Openbaring 17:14-18
Hier hebben wij een voorlopige beschrijving van den val van Babylon, in het volgende hoofdstuk zal die uitvoeriger gegeven worden.
I. Hier begint een krijg tussen het beest en zijne volgelingen, en het Lam en Zijne volgelingen. Het beest en zijn leger is ogenschijnlijk veel sterker dan het Lam en Zijn leger, hoe, zo zou men denken, kan een leger met een Lam aan het hoofd standhouden tegen een heirmacht, die aangevoerd wordt door den groten roden draak. Maar:
II. De overwinning wordt behaald door het Lam. Het Lam zal hen overwinnen. Christus moet regeren tot al Zijn vijanden onder Zijne voeten gelegd zijn, Hij weet dat Hij zeer vele vijanden heeft en veel tegenstand zal ontmoeten, maar Hij is ook zeker van de volkomen overwinning.
III. Hier wordt ons de oorzaak en de reden van deze overwinning aangeduid.
1. Door den persoon van het Lam: Hij is een Heere der heren en een Koning der koningen. Hij heeft, zowel van nature als door bediening, de opperheerschappij over alle dingen, alle machten van aarde en hel zijn aan Zijn gezag en leiding onderworpen.
2. Door de personen van Zijn volgelingen.
Met Hem zijn de geroepenen en uitverkorenen en gelovigen. Zij zijn tot dezen krijgstocht geroepen, zij werden er voor toegerust en bekwaam gemaakt, zij zullen er als gelovigen getrouw in zijn. Zulk een leger onder zulk een bevelhebber zal ten slotte de gehele wereld overwinnen.
IV. De overwinning verkrijgt nog veel groter betekenis door:
1. De verbazend grote menigte, die gehoorzaamheid bewezen en onderworpen waren aan het beest en de hoer. Zij zat op, (dat is: zij heerste over) vele wateren, en deze wateren zijn volken, en scharen, en natiën en tongen. Zij regeerde niet alleen over koninkrijken, maar ook over koningen, die haar schatplichtigen en leenmannen waren, vers 15, 18.
2. Den machtigen invloed, dien God hierdoor toont over de geesten der mensen te hebben. Hun harten waren in Zijn hand en Hij wendt en keert ze zoals het Hem behaagt, want:
A. Het was van God en overeenkomstig Zijn wil, dat deze koningen hun koninkrijk aan het beest geven, zij werden door Hem rechtvaardig verblind en verhard om dat te doen.
B. Het was later evenzeer van God dat hun harten tegen de hoer gekeerd werden, om haar te haten, en haar woest te maken, en haar vlees te eten, en haar met vuur te verbranden, vers 16. Zij zullen ten laatste hun dwaasheid inzien, en hoe zij door het pausdom zijn betoverd en tot slaven gemaakt. En zij zullen in billijken toorn, niet alleen van Rome afvallen, maar tot werktuigen in Gods hand dienen om haar te verwoesten.