19. En zij wierpen, ten teken van diepe rouw, stof op hun hoofden en riepen, wenend en rouw bedrijvend, zeggende: "Wee, wee, de grote stad! waarin allen, die schepen in de zee hadden, van haar kostelijkheid rijk geworden zijn; watzij is in één uur verwoest geworden (
Hoofdstuk 17:16).
Aan de zijde van de koningen op aarde (Vers 9) staan de kooplieden op aarde (Vers 11); daarbij komen dan zij, die met de zee te doen hebben (Vers 17). De algemene tegenstelling tegenover die allen vormt in de volgende afdeling (Vers 20) de hemel met zijn bewoners, want deze zucht, terwijl aarde en zee weeklagen. Bij alle drie, de koningen, kooplieden en schippers, wordt vermeld, dat zij van verre stonden (Vers 10, 15, 17); bij alle drie begint de klacht met de woorden: "wee, wee de grote stad! " en eindigt met de woorden: "zij is in één ure verwoest geworden" (Vers 10, 16 v. en 19). Dit overeenkomstige verhoedt het van elkaar scheiden van de afzonderlijke schilderijen en toont aan, dat zij bij elkaar behoren. Wat nu in de eerste plaats de koningen aangaat, degenen, als volgens de tegenwoordige betekenis van dit woord, als door God beschikte en erfelijke regenten, zijn in de tijd, waarin Babels val plaats heeft, niet meer aanwezig, maar de geweldhebbers, die in Hoofdstuk 17:12 onder het beeld van de tien horens van het beest bedoeld zijn, zijn dan reeds op het toneel. En omdat deze volgens Hoofdstuk 17:16 de hoer haten en haar vernietigen, dus niet kunnen worden gerekend onder de koningen, die haar bewenen en beklagen, vindt hier een dergelijke klacht uit hun hart en in hun geest plaats, als wanneer in Jeremia 31:15 en Mattheus 2:17 v. van Rachel wordt gezegd, dat zij haar kinderen beweent. In het gezicht stijgen als het ware hun schimmen uit de aarde op, staan spookachtig van verre en verkondigen hun deelneming, zoals dat ook van de kooplieden en schepelingen wordt gezegd, waaronder niet bedoeld zijn die nog werkelijk in leven zijn, maar allen te samen, die ooit hun aardse belangen en hun op de wereldsgezindheid berekende speculaties door Rome bevorderd zagen. Zij, de koningen, hebben de Roomse kerk, zolang die in volle bloei stond, voldoende in de dienst van hun politiek gebruikt en terwille van haar de ware Kerk vervolgd en onderdrukt, of ten minste haar niet de invloed laten behouden, die haar toekomt. In de verheffing en bevordering van het ware geloof, in de uitbreiding van een geest, die de harten vernieuwt en het leven werkelijk heiligt, hebben zelfs Protestantse vorsten vaak minder belang gesteld, dan in de gunst van het grote Babylon, de sterke stad. Zij hebben haar vaak de wegen gebaand in hun landen, opdat zij ook daar zich zou verheerlijken en naar haar welgevallen zou kunnen doen, waar toch in hete strijd en met zware opofferingen de vrijheid van het Evangelie was verkregen. Hoe geheel anders zou de geschiedenis van de Kerk en van de wereld geweest zijn, als de koningen van de aarde niet met Babylon hadden gehoereerd en met haar hadden willen heulen. Immers is toch zolang dat vorstenhuis, dat de verzorgers en voedsters voor de Protestantse kerk heeft voortgebracht, uit zulke "weelde" in de schoot van die andere Kerk teruggegaan. Wij allegoriseren niet, als wij onze tekst zo uitleggen; wij halen slechts iets aan, dat de allegorieën van de gezichten van Johannes verstaanbaar maakt en het woord van de van hem ontvangen Openbaring evestigt als een vast profetisch woord. Wat verder de kooplieden aangaat, de waren door hen op de grote wereldmarkt gebracht en daar ten toon gesteld, zijn berekend op de fijnste behoefte en gemakkelijkheid, op de hoogste pracht en pronkzucht en bevatten alles in zich, waarin zich de heerlijkheid van de mensen, die als een bloem van het gras vergaat, de kracht en kunst van de vindingrijke mensengeest, zijn vlijt en bedrevenheid in het aanwenden van de wereld en de ontwikkeling van het tijdelijk leven, op het sterkst openbaart. Zij kunnen in zeven klassen verdeeld worden: 1) kleinoden en kostbaarheden; 2) stoffen voor kleren; 3) pronkmeubelen; 4) specerijen; 5) levensmiddelen; 6) voorwerpen van dagelijks gebruik; 7) slaven. De voorstelling is zo gegeven, dat men ziet, dat, als Babylon er niet meer is, ook niemand meer wordt gevonden, die de waren koopt. Hoe moet dat op Rome worden toegepast? Is dat dan de pauselijke Kerk, die al deze producten en fabrikaten consumeert? Dat zeker niet, maar het is de wereldsgezindheid en de zucht van het geraffineerde levensgenot, waarbij alleen een vragen naar al deze handelsartikelen aanwezig is; bij eenvoudigheid van zeden en tevredenheid, bij een volksontwikkeling, waarop de stempel is gedrukt: "onze wandel is in de hemelen, de wereld vergaat met haar begeerlijkheid", zouden zij in massa van de markt van het leven verdwijnen. Nu hebben wij reeds aan het slot van de aanmerking bij Ezechiel 27:12-25 opmerkzaam opgemaakt, hoe de pauselijke Kerk door haar liefde tot de wereld, ook de wereld tot het hoogste goed, tot afgod van de volken heeft verheven, juist daardoor, dat zij van onthouding van de wereld, hemelse gezindheid en onophoudelijk bidden een verdienstelijk werk van enkele orden en personen maakt, die anderen van de last, die zoals men meent daarin ligt, kunnen bevrijden, opdat deze dan zonder gewetensbezwaar, ja met de overtuiging van het volste recht daartoe, zich aan de begeerlijkheid van de ogen, de begeerlijkheid van het vlees en de grootsheid van het leven des te geruster overgeven, heeft zij teweeggebracht, dat de dienst van Mammon en vlees de Christenen als een zedelijk typhus heeft aangegrepen, waartegen alle middelen tevergeefs zijn; en is het nu evenwel niet Rome zelf, dat in staatkunde en koopmanschap geen rol meer speelt, de kweekplaats en de verkoopplaats van alle modeartikelen in de wereld, het is toch het oudste en meest bevoorrechte kind van Rome Frankrijk met zijn hoofdstad, dat land, dat zich beroemt aan de spits van de beschaving te staan en bij de nederlaag, die het in de laatste jaren door Duitsland heeft geleden, op voorafbeeldende wijze reeds heeft vervuld, dat de kooplieden op aarde weenden en leed voelden en uitriepen: wee, wee, de grote stad! Men kan ook op de kruistochten wijzen die grootse honderdvijftigjarige strijd van de Kerk, om de schelpen, die zij voor parels hield, in zoverre de glans van het goud, van de edelgesteenten en de parels, de kracht van de specerijen en de pracht van de kleren het Westen bekoorden en verblindden en zijn wereldse zin voedden. Deze zijn het geworden, die de handel van de Christelijke volken van Europa het zeerst bevorderen, namelijk van Italië en Duitsland. Het is zeker niet zonder bedoeling, dat in bovengenoemde optelling van waren juist die stof op de voorgrond is geplaatst, die voor de pronk van de godsdienst van de werelds geworden Kerk en van de wereldse pracht van haar dienaren voornamelijk hebben gediend. Nauwelijks hebben de koningen van de aarde zoveel goud, zilver, edelgesteenten, parels en elpenbeen gebruikt, als de katholieke kerk, de Griekse ook ingesloten, tot versiering van haar heilige vaten, beelden, altaren en statuën gedaan heeft. En wie denkt bij de optelling van purper, zijde en scharlaken niet aan de priesterkleren van die Kerk, ook bij reukwerk, zalf en wierook niet aan het reukwerk, in deze Kerk in zo'n mate gebruikt, dat het gebruik van wierook in een enkele aanzienlijke Kerk dat van een geheel land ver overtreft? Hoe hoog de luxe van de hoofden van de Rooms-katholieke kerk bijvoorbeeld in de 18de eeuw was gestegen, daarvan geeft W. Menzel in zijn geschiedenis van de laatste 120 jaren de doorslaandste voorbeelden. "De aartsbisdommen en bisdommen", zegt hij, "waren langzamerhand domeinen van de adel geworden. Om een domheer te Mainz te kunnen worden moest men 16 adellijke kwartieren van voorouders kunnen aanwijzen, om het te Keulen te kunnen worden rijksgraaf zijn. De jongste zonen van de adel werden niet alleen in de rijkste plaatsen als domheren geplaatst, maar vonden ook gelegenheid, toen zij bisschoppen werden, hun familie te verrijken. De Maintzer domproost van Eltz trok jaarlijks 75. 000 aan geestelijke revenuën. De pen weigert alle dingen neer te schrijven, die verder zouden kunnen worden meegedeeld, als bijvoorbeeld, dat men bij de afschaffing van een nonnenklooster 6800 emmers wijn vond in 8 kelders, die lasterlijke namen droegen; zij dienen echter als commentaar tot de klacht van de kooplieden bij het ineenstorten van een Kerk, die, in plaats van tegen overdaad en weelde haar stem te verheffen, haar eigen genot vindt in de vreugde en overdaad van deze wereld. "
Ten opzichte van de slotwoorden van het 13de vers merkt Ebrard op: "In de grondtekst sluit zich het "lichaam" onmiddellijk aan het voorgaande "paarden en koetswagens" aan; "zielen van de mensen" is echter opzettelijk (door een andere constructie) ervan afgezonderd, opdat men niet "lichamen en zielen van de mensen" bij elkaar neemt. "Lichamen" staat duidelijk in de zin, die het ook overigens bij de Grieken heeft, namelijk het aanwijzen van slaven, die slechts als het vee met hun lichamen als bruikbaar tot het dragen van lasten en andere arbeid in aanmerking kwamen. Dan kon echter het "zielen van de mensen", dat bepaald afgezonderd is, onmogelijk weer hetzelfde betekenen; deze staan tot al het voorgaande niet als een laatste onder de vele handelsartikelen, maar dat grote wereldverkeer, waarbij Babel de kooplieden in de hand werkt en deze weer Babel bezoldigden en in zijn geest de aardbewoners aan de aarde boeiden wordt op een wijze gevoerd, dat daarbij de zielen te gronde worden gericht en daarom volgt zo vol betekenis en "de zielen van de mensen. " Zielen van de mensen" schrijft Kemmler, waren vanouds te Rome een zeer gezochte waar, de paus maakt toch op alle zielen van de mensen, ten minste van de gedoopten, aanspraak en om dat door te drijven heeft het reeds menig stuk geld opgeofferd. Ook de aflaathandel, die eveneens de zielen van de mensen aangaat, heeft te zijner tijd niet slechts aan de paus zelf, maar ook handelaars van een zekere soort aanzienlijke sommen bezorgd. Wat ten slotte de schippers aangaat, deze dienen om op de internationale, wereldomvattende uitbreiding te wijzen van dat verkeer, dat Rome met de volken heeft onderhouden en maken aanschouwelijk het "die op vele wateren zit" in Hoofdstuk 17:1 En evenals nu de koningen haar voorstelden als de sterke en machtige stad, waarop zij zich met hun heerschappij hadden verlaten en de kooplieden als de weelderige en verkwistende stad, door welker bemiddeling zij rijk waren geworden, zo beklagen de stuurlieden haar als de onvergelijkelijk grote stad, na welker ondergang zo'n internationaal verkeer en verband van volken, zo'n eenheid in de wereld, als tot hiertoe bestond, niet weer tot stand komt en hun klacht is nog hartstochtelijker dan die van de anderen. Inderdaad, als nu opeens de duizendjarige banden, die de volken aan Rome hebben verbonden, verscheurd zijn, dan zal deze wereld zeker uiteenspatten. Dat moet echter ook geschieden, opdat de antichrist zijn rijk tot ontwikkeling zou kunnen brengen want alles, wat enigermate op een ontwikkeling van de dingen lijkt, behoort ook tot hetgeen het openbaar worden van de boosheid nog terughoudt (2 Thessalonicenzen 2:2).
Zij, die weeklagen, spreken uit het hart van hen, die leven in een tijd, waarin de antichrist reeds is begonnen zijn gruweldaden uit te breiden (Hoofdstuk 17:3), waarin de vaste instellingen in de staten zijn verbroken, waarin al het oude, waarbij het verkeer van volken in- en uitwendig was verzekerd, overhoop is geworpen, waarin reeds de algemene verwoesting is begonnen. Nu komt de val van Rome, dat zich in het pausdom nog tegenover het antichristendom had gesteld en de verwoesting gaat voorwaarts daar kwijnt de handel, daar wordt de scheepvaart onzeker en brengt geen winst meer aan, daar moet alle welvaart te gronde gaan en zo wordt de weeklacht over Rome's val een profetie van het algemene en hele verval onder de tirannieke macht van het beest uit de zee.
Onze vertaling is in Vers 14 niet zeer duidelijk; er wordt gesproken van het ooit, waarnaar aldus wordt het voorgesteld de eens zo rijk uitgedoste zozeer begerig was en dat nu niet voor haar, maar voor anderen geplukt zou worden. Voor zover die geurige vruchten niet vernield en vertrapt zullen worden, heeft u er nochtans niets van te wachten op uw tafel en het blijde gejuich, dat de inoogsting van deze placht te vergezellen, wordt door klaagtonen vervangen. Ook in het Oude Verbond treffen wij dergelijke beelden aan tot schildering van de ellende van de strijd en het akelige van verwoesting. Aldus spreekt Jesaja: "Ik maak u doornat met mijn tranen, o Hesbon en Eleale; want het vreugdegeschrei over uw zomervruchten en over uw oogst is gevallen, zodat de blijdschap en vrolijkheid weggenomen zijn van het vruchtbare veld; en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch enig gejuich gemaakt; de druiventreder treedt geen wijn uit in de wijnbakken: Ik heb het vreugdegeschrei doen ophouden. " En Jeremia: "De verstoorder is gevallen op uw zomervruchten en op uw wijnoogst. " In de woorden: "en al wat lekker en wat heerlijk was, is van u weggegaan, en u zult het niet meer vinden" wordt al het voorgaande nog kort samengetrokken. Maar niemand meent, dat het alleen bij de val van Rome plaats had, nee, zo is het bij allen, die van deze wereld zijn. Hetgeen zij op aarde genoten hebben, zinkt alles weg in het niet, wanneer zij, of wellicht nog eer zij op het doodbed liggen uitgestrekt. Die vroeger als een rijke man alle dagen leefde vrolijk en prachtig en de Lazarussen aan de dorpel had van zijn prachtige woning, begerende verzadigd te worden van de kruimels, die van zijn tafel vallen, zie! wanneer hij sterft en begraven wordt, kan hij niet het geringste met zich nemen van alles, waarop hij zijn ziel had gezet. "U zult het niet meer vinden", zo heet het tot degenen. Arm, onbeschrijfelijk arm zijn zij te midden van de overvloed in schatten van deze wereld; arm en ellendig en jammerlijk en naakt. O, zien wij toe, dat wij ons schatten verwerven, die door mot noch roest worden verteerd. Zij zullen ons niet begeven in het jongste uur; zij hebben waarde in de hemel en bij de engelen van God!
Niemand kan ontkennen, dat Rome de geestelijke koopstad is van dat gebied, waarvan het de hoofdstad is, omdat men daar koophandel drijft, hetzij van geestelijke, hetzij zelfs van wereldlijke waren, die onder de schijn van geestelijke daar ter markt worden gebracht en geveild. Allen, die naar kerkelijke waardigheden staan, moeten te Rome hun gaven, vermogens, leergronden en gevoelens voordragen, allen, die de bedieningen van kerkelijke waardigheden genieten, zijn verplicht van het gezag van die koopstad de collatie of confirmatie voor zekere som te kopen, daar worden bullen, dispensatiën en aflaatbrieven vervaardigd voor levenden en doden en de reliquiën, paternosters, rozenkransen, kruisen, agnus Dei en dergelijke waren te koop gebracht. Hier is goud, zilver, edelgesteenten, zijde en andere kostelijkheden in een dierbaar gebruik tot versiering van de kerken. Hier moet purper en scharlaken in de kleren van de gepurperde pausen en kardinalen enz. enz. Zo moet ook geestelijk worden verstaan wat van stuurlieden, schippers enz. gezegd wordt. Door schepen kan men verstaan de mindere sociëteiten of gemeenschappen, die in de paapse zee zijn, als kloosters, abdijen, akademiën; door "schippers" hun oversten, abten, rectoren, officialen van onderscheiden soort en rang, door "stuurlieden en schippers" de gezanten en nuntiussen van allerlei soort. Maar al die waardigheden zullen veracht worden, al die koopmanschappen van de Roomse markt niet meer zijn.
Wij moeten hier bedenken wat het einde is van de overvloed, de hoogmoed en de wellusten en hoe ongestadig de gunst en de vriendschap van de mensen is. Hier gaat het een met het ander te gronde en niets blijft geheel. Het gaat in één uur te gronde, wat in vele jaren vergaderd is. In het gevaar vluchten zij van ons weg, die van ons groot genot hadden, ja zij staan van verre en bewenen het groot ongeluk, maar niemand nadert om te helpen, een ieder vreest voor zichzelf. Daarom moeten wij God leren vertrouwen, de wellust verachten, het vlees en het gezelschap van de mensen niet betrouwen. Want zolang als het welgaat zijn er vrienden genoeg, maar als het onweer komt en het begint kwalijk te gaan, varen zij allen weg en zij, die u wel vertrouwd had, laten u in de nood.