Psalm 20:1-6
Dit gebed voor David heeft tot opschrift: een psalm van David, en het was ook volstrekt niet ongerijmd dat hij, die schreef gedreven zijnde door de Heilige Geest, een formule van gebed heeft opgesteld om in de vergadering voor hem gebruikt te worden, voor hem en voor hen, die onder hem in hoogheid zijn. Ja het is zeer gepast dat zij, die de gebeden van hun vrienden begeren, hun zeer bijzonder zeggen wat zij wensen, dat zij van God voor hen zullen vragen. Zelfs grote en Godvruchtige mannen en zij, die wel weten hoe voor zichzelf te bidden, moeten de gebeden van anderen voor hen niet verachten, maar ernstig begeren, zelfs die van hen, die in alle opzichten hun minderen zijn. Paulus heeft dikwijls aan zijn vrienden gevraagd om voor hem te bidden. Magistraten, en zij, die in hoogheid zijn, behoren hoge achting te hebben voor biddende mensen, en hen aan te moedigen, daar zij hen als hun sterkte beschouwen, Zacheria 12:5, 10, en voor hen te doen wat zij kunnen ten einde deel te hebben aan hun gebeden en niets te doen om dat te verbeuren. Merk nu op:
I. Wat het is, dat hen geleerd wordt om van God voor de koning te vragen.
1. Dat God zijn gebeden zal verhoren. De Heere verhoort u in de dag van de benauwdheid, vers 2, en de Heere vervulle al uw begeerten, vers 6. Zelfs de voornaamste van de mensen kunnen in grote benauwdheid zijn. Het was dikwijls een dag van benauwdheid voor David zelf, een dag van teleurstelling en leed, van beroering en vertreding en verwarring. Noch door de kroon op zijn hoofd, noch door de genade in zijn hart zal hij gevrijwaard zijn tegen benauwdheid. Zelfs de grootste mannen moeten veel in het gebed wezen. Hoewel David een man van zaken en een krijgsman-was hij toch veel in het gebed, hield hij zich dikwijls bezig met oefeningen van de Godsvrucht. Hoewel hij profeten had en priesters en vele Godvrezende lieden onder zijn onderdanen om voor hem te bidden heeft hij zich daarom niet voor verontschuldigd gehouden om voor zichzelf te bidden. Laat niemand nut of voordeel verwachten van de gebeden van de kerk, of van de leraren, of van vrienden, voor hem, die in staat is om zichzelf te bidden, maar het verzuimt. De gebeden van anderen voor ons moeten begeerd worden, niet om de onze voor onszelf te vervangen, maar om ze te steunen. Gelukkig het volk, dat biddende vorsten heeft, op wier gebeden zij aldus amen kunnen zeggen.
2. Dat God in de gevaren van de strijd zijn persoon zal beschermen, zijn leven zal bewaren, "de naam van de God van Jakob zette u in een hoog vertrek, stelle u buiten het bereik van uw vijanden."
a. Laat God door Zijn voorzienigheid u veilig bewaren. God, die Jakob ten tijde van zijn benauwdheid heeft bewaard." David had helden tot zijn lijfwacht, maar hij geeft zich, en zijn volk geeft hem, over in de zorg en hoede van de almachtige God.
b. "Laat God door Zijn genade u vrijhouden van de vrees voor kwaad," Spreuken 18:10. "De naam des Heeren is een sterke toren," naar welke de rechtvaardigen door het geloof heen zullen lopen en veilig zullen wezen. Laat David bekwaam gemaakt worden om tot die sterke toren de toevlucht te nemen, zoals hij dikwijls gedaan heeft.
3. Dat God hem instaat zal stellen om voort te gaan met zijn ondernemingen voor het algemeen welzijn, dat Hij ten dage van strijd hem hulp zal zenden uit het heiligdom, hem zal ondersteunen uit Sion, niet uit de gewone voorzienigheid, maar van de ark des verbonds en de bijzondere gunst, die God Zijn uitverkoren volk Israël toedraagt. Dat Hij hem zal helpen in vervulling van de beloften en in antwoord op de gebeden, gedaan in het heiligdom. Zegeningen uit het heiligdom zijn de lieflijkste zegeningen, het zijn de tekenen van Gods bijzondere liefde, de zegeningen van God, onze God. Ondersteuning uit Zion is geestelijke kracht, kracht in de ziel in de inwendige mens, en deze is het die wij het meest moeten begeren beide voor onszelf en voor anderen, in onze dienst en in ons lijden.
4. Dat God Zijn genadige aanneming wilde betuigen van de offeranden, die hij offerde met zijn gebeden, overeenkomstig de wet van die tijd, eer hij op deze gevaarlijke onderneming uitspring. De Heere gedenke al uw spijsofferen en make uw brandofferen tot as, vers 4, dat is: "De Heere geve u de overwinning en de voorspoed, die gij door gebed met offeranden van Hem gevraagd hebt, en daardoor een even volledig bewijs van Zijn aanneming van het offer, als Hij ooit gegeven heeft door het aan te steken met vuur van de hemel." Hieraan kunnen wij thans weten dat God onze geestelijke offeranden aanneemt, dat Hij alsdan door Zijn Geest een heilig vuur van Godvruchtige liefde ontsteekt in onze ziel en daarmee ons hart brandende maakt in ons.
5. Dat God al zijn ondernemingen en edele plannen voor het algemeen welzijn met de begeerde voorspoed zal kronen, vers 5. Hij geve u naar uw hart Daar konden zij om bidden in het geloof, want zij wisten dat David een man was naar Gods hart en niets zou bedenken of ondernemen dan hetgeen Hem welbehaaglijk was. Zij, die er zich op toeleggen om God te verheerlijken, kunnen verwachten dat God op de een of andere wijze naar hun wens zal doen, en zij, die wandelen in Zijn raad, kunnen zich vleien dat Hij hun raad zal vervullen. Als gij een zaak besluit zo zal zij u bestendig zijn.
II. Welk vertrouwen zij hadden dat zij een antwoord van vrede zullen ontvangen op deze beden voor henzelf en voor hun goede koning, vers 6. " Wij zullen juichen over uw heil." Wij, die onderdanen zijn, zullen juichen over de bewaring en de voorspoed van onze vorst, of liever "over Uw heil, o God, over Uw macht en Uw belofte om te behouden zullen wij juichen, daarop steunen wij, en wij zullen grotelijks reden hebben om er ons over te verblijden in de uitkomst." Aan hen, die hun oog gericht hebben op het heil des Heeren zal het hart vervuld worden van de blijdschap van dat heil: wij zullen de vaandels opsteken in de naam van onze God.
1. Wij zullen strijd voeren in Zijn naam, wij zullen wel toezien dat onze zaak goed is, en dat bij iedere krijgstocht Zijn eer en verheerlijking ons doel is, wij zullen Zijn mond om raad vragen en Hem medenemen op onze tocht, wij zullen Zijn leiding volgen, Zijn hulp afsmeken, er op bouwen, en de uitkomst aan Hem overlaten." David trok op tegen Goliath in de naam van de Heere van de heirscharen, 1 Samuël 17:45.
2. Wij zullen onze overwinningen vieren in naam. Als wij in triomf onze vaandels opsteken en onze trofeeën oprichten, het zal wezen in de naam van onze God, Hij zal al de eer ontvangen van onze voorspoed, en geen werktuig zal enig deel ontvangen van de eer, die Hem alleen toekomt.
Bij het zingen hiervan behoren wij onze hartelijke goede wensen tot God op te zenden voor de goede regering, waar wij onder leven en voor de voorspoed ervan. Maar wij kunnen nog verder zien: deze gebeden voor David zijn profetieën betreffende Christus, de Zoon van David, en aan Hem zijn zij overvloedig verhoord, Hij ondernam het werk van onze verlossing en voerde strijd tegen de machten van de duisternis. In de dag van de benauwdheid, toen Zijn ziel bedroefd was tot de dood toe heeft de Heere hem verhoord uit de vrees, Hebreeën 5:7, "Hem hulp gezonden uit het heiligdom," een engel van de hemel om Hem te versterken, kennis genomen van Zijn offerande, toen Hij Zijn ziel tot een offer heeft gesteld voor de zonde, Zijn brandoffer aangenomen en het tot as gemaakt het vuur, dat de zondaar had moeten verteren, verteerde het offer, waarin God een welbehagen had. En Hij gaf Hem naar Zijn hart, heeft Hem van de arbeid van Zijn ziel doen zien en Hem verzadigd doen worden, Zijn welbehagen door Zijn hand gelukkiglijk doen voortgang, verhorende al Zijn beden voor Hemzelf en voor ons, want Hem heeft de Vader altijd gehoord, Zijn voorbede is altijd overmogend.