Mattheus 15:21-28
Hier hebben wij de vermaarde geschiedenis van het uitwerpen van den duivel door Christus uit de dochter der Kananése vrouw. Er is iets zeer bijzonders en zeer verrassends in, dat een gunstig aanzien heeft voor de arme Heidenen, en een voorsmaak geeft van de genade, die Christus voor hen had weggelegd. Hier is een straal van dat licht, dat de Heidenen zou verlichten, Lukas 2:32. Christus is gekomen tot de Zijnen, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen, maar velen hunner hebben met Hem getwist en waren aan Hem geërgerd. Merk op wat volgt in vers 21.
I. Jezus ging van daar. Rechtvaardiglijk wordt het licht ontnomen aan hen, die er of bij spelen, of er tegen rebelleren. Toen Christus en Zijne discipelen gene rust onder hen hadden of konden verkrijgen, verliet Hij hen, en gaf hiermede een voorbeeld van den regel, door Hem zelven gesteld, Hoofdstuk 10:14, Schudt het stof uwer voeten af. Hoewel Christus langen tijd verdraagt, toch zal Hij niet altijd het tegenspreken van de zondaren tegen zich verdragen. Hij had gezegd, vers 14, Laat hen varen, en dit deed Hij. Door moedwillige vooroordelen tegen, en vitterijen op, het Evangelie wordt Christus er dikwijls toe gebracht om zich terug te trekken, en den kandelaar van zijne plaats te weren. Handelingen 13:46, 51.
II. Toen Hij vandaar ging, vertrok Hij naar de delen van Tyrus en Sidon, niet naar die steden zelf (zij waren buitengesloten van enigerlei deel in Christus' grote werken en krachten, Hoofdstuk 11:21, 22.) maar naar dat deel van het land van Israël, dat dien kant uit lag, daarheen ging Hij, zoals Elia naar Serepta, ene Stad van Sidon, Lukas 4:26, daarheen ging Hij om de arme vrouw op te zoeken, aan wie Hij barmhartigheid zal bewijzen. Toen Hij het land doorging, goeddoende, was Hij nooit buiten Zijn weg. De duistere hoeken van het land, die het verst afgelegen waren, zullen delen in Zijn weldadigen invloed, en gelijk nu de einden des lands, zo zullen later de einden der aarde Zijn heil zien. Jesaja 49:6. Hier was het, dat dit wonder gewrocht werd, in het verhaal waarvan wij hebben te letten op:
1. Het aanspreken van Christus door de Kananése vrouw, vers 22. Zij was ene Heidense vrouw, vervreemd van het burgerschap Israël's, waarschijnlijk behorende tot de nakomelingen van die gevloekte natiën, die het verderf gewijd waren door dat woord: Vervloekt zij Kanaän. Het oordeel over een geheel volk treft niet altijd ieder individueel lid van dit volk. God zal uit alle natiën Zijn overblijfsel hebben, uitverkoren vaten in alle landstreken, zelfs in die, waar men dit het minst zou verwachten. Zij kwam uit zodanige landstreek. Indien Christus thans deze landstreek niet had bezocht, zou die vrouw waarschijnlijk nooit tot Hem zijn gekomen, hoewel de zegen, dien zij van Hem ontving, wel waard was, om er ene verre reize voor te doen. Het is voor een sluimerend geloof meermalen een prikkel ter opwekking ene gemakkelijke gelegenheid te hebben, om met Christus bekend te worden, of als het woord ons nabij gebracht wordt. Haar aanzoek was dringend, zij riep tot Christus, als iemand, die door een sterk verlangen wordt gedreven, zij riep. als op een' afstand van Hem zijnde, als Kananése het niet wagende naderbij te treden, uit vrees van ergernis te geven. Zij verhaalt hare ellende, hare droeve omstandigheden: Mijne dochter is deerlijk van den duivel bezeten -kakoos daimonizetai -zij is erg betoverd, of bezeten. Er waren trappen in die ellende, en dit was de hoogste trap, de ergste soort. Het was in dien tijd een gewoon geval, maar uiterst treurig. De kwelling der kinderen is het verdriet der ouders, en niets moet zwaarder leed voor hen zijn, dan hen onder de macht van Satan te zien. Teder liefhebbende ouders gevoelen zeer diep de smart van hen, die een deel uitmaken van hen zelven. Hoewel zij deerlijk van den duivel bezeten is, toch zij is mijne dochter. De grootste beproevingen van onze bloedverwanten lossen onze verplichtingen jegens hen niet op, en moeten dus ook onze genegenheid voor hen niet te niet doen. Het was het leed en het lijden van haar gezin, dat haar thans tot Christus bracht. Zij kwam tot Hem niet om lering, maar om genezing, maar wijl zij kwam in geloof, heeft Hij haar niet afgewezen. Hoewel het door nood of behoefte is, dat wij tot Christus gedreven worden, zullen wij daarom toch niet van Hem worden weggedreven. Het was het lijden harer dochter, dat haar de gelegenheid bood om zich tot Christus te wenden. Het is goed om de beproevingen van anderen tot de onzen te maken, in besef en medegevoel, opdat wij ze ook tot de onzen maken in den geestelijken zegen, die er uit voortvloeit. Zij vraagt om ontferming: Heere, Gij Zone David's, ontferm U mijner! Door Hem: Heere Zone David's, te noemen, erkent zij Hem als den Messias: dat is de grote zaak, waaraan het geloof zich moet vastklemmen, en waaraan het troost moet ontlenen. Van den Heere kunnen wij daden verwachten van macht, Hij kan verlossing gebieden, van den Zone David's kunnen wij al de ontferming en genade verwachten, die van Hem voorzegd waren. Hoewel ene vrouw uit de Heidenen, erkent zij de belofte, gedaan aan de vaderen der Joden, en de eer van het huis van David. De Heidenen moeten het Christendom aannemen, niet als ene verbetering van den natuurlijken godsdienst, maar als de vervolmaking van den Joodsen Godsdienst, met het oog op het Oude Testament. Hare bede is: Ontferm U mijner. Zij beperkt Christus niet tot dit of dat bijzondere voorbeeld van ontferming, maar ontferming, dat is het, waar zij om vraagt. Zij pleit niet op verdienste, zij is gans afhankelijk van genade en ontferming. Ontferm U mijner. Ontferming over de kinderen is ontferming over de ouders, gunstbewijzen jegens de onzen zijn gunstbewijzen jegens ons en moeten als zodanig gerekend worden. Het is de plicht van ouders, om voor hun kinderen te bidden, en vurig te zijn in het gebed voor hen, inzonderheid voor hun ziel. "Ik heb een zoon, ene dochter, deerlijk gekweld door een hoogmoedigen wil, een onreinen duivel, een boosaardigen duivel, door hem naar zijn wil gevangen geleid, Heere, help hen." Dat is een treuriger toestand dan een toestand van lichamelijke bezetenheid. Breng hen door geloof en gebed tot Christus, die alleen in staat is hen te genezen. Ouders behoren het als ene grote genade en ontferming jegens hen zelven te beschouwen, als Satans macht en invloed in de ziel hunner kinderen worden verbroken.
2. Hoe zij alles behalve aanmoediging ontmoette. In de ganse geschiedenis van Christus' openbare bediening hebben wij niets dergelijks gezien. Gewoonlijk heeft Hij allen, die tot Hem kwamen, gesteund en bemoedigd, en hen of verhoord voordat zij riepen, of hen verhoord terwijl zij nog spraken, maar deze vrouw ondervond ene andere behandeling. Wat kon er de reden van zijn? Sommigen denken, dat Christus zich terughoudend betoonde, om het verzoek dier arme vrouw toe te staan, omdat Hij den Joden gene ergernis wilde geven door even gewillig en volvaardig Zijne gunst te schenken aan Heidenen als aan hen. Hij had Zijn discipelen bevolen niet heen te gaan op den weg der Heidenen, Hoofdstuk 10:5, en daarom wilde Hij zich zelven hun ook niet zo genegen tonen als aan anderen. Of liever: Christus handelde aldus met haar, om haar op de proef te stellen. Hij weet wat er in het hart is, Hij kende de kracht van haar geloof, en hoe goed zij door Zijne genade in staat was, om door al die ontmoedigingen heen te breken, daarom hield Hij haar die ontmoedigingen voor, opdat de beproeving van haar geloof bevonden zou worden te zijn tot lof, en ere, en heerlijkheid, 1 Petrus 1:6, 7. Dit was als het verzoeken van Abraham door God, Genesis 22:1, gelijk het worstelen van den engel met Jakob, Genesis 32:24. Velen van de wegen van Christus' voorzienigheid, en inzonderheid van Zijne genade jegens Zijn volk, die duister voor ons zijn, kunnen verklaard worden door deze geschiedenis, die vermeld is gebleven, opdat wij mogen leren, dat er in het hart van Christus liefde kan wezen, terwijl Zijn oog ons donker schijnt aan te blikken, en ons te bemoedigen, om, al zou Hij ons doden, toch op Hem te vertrouwen. Let op de bijzondere ontmoedigingen, waarmee zij had te strijden: Toen zij tot Hem riep, antwoordde Hij haar niet een woord, vers 23. Gewoonlijk was Zijn oor open en opmerkzaam op het geroep van arme smekelingen, en Zijne lippen, druipende als de honingraat, altijd gereed om een antwoord des vredes te geven, maar voor deze arme vrouw scheen Zijn oor doof, en zij kon noch ene aalmoes, noch een antwoord verkrijgen. Het was een wonder, dat zij zich niet toornig wegspoedde, zeggende: "Is dit nu Hij, die zo vermaard is wegens Zijne goedertierenheid en medelijden? Zijn zo velen door Hem gehoord en verhoord, naar men beweert, en moet ik nu de eerste smekelinge zijn, die door Hem wordt afgewezen? Waarom houdt Hij zich zo koel op een afstand van mij, als het waar is, dat Hij zich tot zo velen heeft neergebogen?" Maar Christus wist wel wat Hij deed, en Hij antwoordde haar niet, opdat zij te dringender en vuriger zou aanhouden in het gebed. Hij hoorde haar en had een welbehagen in haar, en Hij versterkte haar met kracht in de ziel, Psalm 138:
3. Job 23:6, al gaf Hij haar ook niet terstond het antwoord, dat zij verwachtte. Door den begeerden zegen schijnbaar van haar weg te trekken, trok Hij haar, om er des te dringender om te vragen. Ieder Gode welbehaaglijk gebed, is, daarom nog geen gebed, dat onmiddellijk verhoord zal worden. Soms schijnt God geen acht te slaan op de gebeden Zijns volks, als iemand, die slaapt, of als een versaagd man, die niet kan verlossen, Psalm 44:23, Jeremia 14:9, Psalm 22:2, 3, ja zelfs, alsof Hij vertoornd op hen is, Psalm 80:5, Klaagliederen 3:8, 44, maar het is om hun geloof te beproeven, en daardoor te versterken, en Zijne latere verschijning aan hen des te heerlijker te maken voor zich, en des te meer welkom aan hen, want het gezicht zal op het einde voortbrengen en niet liegen, Habakuk 2:3, zie Job 35:14. Toen de discipelen een goed woord voor haar spraken, gaf Hij ene reden voor Zijne weigering, en die reden was nog meer ontmoedigend voor haar. Ten eerste, Het was wel enigszins ene verlichting, dat de discipelen voor haar tussenbeide kwamen. Laat haar van U, zeiden zij, want zij roept ons na. Het is wenselijk, om deel te hebben aan de gebeden van vrome mensen, en wij moeten dit begeren. Maar hoewel de discipelen wensten, dat zij zou verkrijgen hetgeen, waarvoor zij was gekomen, zijn zij daarbij toch meer te rade gegaan met hun eigene rust, dan met de begeerte om aan die vrouw te voldoen. Laat haar van U met genezing, want zij roept ons na, dat is lastig voor ons, en wij schamen ons om dat naroepen. Aanhoudend dringend vragen kan voor mensen, zelfs voor vrome mensen, wel lastig zijn, maar Christus heeft het gaarne, dat men Hem op deze wijze naroept. Ten tweede. Christus' antwoord aan de discipelen stelde hare verwachting te leur. Ik ben niet gezonden, dan tot de verlorene schapen van het huis Israël's, Gij weet dit, zij behoort daar niet toe, en zoudt gij dan willen, dat Ik buiten Mijne opdracht handel! Dat dringend, lastig aanhouden zal zelden de wel overwogen redenen van een verstandig mens overwinnen, en weigeringen, die door zulke redenen ondersteund worden, brengen het lastige vragen tot zwijgen. Niet slechts antwoord Hij haar niet, maar Hij voert redenen aan tegen haar, en sluit haar den mond door ene reden. Het is waar: zij is een verloren schaap, en zij heeft evenveel behoefte aan Zijne zorge, als ieder ander, maar zij is niet van het huis Israël's, tot hetwelk Hij het eerst was gezonden, Handelingen 3:26, en heeft er dus niet direct deel aan, en heeft er geen recht op. Hij was een dienaar der belijdenis, Romeinen 15:8, en hoewel Hij bestemd was een Licht te zijn tot verlichting der Heidenen, was toch de volheid des tijds hiertoe nog niet gekomen, de voorhang was nog niet gescheurd, en de middelmuur des afscheidsels nog niet gebroken. Christus' persoonlijke bediening was: de heerlijkheid te zijn van Zijn volk Israël.
Indien Ik tot hem ben gezonden, wat heb Ik dan te doen met degenen, die niet tot hen behoren. Het is ene grote beproeving, als ons aanleiding wordt gegeven, om te twijfelen, of wij wel behoren tot hen, tot wie Christus was gezonden. Maar, geloofd zij God, er is gene plaats voor dien twijfel, het onderscheid tussen Jood en Heiden is weggenomen, wij zijn er zeker van, dat Hij Zijn leven heeft gegeven als een rantsoen voor velen, en indien voor velen, waarom dan niet ook voor m ij? Ten derde. Toen zij toch nog bleef aanhouden, legde Hij den nadruk op het onbetamelijke der zaak: Hij wees haar niet slechts af, maar scheen ook ene bestraffing, een verwijt tot haar te richten, vers 26, Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen. Dit scheen alle hoop voor haar af te snijden, en zou haar tot wanhoop hebben kunnen brengen, indien zij niet waarlijk een zeer krachtig geloof had gehad. Evangeliegenade en wonderdadige genezingen (die er bij behoorden) waren het brood der kinderen, zij behoorden hun, welker is de aanneming, Romeinen 9:4, en moesten niet gelijk gerekend worden met dien regen van den hemel, en die vruchtbare tijden, die God gaf aan de natiën, die Hij heeft laten wandelen in hun wegen, Handelingen 14:16, 17. Neen, dat waren bijzondere gunstbewijzen aan het bijzondere volk, den besloten hof. Christus heeft gepredikt voor de Samaritanen, Johannes 4:44, maar wij lezen van gene genezingen, die Hij onder hen gewrocht heeft, deze zaligheid, dat heil, was van de Joden, het is dus niet betamelijk ze te vervreemden. De Heidenen werden door de Joden met grote minachting aangezien, zij werden honden genoemd, en als honden beschouwd, en, in vergelijking met het huis van Israël, dat zo verwaardigd en bevoorrecht was, schijnt Christus dit hier toe te stemmen, en Hij acht het dus niet betamelijk, dat de Heidenen zouden delen in de gunsten, aan de Joden geschonken. Maar zie, hoe de tijden zijn veranderd: nadat de Heidenen ingebracht zijn in de kerk, worden de Joodse ijveraars voor de wet honden genoemd, Filippus 3:2. Dit nu wordt door Christus tegen de Kananése vrouw aangevoerd: Hoe kan zij, die niet van de familie is, verwachten van het brood der kinderen te eten? Hen, die Christus het meest voornemens is te eren, vernedert Hij eerst, en legt hen in het stof in de bewustheid van hun eigene geringheid en onwaardigheid. Eerst moeten wij ons zelven zien als honden, geringer dan de geringste van al Gods weldadigheden, eer wij geschikt zijn, om er door verwaardigd en er mede bevoorrecht te worden. Christus schept er behagen in, om groot geloof door grote beproevingen te oefenen, en soms houdt Hij het zwaarste, het ergste, voor het laatst, opdat wij, beproefd zijnde, als goud mogen uitkomen. Deze algemene regel is toepasselijk op andere gevallen tot leiding, hoewel hier slechts gebruikt ter beproeving. Bijzondere genademiddelen en kerkvoorrechten zijn het brood der kinderen, en mogen niet ontwijd worden door de grof onwetenden en onheiligen. De gemene barmhartigheid moet zich uitstrekken jegens allen, maar geestelijke ere en waardigheid zijn bestemd voor de huisgenoten des geloofs, daaraan zou het een verspillen zijn van het brood der kinderen, indien men allen, zonder onderscheid, er in liet delen, dan zou dit zijn het heilige den honden te geven, Hoofdstuk 7:6. 3. Wij zien hier de kracht van haar geloof en hare vastberadenheid, om door al deze ontmoedigingen heen te breken. Menigeen, aldus beproefd zijnde. zou of in zwijgen zijn verzonken, of in hartstochtelijken toorn zijn losgebarsten. "Magere vertroosting voor een arm ongelukkig schepsel! zou zij hebben kunnen zeggen. Ik zou even goed te huis hebben kunnen blijven, als hier te komen, om op die wijze gesmaad en afgewezen te worden. Niet alleen dat mijne zo treurige omstandigheden met koude onverschilligheid worden aangezien, maar daarbij nog hond te worden genoemd!" Een trots hart, dat gene verootmoediging kent, zou het niet hebben verdragen. De roem van het huis Israël's was toen niet zo groot in de wereld, of dit betoon van minachting jegens de Heidenen zou wel een even minachtend wederwoord hebben kunnen uitlokken, indien deze arme vrouw daartoe geneigd ware geweest. Het zou ook een verwijt aan Christus hebben kunnen uitlokken, en aan Zijne reputatie afbreuk hebben kunnen doen in de goede mening, die zij van Hem koesterde, want wij zijn geneigd de mensen te beoordelen naar hetgeen wij van hen zien, en te denken, dat zij zijn wat zij zijn voor ons. "Is dit de Zone David's?,' zou zij hebben kunnen zeggen, "is dat de man, die den naam heeft van zo vriendelijk en barmhartig te zijn? Ik heb voorzeker gene reden om Hem die hoedanigheden toe te kennen, want nooit in mijn leven ben ik met zoveel ruwheid behandeld. Hij zou voor mij hebben kunnen doen wat Hij voor anderen gedaan heeft, of, indien niet, dan had Hij mij toch niet met de honden Zijner kudde behoeven te stellen. Ik ben geen hond, ik ben ene vrouw, ene eerlijke, eerzame vrouw, ene ongelukkige vrouw, en ik ben er zeker van, dat het niet betaamt mij een hond te noemen." Neen, geen woord van dit alles vinden wij hier. Ene nederige, gelovige ziel, die Christus waarlijk liefheeft, neemt alles, wat Hij zegt en doet, goed op, en geeft er de beste uitlegging aan. Al die ontmoedigingen komt zij te boven door ene heilige vurigheid van begeerte in het aanhouden van hare bede. Dit bleek al bij de vorige afwijzing, die haar te beurt viel, vers 25, Zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij! Zij bleef bidden. Wat Christus zei, bracht de discipelen tot zwijgen, gij hoort niet meer van hen, zij waren tevreden met het antwoord, maar de vrouw niet. Hoe meer wij den nood gevoelen, hoe meer wij moeten bidden om uitkomst. En het is de wil van God, dat wij zullen volharden in den gebede, dat wij altijd zullen bidden en niet vertragen. En in plaats nu dat deze vrouw Christus laakt of Hem van onvriendelijkheid beschuldigt, schijnt zij eerder zich zelf te wantrouwen, en zich zelf de schuld te geven. Zij vreest, dat zij in hare eerste toespraak wellicht niet nederig en eerbiedig genoeg was geweest, en daarom kwam zij nu en aanbad Hem, en betoonde Hem meer eerbied dan in het eerst, of wel, zij vreest niet ijverig en vurig genoeg te zijn geweest, en daarom roept zij thans: Heere help mij! Als de gebedsverhoring uitblijft, dan wil God ons daarmee leren meer en beter te bidden. Dan is het de tijd om eens te onderzoeken, waarin wij in onze vorige gebeden te kort zijn gekomen, opdat hetgeen verkeerd was, in het vervolg beter gedaan zou worden. Teleurstellingen ten opzichte van het welslagen des gebeds moeten ons opwekken tot den plicht van bidden. In Zijne doodsbenauwdheid heeft Christus te ernstiger gebeden. De vraag. of zij al of niet behoorde tot hen, tot wie Christus was gezonden, laat zij in het midden, over dit punt wil zij niet met Hem redeneren, hoewel zij wellicht op bloedverwantschap met het huis Israël's aanspraak kon maken, maar "Israëlitische of geen Israëlitische, ik kom tot den Zone David's om ontferming, en ik zal Hem niet laten gaan, tenzij dan, dat Hij mij zegent." Vele zwakke Christenen brengen zich zelven in verwarring en verlegenheid met vragen en twijfelingen ten opzichte van hun uitverkiezing, of zij al of niet van den huize Israël's zijn, de zodanige zouden beter doen met acht te geven op hun boodschap bij God en te volharden in den gebede om ontferming en genade, zich door het geloof aan Christus' voeten te werpen, en te zeggen: indien ik moet omkomen, dan wil ik hier omkomen, en dan zal die zaak zich wel van zelf ophelderen. Als wij ons ongeloof niet door redeneren kunnen verdrijven, dan moeten wij het verdrijven door gebed. Een vurig, hartelijk: Heere, help mij, zal ons over velen van de ontmoedigingen heen helpen, die ons wel eens dreigen te overstelpen. Haar gebed is zeer kort, maar veelomvattend en vurig: Heere, help mij. Neem dit, ten eerste, als klacht over haren toestand: Indien de Messias alleen gezonden is tot het huis Israël's, zo moge de Heere mij helpen, wat zal er anders van mij en de mijnen worden? Het is niet te vergeefs, dat verbroken harten klagen, want dan ziet God hen aan, Jeremia 31:18. Of, ten tweede: als biddende om genade, om haar bij te staan in deze ure der beproeving en verzoeking. Zij vond het moeilijk aan haar geloof vast te houden, toen zij aldus met donkere, afwijzende blikken werd aangezien, en daarom bidt zij: Heere, help mij. Heere, sterk thans mijn geloof. Heere, laat Uwe rechterhand mij ondersteunen, terwijl mijne ziel U achteraan kleeft, Psalm 63:8. Of ten derde, als kracht bijzettende, aan hare oorspronkelijke bede: Heere, help mij. Heere geef mij hetgeen waar ik om kom. Zij geloofde, dat Christus haar kon en wilde helpen, al was zij niet van den huize Israël's, anders zou zij van hare bede, haar verzoek, hebben afgezien. Zij blijft goede gedachten koesteren van Christus, en wil ze niet opgeven. Heere, help mij, is een goed gebed, indien het op de rechte wijze wordt opgezonden, en het is te betreuren, dat het los en ondoordacht als een soort van spreekwoord wordt gebruikt, zodat er de naam Gods ijdellijk door wordt gebruikt. Met ene heilige bekwaamheid in haar geloof, waardoor zij een zeer verrassenden pleitgrond aanvoert. Christus had de Joden gerangschikt bij de kinderen, als olijfplanten rondom Gods tafel, en de volken bij de honden, onder de tafel, en zij ontkent het passende niet van de vergelijking. Wij winnen er niets mede, als wij een woord van Christus tegenspreken, al klinkt het ook nog zo hard voor ons. Deze arme vrouw kan dit woord niet tegenspreken, en daarom gebruikt zij het ten haren voordele, vers 27, Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes. Hare erkenning van het feit was zeer nederig, Ja, Heere, Gij kunt zo gering niet spreken van een nederig gelovige, of hij is bereid even gering van zich zelven te spreken. Sommigen spreken met grote geringschatting en verkleining van zich zelven, maar achten het ene belediging als anderen dit doen, maar wie waarlijk nederig is, zal instemmen met de meest vernederende benamingen en ze op zich laten toepassen, zonder te denken, dat hem onrecht geschiedt. "Ja, Heere, ik kan het niet ontkennen, ik ben een hondeke en heb geen recht op het brood der kinderen." "David, gij hebt zeer zottelijk gehandeld," "Ja Heere." "Asaf, gij zijt als een groot beest bij God geweest." "Ja, Heere." "Agur, gij zijt onvernuftiger dan iemand, en hebt geen mensenverstand." "Ja, Heere." "Paulus gij zijt de voornaamste der zondaren geweest, gij zijt de minste der apostelen, niet waardig een apostel genaamd te worden." Ja, Heere." Op zeer verstandige wijze heeft zij dit ten haren voordele aangewend. Doch de hondekens eten ook van de brokjes. Het was door ene bijzondere scherpzinnigheid en geestelijke vlugheid van begrip en schranderheid, dat zij een argument ten haren voordele ontdekte, in hetgeen ene geringschatting scheen. Door een levend, werkzaam geloof zullen wij hetgeen tegen ons scheen te zijn, voor ons doen worden, zullen wij spijze doen uitgaan van den eter, en zoetigheid van den sterke. Ons ongeloof kan hulptroepen voor vijanden aanzien, is in staat om uit troostrijke, veelbelovende stellingen, allerijselijkste gevolgtrekkingen af te leiden, Richteren 13:22, 23, maar het geloof vindt bemoediging ook in hetgeen ontmoedigend schijnt te zijn, en komt nader tot God door de hand aan te grijpen, die uitgestrekt is om het af te weren. Zo kostelijk ene zaak is het, om snel van begrip te wezen in de vreze des Heeren, Jesaja 11:3 1). Haar pleiten luidt: Doch de hondekens eten ook van de brokjes. Het is waar: de volledige regelmatige voorziening is alleen voor de kinderen bestemd, maar de kruimkens, waar niemand acht op geeft, laat men toch wel voor de hondekens over, die misgunt men hun niet, dat is: voor de hondekens onder de tafel, die daar zijn om ze op te vangen. Wij arme Heidenen kunnen niet verwachten den dienst, de prediking, de wonderen van den Zone David's onder ons te hebben, die behoren den Joden, maar zij beginnen nu al verzadigd te zijn van hun spijze, er mede te spelen, zij hebben er op aan te merken, en verkruimelen het, welnu, sommigen van die resten, van die kruimels kunnen toch wel ene arme Heidense vrouw ten deel vallen: "Ik vraag om genezing, dat slechts als een kruimke is, hoewel van hetzelfde brood, maar toch slechts een klein stukje, in vergelijking met de broden, die zij ontvangen." Als wij overdadig zijn met het brood der kinderen, dan moeten wij ons herinneren hoevelen zeer blijde zouden zij n met de kruimkens. De overgeschoten brokken van onze geestelijke voorrechten, zouden voor menige ziel nog een feestmaal opleveren, Handelingen 13:42. Nu hebben wij er hier op te letten, Ten eerste: Dat hare nederigheid en hare behoefte haar zeer blijde deden zijn met de kruimkens. Zij, die zich er van bewust zijn niets te verdienen, zullen dankbaar zijn voor alles, en dan eerst zijn wij toebereid om de grootste van Gods weldadigheden te ontvangen, wanneer wij ons zelven beschouwen als geringer dan de geringsten er van. Voor een gelovige is het minste en geringste van Christus nog kostelijk en als de kruimkens van het brood des levens. Ten tweede. Dat haar geloof haar aanmoedigde om deze kruimkens te verwachten. Waarom zou het aan Christus' tafel niet gaan gelijk aan de tafel van een rijk en aanzienlijk man, waar de honden evenzeer gevoed worden als de kinderen? Zij noemt het de tafel hunner heren, is zij een hondeke, dan is zij toch Zijn hondeke, en het kan niet slecht met ons gaan, als wij in betrekking staan tot Christus, als is het dan ook in de allergeringste betrekking. "Hoewel wij onwaardig zijn kinderen genoemd te worden, zo maak mij als een Uwer huurlingen, of liever, laat mij maar met de honden gesteld worden, veeleer dan uit Uw huis te worden verjaagd, want in het huis mijns Vaders is er niet slechts brood genoeg, er is overvloed van brood," Lukas 15:17-19. Het is kostelijk om in Gods huis te liggen, al is het dan ook maar aan den drempel.
4. De gelukkige uitslag van dit alles. Met ere en vertroosting is zij uit die worsteling te voorschijn getreden, en schoon een Kananése, betoonde zij zich ene ware dochter Israël's, die zich vorstelijk had gedragen bij God, en had overmocht. Tot nu toe had Christus Zijn aangezicht voor haar verborgen, maar nu zal Hij zich met eeuwige goedertierenheid over haar ontfermen, vers 28. Het was gelijk het zich bekend maken van Jozef aan zijne broeders: Ik ben Jozef en zo hier: Ik ben Jezus. Nu begint Hij te spreken zoals Hij is, en toont Hij zich zoals Hij is. Hij zal niet eeuwiglijk twisten. Hij prees haar geloof. O vrouw! groot is uw geloof. Merk op. Het is haar geloof, dat Hij prijst. Er waren verschillende andere genadegaven, die helder uitblonken in haar gedrag bij deze gelegenheid, -wijsheid, ootmoed, zachtmoedigheid, geduld, volharding in het gebed, maar deze allen waren de vrucht van haar geloof, en daarom noemt Christus, dit als het loffelijkst, omdat onder alle genadegaven Christus het meest geëerd wordt door geloof, en daarom is het ook de genadegave, die het meest door Christus wordt geëerd. Het is de grootte van haar geloof. Hoewel het geloof van alle heiligen even kostelijk is, is het toch niet in allen even sterk, alle gelovigen zijn niet van de zelfde grootte en gestalte. De grootheid van het geloof bestaat veelal in een vastberadene aanhankelijkheid aan Jezus Christus als den algenoegzamen Zaligmaker, ook onder ontmoedigingen, Hem lief te hebben en te vertrouwen als een Vriend, zelfs dan, als Hij ons schijnt tegen te treden als een vijand. Dat is groot geloof! Hoewel een zwak geloof, zo het slechts oprecht is, niet afgewezen zal worden, zal toch een groot geloof worden geprezen, en blijken Christus zeer welbehaaglijk te zijn, want in hen, die aldus geloven, wordt Hij het meest bewonderd. Aldus heeft Christus het geloof van den overste over honderd geprezen. en ook deze was een Heiden. Hij had een sterk geloof in de macht van Christus, deze vrouw had een sterk geloof in den goeden wil van Christus, en beider geloof was Hem welbehaaglijk. Hij genas hare dochter, U geschiede gelijk gij wilt, Ik kan u niets weigeren, neem hetgeen waarom gij gekomen zijt. Zij, die een groot geloof hebben, kunnen verkrijgen wat zij willen, zij behoeven er slechts om te vragen. Als onze wil in overeenstemming is met den wil van Christus' gebod, dan is er ook overeenstemming tussen Zijn wil en onze begeerte. Zij, die aan Christus niets weigeren, zullen bevinden, dat Hij hun ten laatste ook niets ontzegt, hoewel Hij voor een tijd Zijn aangezicht voor hen schijnt te verbergen. Gij wenst, dat uwe zonden vergeven, uw bederf ten onder wordt gehouden, gij verlangt naar heiligmaking: U geschiede gelijk gij wilt. Wat kunt gij meer begeren? Als wij, gelijk deze arme vrouw, komen, om te bidden tegen Satan en zijn rijk, dan stem men wij in met de voorbede van Christus, en dienovereenkomstig zal het dan zijn. Satan moge Petrus ziften, en Paulus met vuisten slaan, door Christus' gebed en de algenoegzaamheid Zijner genade, zullen wij toch meer dan overwinnaars zijn, Lukas 22:31, 32, 2 Corinthiërs 12:7-9, Romeinen 16:20. Christus' woord werd gevolgd door de daad, Hare dochter werd gezond van die ure, van nu voortaan zal zij nooit meer door den duivel gekweld worden, het geloof der moeder had overmocht voor de genezing der dochter. Hoewel de zieke zich op een afstand bevond, was dit gene belemmering voor de kracht en uitwerking van Christus' woord. Hij sprak en het was er.