einde bij of door Hem verliezen zal. Het verlies van andere gemakken of genoegens kan wellicht in deze wereld vergoed worden, Markus 10:30, het verlies van het leven niet, maar wèl zal dit vergoed worden met het eeuwige leven in de andere wereld, vanwaar het vooruitzicht in het geloof de grote ondersteuning is geweest der heiligen in alle eeuwen. De verzekerdheid van het leven, dat zij zullen vinden, in de plaats van het leven, dat zij in de waagschaal hebben gesteld, heeft hen bekwaam gemaakt om over den dood en zijne verschrikkingen te triomferen, glimlachende het schavot te beklimmen, zingende op den brandstapel te staan, en de ontzettendste gevolgen van de woede hunner vijanden slechts als ene verlichte verdrukking te achten. De waardij der ziel, welke hier in de waagschaal wordt gesteld, en in vergelijking daarmee, de waardeloosheid der wereld, vers 26.
Wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? tên psuchên auton, hetzelfde woord, dat in vers 25 vertaald is door zijn leven, want de ziel is het leven, Genesis 2:7. Dit is ene heen wijzing naar het algemene beginsel, dat, hetgeen een mens verkrijgt, hem geen goed zal doen, zo hij zijn leven verliest, want hij kan geen genot hebben van het verkregene. Maar het ziet verder en hoger, en spreekt van de ziel als onsterfelijk, en van het verlies der ziel na den dood, dat door het gewin van geheel de wereld niet vergoed kan worden. Ieder mens heeft ene ziel. Die ziel is het geestelijk en onsterfelijk deel van den mens, hetwelk denkt en redeneert, het vermogen heeft van nadenken en van hopen of verwachten, en thans in het lichaam werkt, maar weldra afgescheiden van het lichaam werken zal. Onze ziel behoort ons, niet in den zin van heerschappij en bezit (want wij zijn ons zelfs niet, alle zielen zijn Mijne, zegt God), maar in dien zin, dat zij een deel van ons uitmaakt, onze zielen zijn onzer, omdat zij zijn wat God ons heeft doen worden. Het is mogelijk, dat die ziel verloren gaat, en hiertoe bestaat gevaar. De ziel is verloren, als zij voor eeuwig gescheiden wordt van al wat goed is, en overgeleverd wordt aan al het kwaad, waartoe ene ziel instaat is, wanneer zij sterft, zover ene ziel sterven kan, als zij gescheiden wordt van de gunst van God, en wegzinkt onder Zijn toorn en vloek. Een mens is nooit verloren, voor hij in de hel is. Indien de ziel verloren is, dan is dit des zondaars eigen schuld. De mens verliest zijn eigen ziel, want hij doet hetgeen haar ongetwijfeld ten verderve strekt, en hij verzuimt hetgeen haar alleen zou kunnen redden, Hosea 13:9. De zondaar sterft, omdat hij wil sterven, zijn bloed zij op zijn hoofd. Een enkel ziel is meer waard dan de gehele wereld, onze ziel is voor ons van groter waardij dan alle rijkdom, alle eer en alle genietingen van den tegenwoordigen tijd, indien wij ze hadden. Hier is de gehele wereld in de schaal gelegd tegen een enkele ziel, en het Tekel er op geschreven, zij is gewogen en te licht bevonden. Dit is Christus' oordeel van de zaak, en Hij is een bevoegd beoordelaar, Hij had de gegevens om den prijs der zielen te kennen, want Hij heeft ze verlost en vrijgekocht, ook zal Hij de wereld niet onderschatten, want Hij heeft haar gemaakt. Het gewinnen der wereld is dikwijls het verlies der ziel. Menigeen heeft zijn eeuwige belangen geschaad, ja geheel bedorven, door zijn dwaze, buitensporige zorg voor zijn tijdelijke belangen. Het is de liefde der wereld, en het ijverige najagen er van, die de mensen doen verzinken in verderf en ondergang. Het verlies der ziel is zo groot een verlies, dat het gewinnen van geheel de wereld er niet tegen opweegt. Wie zijne ziel verliest, al is het ook dat hij er de wereld door gewint, heeft een slechten koop gesloten, en ten laatste zal hij blijken een onuitsprekelijk verlies te hebben geleden. Als hij de rekening opmaakt, winst en verlies met elkaar vergelijkt, zal hij bevinden, dat hij, in plaats van het voordeel, dat hij zich beloofd had, in alle opzichten geruïneerd is, hij is onherroepelijk ten ondergang gedoemd.
Wat zal een mens geven tot lossing van zijne ziel? Is eenmaal de ziel verloren, dan is zij voor goed verloren. Er is geen antallagma, geen prijs, die tegen dien prijs opweegt, welke betaald kan worden, of aangenomen kan worden. Het is een verlies, dat nooit hersteld, nooit goedgemaakt kan worden. Indien, na den groten prijs, dien Christus betaald heeft om onze zielen te verlossen, en ons in het bezit er van te herstellen, zij zo veronachtzaamd worden ter wille van de wereld, dat zij verloren gaan, dan zullen zij niet opnieuw vrijgekocht kunnen worden, dan blijft er geen offer meer over voor de zonde, geen losprijs meer voor de ziel. Daarom is het goed bijtijds wijs te zijn, ten einde plichtmatig jegens ons zelven te handelen. 2. Enige overwegingen, die ons kunnen bemoedigen om ons zelven te verloochenen en voor Christus te lijden.
a. De zekerheid, die wij hebben van Christus' heerlijkheid bij Zijne wederkomst als Rechter der wereld, vers 27. Als wij zien op het einde van al deze dingen, het tijdperk der wereld en de gesteldheid der zielen alsdan, dan zullen wij ons een gans ander denkbeeld vormen van den tegenwoordigen staat van zaken. Als wij de dingen zien, gelijk zij ons dan zullen voorkomen, dan zullen wij ze zien, zoals zij ons thans behoorden voor te komen. De grote aansporing tot standvastigheid in den Godsdienst is ontleend aan de wederkomst van Christus, haar beschouwende: Als Zijne eer. De Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijne engelen. Op Christus te zien in Zijn staat van vernedering, zo vernederd, verguisd, dat Hij een smaad van mensen en veracht is van het volk, dat zou Zijne volgelingen den moed benomen hebben, om zich enigerlei moeite voor Hem te geven, of zich voor Hem aan gevaar bloot te stellen, maar met het oog des geloofs op Hem te zien als op den oversten Leidsman onzer zaligheid, komende in Zijne heerlijkheid, in al de majesteit en macht der wereld van boven, dat zal ons bezielen, en ons doen denken dat niets te veel is om voor Hem te doen, en niets te zwaar is om voor Hem te lijden. De Zoon des mensen zal komen. Hij geeft zich hier den titel van Zijn nederigen staat (Hij is de Zoon des mensen), om te tonen, dat Hij er zich niet voor schaamt. Zijn eerste komst was in de geringheid Zijner kinderen, die des vlezes deelachtig zijnde, zo is Hij ook desgelijks hetzelve deelachtig geworden, maar Zijn tweede komst zal wezen in de heerlijkheid Zijns Vaders. Bij Zijn eerste komst was Hij vergezeld van arme discipelen, bij Zijn tweede komst zal Hij vergezeld zijn van heerlijke engelen, en zo wij met Hem lijden, zullen wij ook met Hem verheerlijkt worden, Romeinen 8:17. Als ons belang. Alsdan zal Hij een iegelijk vergelden naar zijn doen. Jezus Christus zal komen als een Rechter, om beloning en straf uit te delen, oneindig ver overtreffende het grootste, waarover een aards potentaat beschikken kan. De verschrikking van het gericht der mensen, Hoofdstuk 10:18, zal weggenomen zijn door het gelovig uitzien naar het gericht van Christus. Dan zal den mensen vergolden worden, niet naar hun gewin in deze wereld, maar naar hun werken, naar hetgeen zij waren en deden. Te dien dage zal het verraad der afvalligen gestraft worden met een eeuwig verderf en de standvastigheid der gelovige zielen beloond worden met een kroon des levens. De beste toebereiding voor dien dag is ons zelven te verloochenen, ons kruis op te nemen en Christus te volgen, want aldus zullen wij den Rechter tot onzen vriend maken, en dan zal alles wèl met ons wezen. De vergelding der mensen naar hun doen is uitgesteld tot aan dien dag. Hier schijnt goed en kwaad zonder onderscheid uitgedeeld te zijn, wij zien den afval door geen onmiddellijken slag gestraft, noch trouw terstond beloond door een blijk van goedkeuring uit den hemel, maar in dien dag zal alles in de rechte orde gesteld worden. Daarom: oordeelt niet voor den tijd, 2 Timotheus 4:6-8.
b. De nabij zijnde komst van Zijn koninkrijk in deze wereld, vers 28. Het was zo nabij, dat sommigen van hen, die toen bij Hem waren, het nog gezien hebben. Gelijk Simeon de verzekering had, dat hij den dood niet zien zou, voordat hij Christus gezien had, gekomen in het vlees, zo wordt aan sommigen hier de verzekering gegeven, dat zij den dood niet zullen smaken (de dood is iets, dat door de zinnen wordt waargenomen, zijne verschrikkingen worden gezien, zijne bitterheid wordt gesmaakt) totdat zij den Heere Christus hebben gezien, komende in Zijn koninkrijk. Aan het einde des tijds zal Hij komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, maar thans, in de volheid des tijds, moest Hij komen in Zijn eigen koninkrijk, Zijn Middelaars-koninkrijk. Een kleine voorsmaak van Zijne heerlijkheid werd enige dagen later gegeven, toen Hij van gedaante werd veranderd, Hoofdstuk 17:1, toen heeft Hij als het ware Zijne klederen aangepast. Maar dit doelt op Christus' komst bij de uitstorting Zijns Geestes, de vestiging van Zijne Evangeliekerk, de verwoesting van Jeruzalem, en de wegneming van de plaats en het volk der Joden, die de bitterste vijanden waren van het Christendom. Hier was de Zoon des mensen komende in Zijn koninkrijk. Velen van die toen tegenwoordig waren, hebben het beleefd, inzonderheid Johannes, die geleefd heeft tot na de verwoesting van Jeruzalem, en het Christendom gevestigd zag in de wereld. Laat dit Christus' volgelingen bemoedigen om voor Hem te lijden, dat hun onderneming voorspoedig zal zijn, de apostelen arbeiden aan de vestiging van Christus' koninkrijk, laat hen weten, ter hunner vertroosting, dat, welken tegenstand zij ook zullen ontmoeten, zij toch hun doel zullen bereiken, dat zij zullen zien van den arbeid hunner ziel. Het is voor lijdende heiligen een grote vertroosting verzekerd te wezen, niet slechts van de veiligheid, maar ook van de vordering en uitbreiding van Christus' koninkrijk onder de mensen, niet slechts in weerwil van hun lijden, maar door hun lijden. Het vooruitzicht des geloofs op den voorspoed van het koninkrijk der genade, zowel als op ons deel in het koninkrijk der heerlijkheid, kan ons goedsmoeds door ons lijden heen helpen. Dat hun zaak bepleit, hun dood gewroken, en met hun vervolgers afgerekend zal worden. Dat dit weldra zal geschieden, in de tegenwoordige eeuw. Hoe naderbij de verlossingen der kerk zijn, hoe blijmoediger wij behoren te wezen onder het lijden voor Christus. Ziet, de Rechter staat voor de deur. Er wordt van gesproken als van ene gunst jegens hen, die den tegenwoordigen somberen tijd zullen overleven, dat zij betere dagen zullen zien. Het is wenselijk om in de blijdschap der kerk te delen, Daniël 12:12. Christus zegt: Sommigen zullen leven, om deze heerlijke dagen te zien, niet allen, sommigen zullen het beloofde land binnengaan, maar anderen zullen vallen in de woestijn. Hij zegt hun niet wie zal leven om dit koninkrijk te zien, opdat zij niet zouden wanen onsterfelijk te zijn, maar sommigen van hen zullen het zien. Ziet, de Heere is nabij. De Rechter staat voor de deur, zo laat ons dan geduldig Zijne toekomst verbeiden.