Exodus 38:21-31
Wij hebben hier een uittreksel van de rekening, die de Levieten, op Mozes' bevel, gehouden hebben van het goud, zilver en koper, dat ingebracht was voor de tabernakel en van het gebruik, dat er van gemaakt werd. Ithamar de zoon van Aäron, was aangesteld om die arbeid te verrichten, en zo werd deze door de mindere diensten opgeleid en bekwaam gemaakt voor grotere, vers 21. Bezaleël en Aholiab moesten de rekening opmaken, vers 22, 23 en Ithamar moest haar nazien, en aan Mozes inleveren. Zij was als volgt:
1. Al het goud was een hefoffer, dat is: een vrijwillig offer, iedereen bracht het naar hij kon en wilde, en het bedroeg negen en twintig talenten en zeven honderd dertig sikkelen, dat naar sommiger berekening volgens de tegenwoordige waarde een millioen acht honderd duizend gulden aan goud bedroeg. Daarvan werden al het gouden vaatwerk en gereedschappen gemaakt.
2. Het zilver werd geheven bij wijze van belasting. Iedere man was aangeslagen voor een halven sikkel, een soort van hoofdgeld, dat in alles honderd talenten en zeventien honderd vijf en zeventig sikkelen bedroeg, vers 25, 26. Daarvan werden de voeten gemaakt die de stijlen ondersteunden, zodat zij, als het ware, het fundament van de tabernakel vormden, vers 27. Het zilver had een waarde van ongeveer vier honderd acht duizend gulden. De heffing van goud door vrijwillige bijdragen, en van zilver bij wijze van belasting, toont dat van beiden gebruik mag worden gemaakt ter bestrijding van openbare uitgaven, mits er geen partijdigheid bij plaatsheeft.
3. Het koper, hoewel minder kostbaar, werd gebruikt, niet slechts voor het koperen altaar, maar ook voor de voeten van de stijlen van het voorhof, die, in andere tenten, waarschijnlijk van hout waren, maar in Jesaja 60:17 is beloofd: "voor hout zal Ik koper brengen." Zie, hoe vrijgevig het volk was, en hoe getrouw de werklieden waren. Hun goed voorbeeld behoort nagevolgd te worden.