Openbaring 4:8-11
Wij hebben kennis genomen van hetgeen de apostel in den hemel zag, laat ons nu letten op het gezang, dat hij daar hoorde, want in den hemel wordt niet alleen gezien hetgeen een geheiligd oog in de hoogste mate behaagt, maar er wordt ook gehoord hetgeen een geheiligd oor ten hoogste verblijdt. Dit is waar ten opzichte der gemeente van Christus op aarde, welke een hemel op aarde is, en het zal bij uitnemendheid waar zijn van de volmaakte gemeente in den hemel der hemelen.
I. Hij hoorde het gezang van de vier dieren, de dienaren der gemeente, hetgeen ontleend is aan het gezicht van den profeet Jesaja, Hoofdstuk 6..
1. Zij verheerlijken den enigen God, den Heere God, den Almachtige, den onveranderlijke en eeuwige.
2. Zij verheerlijken drie heiligheden in dien enigen God, den heiligen Vader, den heiligen Zoon en den heiligen Geest, en dezen zijn een oneindig heilig en eeuwig Wezen, dat op den troon zit en in alle eeuwigheid leeft. In deze heerlijkheid zag de profeet Christus en sprak van Hem.
II. Hij hoorde de lofzeggingen van de vier en twintig ouderlingen, dat is: van de Christelijke gemeente, die door hen vertegenwoordigd wordt. De dienaren leiden en de gemeente volgt in de lofzegging aan God, vers 10-11. Merk hier op:
1. Het voorwerp van hun verering, hetzelfde dat de dienaren verheerlijken. Hem, die op den troon zit, de eeuwig-levende God. De ware gemeente Gods heeft een en hetzelfde voorwerp van aanbidding. Twee voorwerpen van aanbidding, hetzij gelijk in rang of het ene aan het andere ondergeschikt, zou de aanbidding tenietdoen en de aanbidders verdeeld maken. Het is ongeoorloofd zich in de godsverering te verenigen met hen, die een ander voorwerp van verering, of die meer dan een, hebben. Er is slechts een God, en Hij alleen moet als God vereerd worden door de gemeente op aarde en in den hemel.
2. De handelingen van aanbidding.
A. Zij vallen voor Hem, die op den troon zit, neer, zij bewijzen Hem de diepste onderdanigheid, eerbied en godvruchtige vreze.
B. Zij werpen hun kronen voor den troon: zij geven God de heerlijkheid van de heiligheid, waarmee Hij hun zielen op aarde gekroond heeft, en de eer en gelukzaligheid, waarmee Hij hen in den hemel kronen zal. Zij danken al hun genade en heerlijkheid alleen aan Hem, en erkennen dat Zijn kroon oneindig luisterrijker is dan de hun, en dat hun heerlijkheid beslaat in het verheerlijken van God.
3. De woorden der aanbidding. Zij zeggen: Gij, Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht, vers 11. Merk op:
A. Zij zeggen niet: Wij brengen U de heerlijkheid en de eer en de kracht, want wat kan enig schepsel voorgeven Gode te brengen? Maar zij zeggen: Gij zijt waardig te ontvangen enz. B. Daarmee erkennen zij uitdrukkelijk dat God boven alle zegening en prijs verheven is. Hij is waardig de heerlijkheid te ontvangen, maar zij zijn niet waardig Hem haar te brengen en niet instaat dat te doen zoals Zijn oneindige volkomenheden dat verdienen.
4. Hier hebben wij den grond en de reden van deze aanbidding, en die is vierledig.
A. Hij is de Schepper aller dingen, de eerste oorzaak, en alleen de Schepper aller dingen moet aangebeden worden, geen geschapen ding kan het voorwerp van godsdienstige verering zijn.
B. Hij is de Behouder van alle dingen, en dat behouden is een voortdurend scheppen, zij zijn en worden geschapen door den onderhoudenden wil en macht van God. Alle schepselen zijn afhankelijk van Gods wil, en geen afhankelijk wezen moet gemaakt worden tot een voorwerp van godsdienstige verering. Het deel van de uitnemendste afhankelijke wezens is aanbidders te zijn, niet aangebeden te worden.
C. Hij is de Eindoorzaak van alle dingen.
Door Uwen wil zijn zij en zijn zij geschapen. Het was Gods wil en welbehagen alle dingen te scheppen, Hij werd daartoe niet geleid door den wil van een ander, er bestaat geen ondergeschikte schepper, die handelt onder invloed van den wil en de macht van een ander, en indien hij bestond, zouden wij hem niet mogen aanbidden. Gelijk God alle dingen naar Zijn welbehagen geschapen heeft, zo schiep Hij ze ook tot Zijn welbehagen om met hen te handelen naar Zijnen wil en op de een of andere wijze in hen Zijn naam te verheerlijken. Ofschoon Hij geen lust heeft in den dood des zondaars, maar veel meer daarin dat deze zich bekere en leve, zo heeft Hij toch alle dingen gemaakt voor zich zelven. Spreuken 16:4. Indien dit nu de ware en voldoende gronden voor godsdienstige verering zijn, en alleen op God toepasselijk, dan moet Christus ook God zijn, een met den Vader en den Geest, en als zodanig aangebeden worden, want Hem worden dezelfde eigenschappen toegeschreven. Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen, en Hij is voor alle dingen en alle dingen bestaan tezamen door Hem, Colossenzen 1:16. 17..