23. En het licht van de kaars, hoewel dit zo zwak is, zal in u niet meer schijnen, die steeds in de glans van een menigte tempels en altaren, stralende van licht, heeft geschitterd. En de stem van een bruidegom en van een bruid zal in u niet meer gehoord worden; want er is voor u geen hoopvolle toekomst meer. Wat aan Juda en Jeruzalem is geschied voor een bepaald afgemeten tijd wel als straf voor hun zonde maar tevens tot kastijding, opdat de verwoesting weer van haar mocht worden genomen (
Jesaja 24:8 Jeremia 7:34;
16:9;
25:10;
33:11) zal aan u tot een eeuwige verwerping en verwoesting plaatshebben (
Hoofdstuk 17:16); want wat reeds
Jesaja 23:8, als hij van Tyrus spreekt, in u heeft veroordeeld, uw kooplieden waren, om nog een tweede schuld te noemen die in
Jesaja 47:9, wordt genoemd, de groten van de aarde, want door uw toverij zijn alle volken verleid geweest (
Vers 3. 17:2; 9:21 24. En wat een derde schuld van deze Rome betreft, die in het Oude Testament van haar voorbeelden Tyrus en Sidon nog niet zo bepaald kon worden gezegd, maar pas in haar eigen geschiedenis openbaar is geworden, in haar is gevonden het bloed van de profeten en van de heiligen en al van degenen, die gedood zijn op de aarde (
Hoofdstuk 17:6).
De ondergang van Rome brengt een gejuich in de hemel teweeg, evenals Rome zelf in haar tijd vreugdefeesten heeft gevierd en Te Deum's gezongen bij de tranen en het gejammer van de kinderen van God; ja zelfs apostelen en profeten verblijden zich over de val van de apostelstad, die, hoewel zij de graven van de profeten en apostelen bouwt en hun met kniebuiging eer bewijst, toch zo geheel onapostolisch geworden is, ja zelfs de vervolgster van de door hen verkondigde waarheid.
De gelovigen op aarde, die door de drie categorieën "heiligen, apostelen en profeten" worden voorgesteld (vgl. Hoofdstuk 11:18), terwijl het naast algemene begrip vooraan staat, vervolgens twee bijzondere klassen worden genoemd, omdat deze door Babels haat het eerst getroffen, (Vers 24) ook een bijzondere reden hebben, om zich over de wraak van de rechtende God te verheugen, worden naar de hemel gevoerd. Er moet worden uitgedrukt, dat voor het geheel van die allen, de ondergang van de stad een vreugdevol bewijs is van de gerechtigheid en heerlijkheid van hun God. Het oordeel, dat haar heeft getroffen (Vers 8, 10) wordt een oordeel van de gelovigen genoemd, in zoverre dit aan haar volvoerde gericht de rechtvaardiging en bevrediging van de door haar vervolgde, maar nu ook aan haar gewrokene gelovigen is.
Nu is het bloed van de heiligen, dat de valse Kerk met stromen vergoten heeft gewroken en de dag van de verlossing van de bruid uit de strikken van de hoer is nabij; moesten dan niet de heiligen met de apostelen, de stichters van de ware Kerk, de profeten en verkondigers van het oordeel over Babel hun vreugde uiten? Nu wordt vervuld wat eens de profeet (Jeremia 51:48) bij het zien op het oordeel over het Babel van de geschiedenis heeft geroepen: "en de hemel en de aarde, mitsgaders al wat daarin is, zullen juichen over Babel. "
De ene voorname vijand van Christus is geoordeeld; snel zal het oordeel ook die overvallen, die in duivelse leugen de troon op aarde meent te hebben gegrepen, die daar hoopt de gemeente van Christus op de aarde te verdelgen en op de duivel de verloren heerschappij weer te veroveren.
Kan de hele vernietiging van de afgevallen Kerk duidelijker worden voorgesteld, dan dat de zinnebeeldige handeling van de sterke engel in Vers 21 doet? Evenals een steen niet meer wordt gezien, als die in de stromen verdwenen is, zo zal de afgevallen Kerk niet meer worden gevonden.
Het is opmerkelijk, dat niet van een zware steen in het algemeen wordt gesproken, maar een molensteen wordt genoemd. Christus heeft toch gezegd (Mattheus 18:6), dat het hem, die ergernis geeft, beter was, als een molensteen om zijn hals was gedaan en hij in het diepste van de zee was geworpen. Daaraan moet zeker worden herinnerd; want het moet een reden hebben, dat het beeld van de rol met een steen bezwaard, in Jeremia 51:63 v. in dat van een molensteen wordt veranderd.
Wat een onnoembare ergernis heeft Rome reeds gegeven, niet alleen aan de zogenaamde ketters, maar ook aan zijn eigen aanhangers, in zoverre zij een kern van echt geloof en van ongehuichelde godsvrucht in zich hadden! Aan hoevele miljoenen kleinen en geestelijk zwakken heeft het zijn macht om te verblinden en te verleiden uitgeoefend! Daarom zal ook de molensteen aan de hals niet ontbreken.
Zeker hebben ook andere kerken ten tijde van haar ontaarding en door leer en leven van haar dienaren ergernis genoeg teweeg gebracht, maar geen andere Kerk heeft zich toch met haar geestelijkheid zo hoog verheven, als de Rooms-katholieke heeft gedaan, die het geloof aan haar vrijheid van dwaling en haar heiligheid, aan haar onbegrensde autoriteit en alleen zaligmakend gezag tot een onvoorwaardelijke eis voor allen heeft gemaakt, die in het algemeen op de naam van Christen aanspraak willen maken, zodat naar haar met alle middelen van geweld doorgezette en vastgehouden grondstelling van de heilige Christelijke Kerk, ja zelfs van het koninkrijk der hemelen zijn uitgesloten zovelen dit geloof niet aannemen. Daarmee en met de titel voor hun opperhoofd: "heilige vader, stedehouder en plaatsbekleder van Christus, hogepriester en bemiddelaar van alle geestelijke zegen in hemelse goederen", heeft zij voor God en mensen zich plechtig verbonden nooit een dwaling te begaan, geheel heilig en onberispelijk te wandelen, in elk geval het woord van de goddelijke waarheid tot de zuiverste uitdrukking te brengen en in het algemeen zich in een gedaante te vertonen, dat, die haar, haar paus, of enige van haar dienaren ziet, daaraan zou kunnen zien, op welke wijze Christus in Zijn gelovigen een gestalte moet verkrijgen (Galaten 4:19) en wie de volkomene man is, die gekomen is tot de mate van de grootte van de volheid van Christus (Efeze 4:13). Hoe ontzettend zwaar zal nu ook hare verantwoording zijn voor al dat boze, schandelijke en godslasterlijke, bij haar en door haar geschied, omdat dat alles tot een ergernis in de hele, volle betekenis van het woord wordt en als zij zelf moet bekennen, dat aan de namen van haar pausen veelal treurige herinneringen en aan de wandel van haar priesters vele aanstotelijke gebreken kleven, dan moet zij het zich nu ook laten welgevallen, dat men de profetie van de molensteen, die in zee wordt geworpen, ook in het bijzonder van haar verklaart. En opdat het recht daartoe in elk opzicht boven iedere twijfel wordt verheven, vraagt men zich af: wie anders dan aan een Kerk kan het gemaakt worden tot een verwijt dat het oordeel van de verwoesting meebrengt, dat haar kooplieden vorsten, groten waren op aarde? " Want aan de macht van de wereld heeft God het toegelaten, dat haar koningen heersen en de opperheren macht hebben, maar aan Zijn gemeente heeft Hij het verboden. En wie anders dan de Rooms-katholieke kerk verklaart het voor haar ongeschonden bestaan volstrekt noodzakelijk, dat haar opperhoofd het in onze dagen verloren wereldlijk gebied weer verkrijgt en doet tot bereiking van dit doel vele gebeden en offers en schrikt er ook niet voor terug als het nodig is, oorlog en bloed vergieten daartoe teweeg te brengen? Verder varagt men zich af: als dan zonder twijfel in onze afdeling gedoeld wordt op een Kerk, die is dan de Kerk, die getreden is in de voetstappen van het profetenmoordend Jeruzalem, waartoe hoofden en leidslieden de Heere in Mattheus 23:32, spreekt: "U ook vervult de mate van uw vaderen! opdat op u komt al het rechtvaardig bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardige Abel af tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia, die u gedood heeft tussen de tempel en het altaar? " Als ergens bloed als water wordt vergoten, zo merkt Bengel op, dan was dat voor Rome een genot, de grootste vreugdebetoningen worden daar gemaakt. Koning Karel IX in Frankrijk beroemde er zich in een schrijven aan Gregorius XIII op, dat hij 70. 000 Hugenoten had omgebracht en van 1518 tot 1548 moeten meer dan 15 miljoen Protestanten door de pauselijke inquisitie het leven hebben verloren. O, wij Protestanten, roept Rieger met recht uit, kunnen onze uitleiding uit de gemeenschap van zulke zonden en zulke straffen, zoals die op deze plaats voor ogen zijn gesteld, niet hoog genoeg waarderen; het mocht ons wel een drang zijg, om het Evangelie en van de daardoor verkregen vrijheid waardig te wandelen. Dit achttiende Hoofdstuk schetst het verwoestingswerk van den antichrist in Europa met zijn Avondlandse en Morgenlandse onderkoningen, van hun roofhorden en brandstichters-benden vergezeld. Hoe hij als antichrist met hen handelt, die hem niet aanbidden, hebben wij vroeger gezien; hoe hij inzonderheid met de Christenen te werk gaat, is ons uit het voorbeeld van Antiochus Epiphanes en uit de profeet Daniël bekend. Deze (Antiochus) is zijn voorloper als godsdienst-vervalser en heiligen-moordenaar, Attila, (9:11 de engel van de afgrond, de Appollyon en Abaddon en verderver) zijn type als moordenaar en brandstichter. De vrouw, die op het beest in de woestijn rijdt, of de hiërarchie, met de Christenheid tot de volksheerschappij overgegaan, zal de getuigen doden en de uitstekendste Christenen uit de weg ruimen. De antichrist zal er ook nog velen doden, waarschijnlijk al degenen, die wij onder de zevenduizend namen van mensen hebben te verstaan (11:13). Evenwel zal het getal van aanhangers van de toekomst-religie, die hem niet als God willen erkennen, het getal van de omgebrachte Christenen overtreffen. Terwijl hij zo in Europa huishoudt, om alle sporen van de vroegere godsdienst uit te roeien en een nieuwe tijd te beginnen, zullen zich die Joden (het volk van God, dat opgeroepen wordt om Babel te verlaten 18:4), die niet met hem te doen willen hebben, naar Palestina vluchten, terwijl anderen van hun stam zich bij de mens van de zonde aansluiten. Er bestaat in deze tijd geen Islam meer in het Morgenland, geen pausdom, geen Christenheid en geen volksheerschappij meer in het Avondland; Europa is in een woestenij verkeerd, de steden zijn gevallen en verwoest. De antichrist woedt met zijn breidelloze onheilstichters als een kudde van wilde roofdieren, en is met zijn verwoestingswerken in Europa nu gereed. Hij heeft een onberekenbare menigte van schatten bijeengehoopt en aan zijn getrouwen bereid het land als beloning uitgedeeld (Daniël 11:39). Nu zijn de hinderpalen uit de weg geruimd en de nieuwe tijd van zijn godsdienst op aarde vangt aan. Alleen weet hij niet, dat de vrouw in de woestijn is gevlucht en zich Joden te Jeruzalem verzameld hebben; hij meent dat de Christennaam van de aarde is uitgeroeid. Maar plotseling verneemt hij geruchten uit het Noorden en Oosten en trekt naar het Morgenland op om de Joden te vernietigen. Dat is, behalve het bijzondere bestuur van God (Ezechiel 38), de aanleiding, die hem met zijn geducht leger derwaarts voert. De beide Christussen, de ware in de hemel, de valse op aarde, maken zich tot een beslissend treffen gereed. Ezechiël in zijn indrukwekkende voorstelling van Gog (Hoofdstuk 38, 39) en Daniël 11:36-45 beschrijven ons de toerusting en oproeping, die aan de veldtocht van de antichrist voorafgaan. Het gejubel in de hemel over het oordeel van de grote hoer en de toerusting tot Christus' terugkomst, zijn veldtocht van de hemel neerwaarts op witte triomfrossen met de schaar van de volmaakt rechtvaardigen, die op die tijd tot de eerste opstanding zullen zijn gekomen, ontmoeten wij in Hoofdstuk 19 Met Hoofdstuk 18 zijn de zeven toornschalen, de zeven bazuinen en zeven zegels geëindigd en is Christus' terugkomst daar.
Zoals eens de klaagstem van Israël over Babel uitriep: "Het geweld, dat mij en mijn vlees is aangedaan, zij op Babel; en mijn bloed zij op de inwoners van Chaldea", "zoals Babel geweest is tot een val van de verslagenen van Israël, zo zullen te Babel de verslagenen van het hele land vallen"; zo wordt aan Rome niet alleen het bloed van de heiligen gewroken, maar ook dat van allen, die door deze stad van de gruwelen zijn vermoord. Haar verdelgende heerszucht bracht niet enkel de Christenen om, maar ook de heidenen. Zij was ten tijde van Johannes de grote moordenares en zij baadde zich in stromen bloed.
Door de hemel verstaan wij de inwoners van de derde hemel; de engelen en de zielen van de volmaakten. Als er blijdschap in de hemel is over één zondaar, die zich bekeert (Lukas 15:10); als de zielen van de gedoodde martelaren onder het altaar om wraak roepen (Openbaring :9, 10); als door de gemeente van engelen de veelvuldige wijsheid van God bekend wordt gemaakt (Efeze 3:10), waarom zou in de hemel, waar duizenden van martelaren en duizenden, die op aarde om de val van de antichrist gebeden hebben, geen kennis hebben van dit grote werk van God? En als de engelen het daar verkondigen, hoe kan het anders zijn, of zij verblijden zich en verheerlijken God daarover. Onder al de hemelingen worden de apostelen en profeten genoemd, omdat zij bijzondere liefhebbers zijn van de Kerk van God, zeer veel tot haar stichting en opbouw gedaan hebben en van de val van de antichrist de vervulling van hun profetieën zien, daarom wordt het oordeel over de antichrist hun oordeel, uw oordeel genoemd, namelijk, omdat zij het verkondigd hadden. Een herhaling van dezelfde zaak geeft de zekerheid te kennen en het vertonen door een zinnebeeld is tot verklaring en duidelijker bevatting. Een molensteen, in de zee geworpen, zinkt en kan er niet weer uitgehaald worden; zo zal Rome door groot geweld en krijgsmacht verwoest en verbrand worden, of verzinken en niet weer gebouwd noch door enig mens bewoond worden. Zie ditzelfde van het heidense Babylon (Jeremia 51:63, 64).
Zoals het antichristisch Rome niet geheel vóór Christus' toekomst verdelgd zal worden, noopt dit verder om hier niet alleen een tijdelijk oordeel te verstaan, maar ook het eeuwige, waardoor Babel in de helse poel zal worden geworpen, waaruit geen opkomst is, noch hoop van opkomst.