64. En gij zult zeggen: Alzo, gelijk deze steen met de rol des boeks in de wateren van den stroom is weggezonken, zal Babel zinken, verwoest en voor altijd uit de ogen der mensen weggedaan worden; enhet zal niet weer opkomen van wege het kwaad, dat Ik over haar zal brengen, en zij zullen mat worden, zij zullen vergaan, gelijk de Heere gezegd heeft. Tot hiertoe zijn de woorden van Jeremia; want het laatste Hoofdstuk bevat gene voorzegging van Jeremia meer, maar is een geschiedkundig aanhangsel.
Met opzet besluit Jeremia zijne mondelinge opdracht aan Seraja met dezelfde woorden (in den grondtekst met Jafoe), waarmee hij zijne grote profetie tegen Babel ook gesloten heeft.
Gelijk hij reeds in Vers 62 zorg had gedragen, dat door overeenkomst in woorden de inhoud aan het geschrift, dat gelezen moest worden, duidelijk werd aangeduid, zo wilde hij iets dergelijks ten opzichte van hetgeen wegzinken moest, door een citaat verkrijgen, dat niet moest worden misverstaan. Nu kwam het den Profeet zeker als aanwijzing genoeg voor, dat als het ware een echo en weerklank van de profetie, die in den stroom wegzonk, het laatste woord daaraan uit den mond van den bode klonk.
Vragen wij eindelijk nog naar de vervulling der profetie tegen Babel, zo zijn hier hij twee punten op te merken: 1) dat de profetie zowel wat haar opschrift aangaat, zo ook naar haren inhoud niet alleen tegen de stad Babel, maar tevens tegen het land der Chaldeën gericht is, dat zij dus in `t algemeen de verwoesting en vernietiging van het Chaldeeuwse rijk of den ondergang van de wereldmacht Babel verkondigt, en de verovering en verwoesting van de hoofdstad Babylon slechts in zoverre wordt op den voorgrond gesteld, als met de hoofdstad het Babylonische wereldrijk viel, en de heerschappij der Chaldeën over de volken haar einde bereikte; 2) dat de profetie behalve deze geschiedkundige zijde nog ene bedoeling heeft, die wel niet sterk op den voorgrond treedt, maar toch niet geheel gemist wordt. Volgens deze is Babel als toenmalige bezitster van het wereldrijk vertegenwoordigster der Gode vijandige wereldmacht, welke ten allen tijde het rijk van God zoekt te onderdrukken en te vernietigen: De vervulling der geschiedkundige zijde onzer profetie begon met de inneming van Babylon door de legermacht der Meden en Perzen, die onder Cyrus waren verenigd, en de daardoor veroorzaakte oplossing van het Chaldeeuwse wereldrijk. Daardoor werd Israël uit de ballingschap verlost, daar Cyrus toestemming gaf om naar het vaderland terug te keren en tot het wederopbouwen van des Heeren tempel te Jeruzalem (2 Kronieken 36:20 Ezra 1:1). Bij deze verering werd Babylon niet verwoest en volgens Herodotus bleven ook de muren ongedeerd, terwijl volgens een ander bericht Cyrus het omverwerpen van den buitensten muur zou bevolen hebben. Cyrus bestemde Babylon naast Susa en Ecbatana tot derde hoofdstad der rijks en tot winterverblijf der Perzische koningen. Eerst Darius Hystaspes, die ten gevolge van een opstand Babylon in 518 ten tweede male moest veroveren, liet de muren tot op 50 ellen verlagen en de poorten afbreken, Xerxes beroofde de stad van het gouden Belusbeeld en liet den Belustempel verwoesten. Alexander stelde zich niet alleen ten doel het heiligdom van Bel weer op te bouwen, maar wilde ook de stad tot hoofdstad van zijn wereldrijk maken; hij werd echter door zijn vroegtijdigen dood verhinderd, dat plan ten uitvoer te brengen. Het eigenlijk verval van Babylon begon, toen Seleucus Nikator slechts 300 stadiën van daar Seleucië aan den Tiger bouwde. Strabo (geb. 60 v. C.) noemt de stad reeds een volkomene woestijn. Dit verval werd onder de heerschappij der Parthen bespoedigd, zodat nog slechts ene kleine ruimte binnen de muren werd bewoond, het overige als veld werd gebruikt. Overigens woonden daar nog eeuwen lang vrij vele Joden. De ideale punten onzer profetie heeft de Evangelist Johannes in de Apocalyptische schildering van de grote stad Babylon opgenomen (Openbaring 6) wier val eerst zal plaats hebben bij de volmaking van het rijk Gods in heerlijkheid door de wederkomst onzes Heeren. ,
Stellen wij ons nog eens de betekenis van Jeremia's voorzeggingen tegen de Heidenen voor. Jeremia's God is de Heere aller Heidenen en regelt hun lotgevallen. Naar hun werken ontvangen zij, en wel hoofdzakelijk naardat zij zich omtrent de gemeente Gods hebben gedragen. Zij haasten zich ten ondergang, want slechts één volk is eeuwig. Dat is het volk, hetwelk door duizend zeven wordt gezift en in vergelijking met andere volken, als het ware geen volk is. Wat aan Israël is even als aan de andere volken, dat gaat ook bij hem te niet, en alleen wat het boven de natiën vooruit heeft, dat blijft eeuwig. Het meest voorzegt Jeremia tegen Egypte, Moab en Babel, waarin de weelde, het benijdende en bespottende der kleingeestige wereld en de overheersende grootheid worden gestraft. Wie het heden recht begrijpt ziet hier gene predikingen aan lang voorbijgegane geslachten, maar aan de van deze wereld doortrokkene natuurlijke mensheid, zo als zij zich steeds met nieuwe namen nu eens zo dan zo, en toch steeds weer naar denzelfden vleselijken aandrang en op denzelfden grond vormt. Wie Jeremia zo verstaat, in dien is hij weer levend geworden, en in dien is het oude Joodse verhaal vervuld, dat Jeremia moest wederkomen, voordat het Messiaanse rijk heerlijk kon opwassen. Ja laat u Jeremia zich recht openbaren tot leeddragen, zo zal u ook Christus melde Hosianna's zijner eeuwige discipelenschaar niet mede verborgen zijn, en aan Hem zult gij alles hebben.
Was Babel sinds lang en op de geduchtste wijze de roede der kastijding van vele volken in de hand des Allerhoogsten, zagen wij dit reeds uit de geschiedenis in onderscheidene opzichten, en hebben de laatst beschouwde Godspraken van Jeremia daaraan bij vernieuwing bevestiging gegeven, dan levert ons het thans geleerde een bewijs, dat de beker van Gods gramschap ten laatste tot dat machtige volk zelf komen moest, en dat de Babyloniërs zijn droesem hebben moeten ledig drinken. Aan Babels zijde was toch geen andere drijfveer dan de zucht tot verovering, geen ander doel dan om alle volken aan hare rijksscepter te onderwerpen. Schrik en vrees joeg zij al de natiën van het Oosten aan, verwoesting en verdelging werden allerwege door hare macht gesticht, en weldra- wordt haar toeleg slechts vervuld-bestaan er gene volksstammen meer, die aan haar niet onderworpen zijn. Stond het nu den hogen en vrijmachtigen God vrij, Zich van dezen toeleg van Nebukadnezar en zijne nazaten te bedienen ter kastijding van onderscheidene natiën, dit in trotsheid, zedeloosheid en afgoderij verzonken lagen, om ook Zijn volk, hetwelk tegen Hem zwaarlijk gezondigd had, Zijn straffend ongenoegen te doen ondervinden, aan des mensen zijde evenwel bezondigden de Chaldeën zich met al die oorlogen en verwoestingen, inzonderheid met de verdelging van Jeruzalem en Jehova's tempel en de gevangenhouding der Israëlieten; en het was daarom, naar het recht van Gods gerechtigheid, dat Jehova's oordelen tot Babel moesten wederkeren, en dat deze om die reden des te geduchter moesten zijn, naarmate de verwaten trotsheid en euvelmoed der Babyloniërs des te sterker waren, en zij den Opperheer der ganse aarde des te meer getergd en beledigd hadden. Lezen wij dit alles, zelfs bij de herhaling, in deze brede Godsspraak, spreekt dat ten sterkste in de letterlijke en volkomen vervulling dezer profetie, en getuigt daarvan nog heden ten dage de gedaante van dat eertijds machtige, maar nu sinds eeuwen verwoeste land, overeenkomstig de berichten der latere reisbeschrijvers, op ene treffende en ontroerende wijze, dan zeggen wij het aan ons zelven en elkaar, gelijk Israël het destijds zien en zeggen moest, dat ieder volk, hoe machtig en aanzienlijk ook op deze aarde, geheel van God en Zijn bestuur afhankelijk is, en geen ogenblik langer kan blijven bestaan, dan naar Gods bepaalden wil en raad; dat de versmading en miskenning van den Opperheerschappijvoerder, de vijandige bejegening der gemeente Gods en Zijns Gezalfden, en verwaten hoogmoed de oorzaken van den ondergang zoveler natiën op aarde zijn, en dat de Heere de vijanden der Kerk ten alle tijde gewis en geducht straffen zal. Babels naam staat van de vroegste tijden af door de gehele Schriftleer, tot in het laatste Bijbelboek toe, in een ongunstig licht als de vijand der gemeente des Heeren; haar eerste gedachte en algehele val heeft het beeld tot den nieuwen dag overgebracht, en wij verwachten, dat de machtigste vijand der kerk onder dien naam voorgesteld eens gewis vallen zal. Alle Godswoorden zijn waarheid geweest en zullen verder waarheid bevonden worden. Niet ongepast was daarom het bevel, om de geschreven rol, met Babels rampen en ondergang vervuld, in de wateren van den Eufraat te werpen, tot een gepast zinnebeeld van de gehele uitroeiing en verdelging van dezen machtigen en zeer geduchten Staat, waarvan nog de treurige overblijfselen tot getuigen verstrekken. Zo zeker deze aankondiging is vervuld en door de geschiedenis gestaafd, zo gewis zullen alle beloften en alle bedreigingen waarheid worden, die de Heere over vrienden en vijanden heeft gedaan. Is het ons midderwijl kenbaar, ook uit het thans gelezene, dat alles om der kerke wil is, hetzij de Heere nodig oordeelt haar te kastijden of te verlossen, dan is het onze roeping tot die kerk te behoren ons aan haar zeer nauw te sluiten en op de stem onzes Heilands acht te geven; dan past het ons te vragen, waarom de Heere Zijne gemeente dikwijls kastijdt, en gade te slaan wat Hij ons met Zijne roede leren wil; maar voegt het ons ook, in donkerheid en nood Hem te verbeiden, die het niet dulden kan, dat de scepter der goddelozen altoos rusten zal op het lot der rechtvaardigen, en dat Zijne kerk wordt onderdrukt. En vonden wij ten laatste in den aanvang van het gelezene ene tekening van de wederkering der Joden uit Babel (Hoofdstuk 50:4, 5), deze doet ons denken aan de wederkering van ware godsvrucht tegen beiden uit Israël en Juda, en levert ons ene behartigingswaardige schets van de ware heilbegeerte van wederkerende zondaren tot God en ene proeve hun aller gewenst geluk. Zet men toch door Gods verlossende genade, eenmaal den voet op den weg des vredes, dan gaat men al wandelende en in ootmoed al wenende voort, dan gaat men heen, om den Heere als zijn Verbondsgod te zoeken, men vraagt naar Zion, alwaar alleen rust en heil te vinden is, en op den weg derwaarts zijn de aangezichten gericht dergenen, in wier harten de welgebaande wegen zijn. En kunnen wij dit, kan dit naar waarheid van ons gezegd worden, hoe groot en heerlijk zijn dan de heilsbeloften, welke hier met zovele woorden staan uitgedrukt. Is het niet: zij zullen komen, en ligt daarin niet opgesloten de vervulling van hun verlangen, de bereiking van het doel? Ja, volkomen zal dat zijn, want zij zullen den Heere worden toegevoegd; en wat ontbreekt er nog, als wij hier de bestendige zekerheid van het grootste en gewenste heil vinden mogen: het eeuwige verbond zal niet vergeten worden? Heeft de Algenoegzame met ons een verbond gemaakt, en ons niet alleen daarin opgenomen, maar ook door het geloof ons daaraan deel doen nemen, is dat verbond een eeuwig verbond, dat onberouwelijk blijft, en geeft Hij zelf ons de verzekering, dat het niet zal vergeten worden, dan mogen onze harten gerust daarop nederzinken en vastelijk steunen, in de verwachting, dat Zijne genade ons al dat goede zal schenken, wat in de belofte des verbonds lag opgesloten, en wij voor eeuwig des Heeren zijn mogen.