6. En voor de troon was een glazen zee, die zich onmetelijk ver uitbreidde, kristal als een doorzichtige vlakte, zuiver als kristal, zoals aan de onafzienbare vlakte van de zee, als beeld zowel van het onmeetbare, als van de onvoorwaardelijke gerechtigheid en wonderbare heerlijkheid van de goddelijke oordelen (
Hoofdstuk 15:2 v.
Psalm 36:7;
89:15 Romeinen 11:33 v.). En in het midden van de troon d. i. in het midden van de voorzijde van de troon en rondom de troon, in het midden van de drie overige zijden van de troon, die als het ware dragend, maar zich toch vrij daaronder bewegend en bestendig draaiend en kerend (
Vers 8.
Hoofdstuk 15:7), vier dieren (liever: "levenden, levende wezens, namelijk Cherubs Deze 1:14, zijnde vol ogen van voren en van achteren. Met deze zagen zij in de wereld, die hen overal omgaf en namen hun dienst voor deze in voortdurende waakzaamheid waar, terwijl zij ook onophoudelijk licht en leven uit de volheid van God in zich konden opnemen. De vorige beelden zijn op de troon, om de troon en uit de troon; nu worden er ons ook twee voor ogen gesteld, die voor de troon zijn: zeven vuurvlammen, die zijn de zeven geesten van God en iets als een glazen zee, gelijk aan kristal.
Van de zeven geesten is reeds in Hoofdstuk 1:4 sprake geweest; daarmee zijn niet zeven verschillende persoonlijke geesten, maar de éne Heilige Geest in Zijn menigvuldige betoningen en krachten bedoeld. Evenals de drie bliksems, stemmen en donderslagen, de openbaringen van God in de natuurlijke wereld zijn, zo ook deze zeven geesten; daarom zijn zij ook voor de troon.
Zij betekenen het werken van God in de wereld door middel van Zijn Geest, die Zich in dit werken zevenvoudig openbaart en behoren bij het volgende beeld. De glazen zee is evenals het kristal, de ondoorgrondelijke en onoverzienbare zee van de wijsheid en kennis van God in het regeren van de wereld en van Zijn volk in het bijzonder, de zee van de uit die wijsheid voortvloeiende oordelen en wegen van God, de zee van die Godsgedachten en wegen, waarvan God reeds in Jesaja 55:8, zegt, dat zij hoger zijn dan de hemel boven de aarde is. Van deze zee is de aardse met haar diepte en wijdte, met de hele indruk, die zij van iets oneindigs geeft, slechts een zwak beeld en moge deze zee, die zich voor Gods troon uitbreidt en waarin de menigvuldige wijsheid van God, de zeven fakkels van de zeven Geesten van God zich spiegelen, ons hier beneden ook nog veelal donker en ondoordringbaar, door woeste storm bewogen, voorkomen voor de troon van God is zij stil en helder, doorzichtig als glas en heerlijk schitterend als kristal en volgens Hoofdstuk 15:2 komt de tijd, dat ook het volk van God aan de zee van kristal zal staan en alle vragen en alle klagen zich in aanbidding en bewondering, in lof en verheerlijking zal oplossen.
Terwijl de daden van de machtigste mensen, die ons in de wereldgeschiedenis zijn opgetekend, slechts aan beekjes gelijken, is Gods handelwijze evenals de zee oneindig; terwijl de vloed van menselijke vijandschap lijkt op de golven, die slijk opwerpen, zijn Gods rechterlijke daden als kristal zo helder en rein en terwijl de wateren van menselijke hartstochten een op en neergaan van de golven vormen, is God in al Zijn doen in verheven rust als de kristallen zee, die zich voor Zijnen troon uitbreidt. In de diepte van deze zee werpen de gelovigen al hun zorgen, als het hun bij het golfgebruis van de stromen van de wereld bang begint te worden en de tranen, die hun de angst in de wereld wil afpersen, worden afgedroogd, zodra de wolken voorbijtrekken, die hun het zien van deze zee voor de troon van God probeert te verbergen.
Wat de glazen zee betekent, ziet men in Hoofdstuk 15 uit het gezang van Mozes: "Groot en wonderlijk zijn uw werken, Heere! U almachtige God" enz. De glazen zee is een tegenbeeld van de Rode zee, waarin het Egyptische leger verdronk, dat Israël bedreigde en betekent zo hetgeen God als Rechter doet, wanneer Hij de zeven geesten van het oordeel over de wereld uitgezonden heeft. Zij betekent de wonderlijke daden van Zijn gerechtigheid, Zijn rechtvaardige en heilige wegen, waarmee Hij de bozen verdelgt en de Zijnen helpt. Ja, Almachtige! uw oordelen zijn als een zee; want groot, onnaspeurlijk en ondoorgrondelijk zijn zij, onpeilbaar diep als een zee, ja, als een wereldzee en zij verdelgen als rollende golven de boosheid van de mensen. U zij de aanbidding en de eer door de bewoners van het stof toegebracht! Tweemaal heeft de zee reeds de oordelen van de Allerhoogste uitgevoerd; bij de zondvloed en bij het vergaan van de Egyptenarenleger in de Rode zee. Hier is het beeld van een zee ontleend, om de onmetelijke diepte van de goddelijke strafgerichten aan te duiden. Het is een glazen zee, want de oordelen van God zijn rechtvaardig en onberispelijk; zij lijkt op kristal, want die oordelen zijn groot, vreselijk en heerlijk. In het Oude Verbond zien Mozes en de zeventig oudsten op de berg Sinaï onder Gods voeten als een werk van saffierstenen, dat eigenlijk kristal betekent en als de gestaltenis van de hemel in zijn klaarheid (als glas). Dit gezicht betekent, dat gerechtigheid en gerichten de vastigheden zijn van Gods troon. Ezechiël ziet de troon van God als de gedaante van kristal boven het uitspansel van de wolken. De verblindende glans van dat kristal duidt de heerlijkheid en het vreselijke van de goddelijke strafgerichten aan, terwijl de helderheid van het glas een zinnebeeldige voorstelling is van de rechtvaardigheid en heiligheid van deze oordelen. " Hoe vreselijk zijn zij voor de wereld! Hoe vertroostend voor Zijn Kerk! Terwijl de godvruchtigen behoedzaam de stroom van de goddeloosheid van de wereld ontwijken en de ogen sluiten voor de gruwelen, die zij zouden moeten aanschouwen, straalt hun de glazen zee, aan kristal gelijk, voor de troon van God in het oog van de Geest en zij mogen alle angsten, bekommeringen, smarten en gevaren, die hen kwellen, in de grondeloze diepte van Gods rechtvaardige oordelen en wegen werpen.
Wij vermoeden, dat dit zinspeelt op de vier hoofdbanieren, die er in het Israëlitische leger waren, ter vertegenwoordiging van het hele volk en ons aan de vertegenwoordiging van de hele Kerk of gemeente van de Heere denken doen, zoals de vierentwintig oudsten ons doen denken aan zo vele priesterordeningen, als er door David werden ingesteld en dus de vertegenwoordigers van al de getrouwe dienaren van God samen, daarom met de dieren de hele Godskerk voorstellend.
Hierdoor wordt noch wereld, noch Kerk, noch godsdienst verstaan, die in het Oude Testament van koper en duister zou zijn geweest en in het Nieuwe Testament doorluchtig is als glas; maar hier is een zinspeling op het koperen wasvat in de tempel, vaker "zee" genoemd, wegens de grote menigte water, die het houden kon. Dit helder water was tot afwassing en reiniging van de priesters, als zij dienen zouden en van de dieren, die geofferd zouden worden. Daardoor wordt verstaan de voldoening van de Heere Jezus door Zijn lijden en sterven, uit Wiens doorstoken zijde bloed en water vloeide, waardoor de gelovigen afgewassen worden van al hun zonden en met Zijn gerechtigheid bekleed worden; deze voldoening wordt een "zee" genoemd, wegens de voldoening tot zuivering van de gelovigen, tot rechtvaardigmaking en heiligmaking "een glazen zee, kristal gelijk", wegens de zuiverheid, zijnde Jezus het onbestraffelijke en onbevlekte Lam en wegens de volmaakte kracht van zuivering van de zielen; deze was voor de troon en voor het aangezicht van de Heere; hierop zag de Heere, hierin had de Heere Zijn welbehagen, hierin waren de gelovigen aangenaam, hierdoor naderden zij tot God en God tot hen. De dieren betekenen niet engelen, niet de verheerlijkten in de hemel, ook niet de vier evangelisten, ook niet vier apostelen, die in en om Jeruzalem hun bediening waarnamen, maar hierdoor worden de leraren verstaan, die God gebruikt tot opbouw van Zijn kerk; deze worden gezegd vier te zijn, ten opzichte van de vier winden, waardoor alle delen van de wereld vaker verstaan worden, waarin de dienaars gezonden worden, want God geeft op alle plaatsen voldoende leraars tot uitvoering van Zijn voornemen. Zij waren in het midden en rondom de troon, dat is, nabij God levende en zich in Zijn tegenwoordigheid houdend, zich ten dienste aanbiedend, op Zijn bevelen passend, van Hem tot hun werk uitgaande; dat zij vol ogen waren, geeft de nauwkeurige achtgeving op de Kerk te kennen en op alles, wat in haar omging, om er meteen bij te zijn, als hun hulp elders nodig was om het ontstelde terecht te brengen.
Men pleegde onder de tronen van de rechters of de stoelen van de koningen enige dieren te plaatsen en ze daarmee te versieren, zoals Salomo's stoel met leeuwen versierd was, zoals men lezen kan 1 Koningen 10 Op andere plaatsen is weer gebruik, dat bijzondere gedierten de wagens, waarmee de groten triomftochten hielden, voorttrokken. Op die wijze worden deze dieren, op menselijke wijze van spreken, bij de troon gebracht. God wordt ook in de profetische boeken op de Cherubs gevoerd, d. i. op Zijn goddelijke wagen. De profeet Ezechiël noemt de Cherubs dieren (Hoofdstuk 10). En het hele vervolg van de tekst bewijst, dat die plaats moet verstaan worden van Gods wagen, die door dieren wordt getrokken. De almogende God zit op deze troon. Een zitten is in de Schrift zoveel als een regeren. Zo wordt hiermee te kennen gegeven, dat God op alle schepselen gezeten is, dat is, dat Hij Zijn schepselen regeert en dat Hij alle dingen naar Zijn wijze Voorzienigheid werkt, elk schepsel gebruikend naar zijn eigen aard, naar Zijn goede en rechtvaardige wil. Bij deze dieren nu moeten wij verstaan, die aan de vier hoeken van de wereld verstrooid zijn, dat is, die in de hele wereld begrepen zijn.
De betekenis van deze symbolische gedaanten blijkt uit de naam, die zij dragen; zij heten levende wezens, zijn dus de vertegenwoordiging van de levende wezens, van al wat op aarde leeft. God komt in het Oude Testament vaker voor als tronend boven de cherubs, om Zijn onvoorwaardelijke verhevenheid boven al het aardse diep in de gemoederen in te prenten, die door de vrees voor Hem bewogen worden. Als de aardse schepping de gemeente van het Oude Verbond bevreesd maakte, richtte zij haar blik naar Hem, die op de cherubs Zijn troon heeft, en haar vrees verdween. Met die openbaring van God komt overeen het "God van de legerschaar" (Zebaoth), dat evenzeer uitsluitend doelt op de heerschappij over de machten van de hemels, evenals deze op de heerschappij over al het aardse. Overal is het gebied van de cherubs streng bij dat van de engelen afgebakend. De cherubs doen nooit de dienst van engelen of boden, fungeren nooit als dienstbare geesten, die tot dienst uitgezonden worden; hun werk is alleen onder de troon van God te zijn of de waarheid af te beelden, dat God de Heere van de hele schepping is, de God van de geesten van alle vlees; verder God te prijzen en te loven, omdat hun aanzijn reeds een feitelijk loven van God is; eindelijk een werkzaamheid te volbrengen bij de voorafbeelding van de oordelen, die de aarde vernietigen (Hoofdstuk 6:1, ; 15:7). Dat er vier zijn, is, omdat vier de signatuur van de aarde is.
De vier levenden zijn wezens, die de edelste gaven van de schepping, de onweerstaanbare kracht van de leeuw, de nuttige, vruchtaanbrengende werkzaamheid van de stier, de overleggende wijsheid van de mens en de snelheid van de vliegende adelaar, alles, wat deze koningen van de wildernis, van het vruchtdragend veld, van de lucht en van de hele aardse schepping onderscheidt, in zich verenigen; en deze wezens, die alle voorrechten van het geschapene verenigd voorstellen, zijn tevens door de ogen, waarmee zij overal bedekt zijn, voorgesteld als zuiver geestelijke wezens van veelzijdige, volkomen kennis. De ogen naar voren geven hun inzicht te kennen in de uitwendige wereld, de ogen naar binnen, die ook de ogen van binnen heten, dus op de troon en het inwendige ervan gericht zijn, betekenen hun zien ook in de diepten van de goddelijke gedachten over de wereld.
Evenals de vier dieren van Daniël (thèri a) het van God afgevallen en dus steeds dieper vervallend leven van de wereld voorstellen, dat ten slotte orgaan van de openbaring van de duivel wordt (Hoofdstuk 13, 17), zo de vier dieren van Ezechiël (zo a) het leven van de wereld in zijn hoogste bestemming, om een orgaan ter openbaring van de heerlijkheid van God te worden.
Zij zijn de verpersoonlijkte schepping, die zucht naar de openbaring van het geheim van de genade (Romeinen 8:19) en waarin eindelijk de heerlijkheid van God weerkaatst.