Jeremia 32:16-25
Hier hebben wij Jeremia's gebed tot God ter gelegenheid van de onthullingen, die God van zijn plannen met dit volk, aan hen gedaan had om het namelijk neer te werpen en in verloop van tijd weer op te richten, wat de profeet zelf in de war bracht, die, hoewel hij zijn boodschappen getrouwelijk overbracht, toch, als hij er over nadacht, het volstrekt niet met zichzelf eens was hoe hij ze rijmen moest, in die verlegenheid stortte hij zijn ziel uit voor God in `t gebed en werd zo weer gerust. Wat hem hinderde was niet de onvoordelige koop, die hij voor zichzelf scheen gesloten te hebben door een akker te kopen, waarvan hij waarschijnlijk geen voordeel zou trekken, maar het lot van zijn volk, voor wie hij steeds een vriendelijke getrouwe bemiddelaar was, en hij was bereid te hopen, dat, als God zoveel genade tot later voor hen bewaarde, als Hij beloofd had, Hij nu ook niet met zoveel strengheid tegen hen op zou treden, als Hij gedreigd had. Voordat Jeremia in `t gebed ging, gaf hij eerst de stukken, die betrekking hadden op de pas gesloten koop, aan Baruch over, wat een wenk is voor ons, dat, als wij opgaan om God te aanbidden, wij de zorgen en beslommeringen van deze wereld zo goed mogelijk uit onze gedachte moeten bannen. Jeremia was in de gevangenis, in ellende, in het duister aangaande de bedoeling van Gods leidingen, en nu bidt hij. Het gebed is een balsem voor iedere smart. Wat ons tot last is, mogen wij in `t gebed op de Heere werpen en gerust zijn.
In dit gebed, of overdenking,
I. Aanbidt Jeremia God en Zijn onbegrensde volmaaktheid, en geeft Hem de eer van Zijn naam, als de Schepper, Onderhouder en Weldoener van de hele schepping, waarbij hij Zijn onweerstaanbare macht erkent, zodat Hij kan doen, wat Hij wil, en Zijn onbetwistbare soevereiniteit, zodat Hij het recht heeft, te doen wat hij wil, vers 11-19. Als wij te eniger tijd in `t onzekere zijn omtrent de bijzondere wegen en beschikkingen van de Voorzienigheid is het goed onze toevlucht te nemen tot onze eerste beginselen en onszelf te bevredigen met de algemene leerstellingen van Gods wijsheid macht en goedheid. Laat ons bedenken, zoals Jeremia hier doet,
1. Dat God de bron is van al wat bestaat van alle macht, leven, beweging en volmaaktheid: "Gij hebt de hemelen en de aarde gemaakt, door uw uitgestrekte arm, " en daarom wie kan Hem nagaan? Wie durft Hem tegenstaan?
2. Dat bij Hem niets onmogelijk is, geen moeilijkheid onoverkomelijk, "geen ding is U te wonderlijk." Als menselijke wijsheid en kracht ten einde raad zijn bij God is kracht en wijsheid genoeg, om allen tegenstand te overwinnen.
3. Dat Hij een God is van onbeperkte, grondeloze barmhartigheid, barmhartigheid is Zijn lievelingseigenschap, Zijn goedheid is Zijn heerlijkheid, Gij zijt niet alleen goed, maar. "Gij doet goedertierenheid, niet aan weinigen, niet aan deze en genen, maar aan duizenden, duizenden personen, duizenden geslachten."
4. Dat Hij een God is van onpartijdige en onbuigzame rechtvaardigheid. Zijn uitstel is geen kwijtschelding, maar als Hij de ouders in genade spaart, opdat het tot hun berouw mag leiden, toch heeft Hij zo'n haat tegen de zonde, en zo groot misnoegen tegen de zondaars, dat Hij hun "ongerechtigheid vergeldt in de schoot hunner kinderen," en hun toch geen onrecht doet, zo afschuwelijk is de ongerechtigheid des mensen, en zo ijverig op Zijn eigen eer is de rechtvaardigheid Gods. 5. Dat Hij een God is van algehele macht en heerschappij: "Hij is de grote God, want Hij is de machtige God, en onder de mensen is macht grootheid." Hij is de "Heere van de heirscharen," van alle heirscharen, dat is Zijn naam, en Hij antwoordt op deze naam, want alle de heirscharen van hemel en aarde, van mensen en engelen, zijn tot Zijn beschikking.
6. Dat Hij alles ten beste beschikt, en alles uitvoert, zoals Hij beschikt. "Hij is groot van raad," zo groot zijn de diepten en zo uitgestrekt zijn de plannen van Zijn wijsheid, en "Hij is machtig van daad" naar de raad van Zijn wil. Met zo'n God is niet te twisten. Wie Hem dient, moet er standvastig in blijven, en in al Zijn beschikkingen blijmoedig berusten.
II. Hij erkent de algehele kennis, die God neemt van al de handelingen van de kinderen van de mensen en het onfeilbaar oordeel, dat Hij over hen velt, vers 19:Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, waar zij ook zijn aanschouwende het boze en het goede, beide, de weg die zij nemen, en iedere stap, die zij doen niet als een belangeloos toeschouwer, maar ais een nauwlettend scheidsrechter, om een ieder te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht van zijn handelingen, want de mens zal God vinden, zoals hij door Hem gevonden wordt.
III. Hij brengt in herinnering de grote daden, die God tevoren voor Zijn volk Israël gedaan had.
1. Hij voerde ze op uit Egypte, het diensthuis, met tekenen en wonderen, die, ook zonder sporen na te laten, toch in de gedenkschriften bewaard gebleven zijn, "tot op deze dag", want het zou nooit vergeten worden, niet alleen "in Israël," dat er ieder jaar aan herinnerd werd door de instelling van het Paasfeest, "maar ook onder andere mensen, " al de naburige volken spraken ervan, als iets, dat uitermate tot verheerlijking van de God van Israël strekte, en Hem een naam maakte, als hij is te deze dage. Dit wordt herhaald, vers 21, dat God hen opvoerde, niet alleen tot hun troost en blijdschap, maar tot Zijn ere, met tekenen en wonderen (getuige de tien plagen), met een sterke hand, te sterk, zelfs voor de Egyptenaars, en met een uitgestrekte arm, die Farao bereikte, zo trots als hij was, "en door grote verschrikking" van hen en allen om hen heen. Dit schijnt te slaan op Deuteronomium 4:34.
2. Hij bracht hen in `t Land Kanaän, dat goede land, dat land, vloeiende van melk en honing. Dat Gij hun vaderen gezworen heeft te zullen geven, en omdat Hij Zijn eed wilde houden, gaf Hij het aan hun kinderen, vers 22, Zij zijn er ook ingekomen en hebben het erfelijk bezeten. Jeremia vermeldt dat, beide, als een verzwaring van hun zonde en ongehoorzaamheid en ook als een reden voor God om hun verlossing te werken. Het is goed voor ons na te denken over de grote dingen, die God vroeger voor Zijn kerk gedaan heeft, in `t bijzonder in de eerste oprichting, dat wonderwerk.
IV. Hij beweent de ongehoorzaamheid, waaraan zij zich schuldig hadden gemaakt tegen God, en de oordelen, die God wegens deze ongehoorzaamheid over hen gebracht had. Het is een droevig verslag, dat hij hier geeft van het ondankbaar gedrag van dat volk tegenover God. Hij had alles gedaan, wat Hij hun beloofd had (zij hadden het erkend, I Koningen 8:56), maar zij hadden niets gedaan van alles, wat Gij hun geboden hadt te doen, vers 23- Zij maakten ernst met geen enkele van Zijn wetten, zij wandelden er niet in, toonden geen ontzag voor de waarschuwingen, die Hij gaf door de profeten, want zij hebben uw stem niet gehoorzaamd. En daarom erkent hij, dat God rechtvaardig was, dat Hij hun al dit kwaad had doen bejegenen. De stad wordt belegerd, wordt aangevallen, van buiten door het zwaard, van binnen verzwakt en kwijnt ze door de honger en de pestilentie, zodat zij op het punt staat in de hand van de Chaldeen te vallen, die tegen haar strijden, vers 24, zij is in hun hand gegeven, vers 25. Nu, 1. Vergelijkt hij de tegenwoordige toestand van Jeruzalem met de Goddelijke voorspellingen, en vindt, dat, "wat Gij gesproken hebt, is geschiedt". God had hen tevoren en bijtijds gewaarschuwd, en als zij het waargenomen hadden zou hun ondergang voorkomen zijn, maar, als zij niet willen doen, wat God geboden heeft, kunnen zij niet anders verwachten, dan dat Hij doen zal, wat Hij gedreigd heeft.
2. Hij draagt de tegenwoordige toestand van Jeruzalem aan God op ter overweging en tot barmhartigheid, vers 24. Zie, de wallen! of bolwerken, of de werktuigen, waarvan zij gebruik maken om de stad te rammeien en de muren te beuken. En wederom: "En zie, Gij ziet het, en neemt er kennis van. Is dit de stad, die Gij gekozen hebt om uw naam daar te stellen? En zal ze aldus verlaten worden?" Hij klaagt niet over wat God gedaan had, en schrijft Hem niet voor, wat Hij doen moet, maar verlangt, dat Hij hun toestand zal bezien, en het doet hem goed te denken, dat Hij zulks doet. In alle moeilijkheden, van persoonlijker zowel als van publieken aard, kunnen wij onszelf hiermee troosten, dat God ze ziet en weet, hoe ze te verhelpen.
V. Hij schijnt verlangend dieper in de bedoeling ingeleid te worden van het bevel, dat God hem nu gegeven had om de akker van zijn bloedverwant te kopen, vers 25. Daar de stad in van de Chaldeën hand gegeven is, en niemand waarschijnlijk profijt zal hebben van wat hij heeft, evenwel hebt Gij tot mij gezegd: "Koop u dat veld." Zodra hij begreep, dat het Gods bedoeling was, deed hij het, en maakte geen tegenwerpingen, was niet ongehoorzaam aan het hemels gezicht, maar toen hij het gedaan had, verlangde hij beter te verstaan, waarom God hem bevolen had zulks te doen, want het scheen zo vreemd en onverklaarbaar. Hoewel wij verplicht zijn God te volgen met onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, toch moeten wij meer en meer trachten niet te gehoorzamen zonder te begrijpen. Wij mogen Gods inzettingen en rechten nimmer betwisten, maar wij mogen en moeten vragen: "Wat zijn dat voor inzettingen en rechten?" Deuteronomium 6:21.