8. Daarom, opdat zo'n eigen roem en die dwaze mening op beschamende wijze vernietigd worden, zullen haar plagen, die haar reeds zijn bestemd in hetgeen de tien horens van het dier haar zullen aandoen (
Hoofdstuk 17:16 v.), op een dag komen (
Jesaja 47:9), namelijk dood, waarbij men haar vlees eet en rouw als men haar naakt en honger als men haar woest maakt en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God (
Hoofdstuk 1:8 Amos 5:27), die haar oordeelt en voor haar, die zich "de sterke" Roma noemt, reeds het vonnis heeft geveld; dat Hij ook zeker zal volvoeren.
a) 1 Thessalonicenzen 2:8
Het is niet wel mogelijk de woorden van het bevel in Vers 6 v. te beschouwen als gericht tot de tien koningen (Hoofdstuk 17:16 v.), zoals de uitleggers meestal willen. Reeds daarom kan dat niet, omdat onmiddellijk (Vers 4 v.) een bevel is voorafgegaan, dat tot bepaalde, geheel andere personen gericht was, en nu door niets wordt aangeduid, dat met het nadere bevel ook deze zou aangaan. Aan die koningen kan men daarom te minder denken, omdat zij in het gezicht, dat met ons hoofdstuk begint, nog in het geheel niet zijn voorgekomen. De uitleggers zijn alleen tot die mening gekomen, omdat zij die van te voren als volk van God zijn voorgesteld, toch niet de uitvoerders van het gericht konden zijn, integendeel "de Heere Zijn volk voor de Dienst van scherprechter te goed was" en omdat in het bijzonder een wraak nemen, vooral zo'n wraak, dat met dubbele mate vergeldt, aan dit volk niet passen zou, het dus het allerminst door God zelf zou kunnen worden aanbevolen. De laatste tegenspraak nu wordt snel weerlegd door hetgeen wij in Hoofdstuk 6:10 hebben gelezen van de zielen onder het altaar, die om oordeel en wraak schreien voor het bloed en dan geenszins berispt worden, maar met een latere tijd vertroost. Ten opzichte van het eerste moet worden gezegd, dat de kinderen van God zeker niet hun arm in hun vuist ertoe zullen lenen, om de dienst van scherprechters te verrichten, in dit geval moeten de tien koningen arm en vuist ertoe lenen en hun haat tegen de hoer zal arm en vuist met duivelswoede wapenen, zodat het woest maken en verbranden op gruwvolle wijze wordt teweeg gebracht. Toch zullen deze tenslotte daarmee toch eigenlijk niet hun eigen haat dienen en een duivels werk volbrengen, zodat de hoer nog de roem hebben zou van een soort van martelaarslijden en haar lot in enige verwantschap zou staan met het kruis, dat de Kerk als navolgster van de Heere moet dragen; maar, zonder het te weten of te willen, volbrengen zij een goddelijk werk en ook het ergste, dat zij doen en dat een dubbel werk is, of een overmaat van straf, is toch, als in de plaats van Gods volk gedaan, slechts de overeenkomende vergelding voor het dubbele, of de overmaat, die de hoer aan het volk van God van vroegeren tijd af heeft gedaan door haar werken, die zij tegen dit heeft verricht (Mattheus 7:2). En tot deze werken behoort niet alleen de vervolging van degenen, die vroeger om het ware geloof tegen de hoer getuigenis hebben afgelegd en de gemeenschap met haar hebben verbroken (Hoofdstuk 17:6), maar ook de verblinding en verstrikking en het gevangen houden van zovele duizende oprecht gezinde zielen, die zij al de eeuwen van haar heerschappij op valse wegen heeft geleid en al wat de Heere wilde en moest dienen, in eigen dienst heeft ingetrokken; op het laatste wordt gezien met de "ingeschonken beker. " De vergelijking van de plaats Jeremia 50:29 is hier niet zeer juist; want daar wordt Gods woord rechtstreeks gericht tot de verwoesters van het wezenlijke geschiedkundige Babel en deze waren nog zelf Gods uitverkoren werktuigen tot verlossing van Zijn volk en diens geroepene plaatsbekleders; de tien koningen in Hoofdstuk 17 van ons boek zijn daarentegen de horens van het dier en hebben op het volk van God in het geheel geen betrekking. Dit is integendeel door de Heere zelf reeds bevrijd van de macht en de gemeenschap van de hoer en, als van een betalen en vergelden volgens opdracht van God sprake zal zijn, dan heeft Gods volk daarvan uitsluitend en alleen de eer, terwijl de koningen voor hun persoon slechts het dier dienen; onze plaats wordt daarom gedekt door hetgeen in Psalm 58:11 gezegd wordt. Er wordt namelijk uiteengezet, welk aandeel Gods kinderen hebben van Babylons val (vgl. Vers 20), terwijl in vers 9-19 het aandeel van de kinderen van deze wereld volgens de gedachten en wensen, de sympathieën en belangen van hun hart, voorgesteld is. In hoofdzaak laat Kemmler zich juist uit over de inhoud van de woorden in Vers 6, 7a, als hij ook het bevel beschouwt als tot het dier zelf en diens aanhang gericht: "Daardoor moet het volk van God weer vergelding doen, dat het het onrecht, van Rome ondervonden, de werken van Rome in hun ware gesteldheid openbaar maakt en daardoor zijn einde als een rechtvaardig lot voor de hele wereld tentoonstelt. Rome moet in zijn laatste ellenden niet eens de ingebeelde vertroosting hebben, een martelaarslijden te ondergaan, zo als het zich daarmee vroeger vaak bij eigen schuld (en nu ook weer in deze tijd) getroost heeft. Het volk van God moet door openbaring van de waarheid er toe bijdragen, dat deze moeilijkheden voor de hele wereld als rechtvaardige vergelding voorkomen, als straf voor de vervolging, door haar zelf verricht. En heeft Rome de dienstknechten van God rijkelijk de bittere kelk van versmading ingeschonken, heeft het hen vooral daardoor bedroefd, dat het waarheid als dwaalleer en haar belijders als ketters veroordeeld heeft, zo zullen zij nu door openlijk en zonder achterhouden de afval van Rome te openbaren, duidelijk maken, dat Rome dubbel datgene misdaan heeft, waarvan het anderen aanklaagt. Onze plaats van Rome te verklaren, daartoe ziet zich ten slotte ook Steffann bij 7b en 8 genoodzaakt, hoe geneigd hij ook overigens is om ook andere kerkelijke toestanden in de gezichten van Babel mee in te trekken. Zie daar zo schrijft hij die hoogmoedige gerustheid, die zich in het woord Vers 7b uitspreekt een treffende voorstelling van de Roomse kerk! Men zou die gerustheid groots kunnen noemen, als zij niet een zo ontzettend getuigenis gaf van de diepe verblinding, waarin die Kerk gesloten ligt. Dat geven de ware leden van de Kerk van de hervorming graag toe, dat de Kerk in haar geschiedkundige ontwikkeling sinds de dagen van de apostelen kan dwalen en ontvluchten daarom, waar zij gedwaald en gezondigd hebben, met smartvol berouw tot de Heere, die hun het zuivere en zekere woord van God heeft gegeven, de lamp voor hun voet en het licht op hun pad. De bovengenoemde Kerk daarentegen kent voor de Kerk het woord "berouw" evenmin als voor haar conciliebesluiten het woord "dwaling. " "Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe" dat is reeds lang de getuigenis van haar trotsheid. Ja, zij is een koningin; zij heeft sinds haar Gregorius VII in haar Urbanussen, Innocentiussen en Bonifaciussen haar nek gezet op keizers en koningen. Zij heeft zich heerlijk gemaakt en is weelderig geweest, en heeft de koningen en volken hun onderworpenheid aan haar met de drank van een beker van de bedwelming vergolden, met valse leer, met bevlekte dienst, met wetenschap, die in het heidendom was teruggezonken; zij heeft nog in onze dagen door de onschriftuurlijke plaats, door de heilige maagd gegeven, bij de oude een nieuwe gevoegd; welnu, als haar mate vol is geworden, als zij tot de vorm zal zijn gekomen, waarin de heilige Johannes haar ziet, dan zal ook vervuld worden wat de stem van de hemel hier heeft gesproken.
In Hoofdstuk 15:6 komen de zeven engelen, die de zeven plagen hadden uit de tempel. Door middel van de hervorming van de Kerk zouden de plagen over de antichrist komen; zo ook deze, hetzij dat de verwoesters van Rome in belijdenis tot de Kerk zouden behoren, hetzij dat zij helpers zouden zijn en dat met hen zullen aanspannen degenen, die wel enig licht uit de hervorming kregen en daarom de antichrist vrijmoediger zullen durven aantasten, maar nog blijven hangen aan de paapse godsdienst en de leken van de Kerk zouden deel hebben aan de verwoesting van Rome, hetzij met daden, hetzij met gebeden tot God, hetzij met de verwoesters tot het werk uit Gods Woord aan te zetten. Rome zou geheel zorgeloos zijn en nergens minder op denken, dan op haar verwoesting. Zij zou zich inbeelden, dat Rome koningin van de aarde zou blijven tot het einde van de wereld en nooit aan enig kwaad onderworpen zijn, maar zij zou dubbele straffen hebben; haar zou dubbel vergolden worden al het kwaad, dat zij van de Kerk aangedaan had. Zij zou verwoest en verbrand worden, zoals Jeruzalem en tot een puinhoop zonder inwoners blijven liggen; haar verwoesting zou op één dag komen, schielijk en tegelijk onverwachts.
Hoe moet worden verklaard, dat Gods volk vergeldt. Niets verhindert Gods volk aan te merken als werktuigen van Zijn wraak, meewerkende tot verdelging van het vijandig Babel, lichamelijker wijze onder godvruchtige vorsten het zwaard met recht dragend, geestelijkerwijze door het zwaard van Gods woord en de kracht van de Geest. De wraak wordt door God zelf bevolen; het volk wreekt dus niet, maar God door het volk.
Dit moet niet zo verstaan worden, dat God alle volken, die de ware godsdienst aanhangen, tot bijzondere wraak wil nopen, dat met de heilige wet van de Heiland niet zou overeenkomen, maar de zin van de profetie is, dat God door Zijn voorzienigheid gelegenheid zal geven aan de koningen en vorsten, om Zijn oordelen tegen Babel uit te voeren, waarvan zij zelf begrijpen zouden, dat zij Gods eer en het welzijn van de Kerk zouden bevorderen, in welke oordelen men duidelijk zou zien, dat Gods gerechtigheid de plagen, die de vijanden van de waarheid aan de Kerk hadden toegebracht, volgens de strengste wet van wedervergelding met de zwaarste straffen wilde vergelden; dus zullen zij niet hun eigen, maar Gods zaak behartigen en uitvoeren, daartoe geleid door gelegenheid, die God zelf zal doen voorkomen en door rechtvaardige redenen daartoe aangezet. Het zal daarom veeleer het werk van God, dan van de mensen zijn, zoals het Gods zaak is en niet de zaak van de mensen.