Lukas 4:14-30
Nadat Christus den bozen geest had overwonnen, heeft Hij doen blijken hoezeer Hij onder den invloed was van den goeden Geest, en, zich verdedigd hebbende tegen de aanvallen des duivels, begint Hij nu zelf aanvallenderwijs te werk te gaan, en die aanvallen op hem te richten door Zijne prediking en Zijne wonderen, die hij niet weerstaan of afweren kon. Merk op:
I. Wat hier in het algemeen van Zijne prediking wordt gezegd, en hoe zij werd ontvangen in Galilea, een afgelegen deel des lands, ver van Jeruzalem. Het behoorde tot Christus' vernedering, dat Hij aldaar Zijn dienstwerk begonnen heeft. Maar:
1. Daarheen kwam Hij door de kracht des Geestes. Dezelfde Geest, die Hem bekwaam had gemaakt voor Zijn profetisch ambt, heeft Hem krachtig geneigd daarheen te gaan. Hij moest niet wachten op een beroep van mensen, want Hij had licht en leven in zich zelven.
2. Daar leerde Hij in hun synagogen, hun openbare plaatsen van Godsverering, waar zij bijeenkwamen, niet gelijk in den tempel voor ceremoniële diensten, maar voor zedelijke oefeningen der Godsvrucht, om het woord te lezen, te verklaren en toe te passen, om te bidden en te danken, en ter oefening der kerkelijke tucht, dit kwam meer dikwijls voor sedert de ballingschap, toen de ceremoniële eredienst der verdwijning nabij was.
3. Hij deed dit op een wijze, die Hem een grote vermaardheid verwierf. Het gerucht van Hem ging uit door het gehele omliggende land, vers 14, en het was een goed gerucht, want, vers 15, Hij werd van allen geprezen. Iedereen bewonderde Hem, en prees Hem: nooit in hun leven hadden zij zulk ene prediking gehoord. Voor het eerst had Hij nu geen smaad en geen tegenspreken te verduren, allen prezen of verheerlijkten Hem, en er was nog niemand, die Hem hoonde of vernederde.
II. Van Zijne prediking te Nazareth, de stad, waar Hij was opgevoed, en hoe zij aldaar ontvangen werd. En hier wordt ons gezegd hoe Hij daar predikte, en hoe Hij er vervolgd werd.
1. Hoe Hij er predikte. Daarbij hebben wij te letten.
a. Op de gelegenheid, die Hij er toe had: "Hij kwam te Nazareth", toen Hij in andere plaatsen reeds vermaardheid had verworven, in de hoop, dat hierdoor tenminste iets van de minachting en het vooroordeel zou weggenomen worden, waarmee Zijne landslieden op Hem zien zouden. Daar nam Hij de gelegenheid waar om te prediken, in de synagoge, de geschikte plaats, waar Hij gewoon was den dienst bij te wonen, voordat Hij in het openbaar was opgetreden, vers 16. Wij behoren, als wij er de gelegenheid toe hebben, de openbare Godsdienstoefeningen bij te wonen. Maar nu Hij zijn openbaar dienstwerk had aangevangen, heeft Hij er gepredikt. Waar de menigte der vissen waren, daar heeft deze wijze visser Zijn net uitgeworpen. Op den sabbatdag, den geschikten tijd, dien de vrome Joden doorbrachten, niet in een bloot ceremonieel rusten van wereldlijken arbeid, maar in de plichten van Gods aanbidding, gelijk zij vanouds de profetenscholen bezocht hebben op de nieuwe maanden en de sabbaten. Het is goed om den sabbat te vieren in plechtige bijeenkomsten.
b. Zijne roeping er toe. Hij stond op om te lezen. Zij hadden in hun synagogen op elke sabbat zeven personen om te lezen, de eerste een priester, de tweede een Leviet, en de andere vijf Israëlieten, die tot deze synagoge behoorden. Wij bevinden dat Christus dikwijls in andere synagogen heeft gepredikt, maar nooit dat Hij er heeft gelezen, behalve in deze synagoge te Nazareth, waarvan Hij vele jaren lid is geweest. Nu bood Hij Zijn dienst aan, zoals Hij wellicht dikwijls gedaan had, Hij las een gedeelte uit de profeten, Handelingen 13:15. Het lezen der Schrift is een zeer gepast werk in de Godsdienstige bijeenkomsten, en Christus zelf heeft het niet beneden zich geacht om dat werk te doen. Hem werd gegeven het boek van den profeet Jesaja, hetzij door den overste der synagoge, of door den dienaar, vermeld in vers 20, zodat Hij geen indringer was, maar behoorlijk gemachtigd was pro hac vice -voor deze gelegenheid. Het tweede gedeelte der Schrift, dat op dien dag gelezen moest worden, uit de profetie van Jesaja zijnde, werd Hem dit boek gegeven om het er uit te lezen.
c. Den tekst, waarover Hij predikte. Hij stond op om te lezen, om ons eerbied te leren bij het lezen en het horen van het woord Gods. Toen Ezra het boek der wet opende, stond al het volk, Nehemia 8:6. Zo heeft ook Christus hier gedaan, toen Hij las in het boek der profeten. Het boek Hem nu gegeven zijnde, opende Hij het. De boeken des Ouden Testaments waren in zekeren zin gesloten, totdat Christus ze geopend heeft, Jesaja 29:11. Het Lam, dat geslacht is, is waardig het boek te nemen en zijne zegelen te openen, want Hij kan openen niet slechts het boek, maar ook het verstand. Hij vond de plaats, die op dien dag naar volgorde gelezen moest worden, en waarop Hij niet gewezen behoefde te worden, Hij vond haar spoedig en las haar, en nam haar tot Zijn tekst. Nu was Zijn tekst genomen uit Jesaja 61:1, 2, die hier uitvoerig is aangehaald. Het was ene beschikking der voorzienigheid Gods, dat op dien dag dat gedeelte der Schrift gelezen moest worden, dat zo duidelijk van den Messias spreekt, opdat zij gene verontschuldiging zouden hebben, die Hem niet kenden, hoewel zij de stemmen der profeten hoorden, die op elke sabbatdag gelezen werden, en die van Hem getuigden, Handelingen 13:27. Deze tekst geeft een volledig bericht van Christus' onderneming, en het werk, dat Hij is komen doen in de wereld. Merk op: Ten eerste, Hoe Hij voor dat werk bekwaam werd gemaakt. De Geest des Heeren is op mij. Al de gaven des Geestes waren Hem meegedeeld, niet met mate, zoals aan de andere profeten, maar zonder mate, Johannes 3:34. Hij is nu gekomen door de kracht des Geestes, vers 14.
Ten tweede, Hoe Hij gezonden was: Daarom heeft Hij mij gezalfd, Hij heeft mij gezonden. Zijn buitengewone bekwaamheid of bevoegdheid stond gelijk met een volmacht, Zijn gezalfd-zijn duidt zowel Zijne geschiktheid aan voor als Zijne roeping tot het werk. Hen, die God voor een werk of dienst bestemt, zalft Hij er ook voor. Omdat God Mij gezonden heeft, heeft Hij ook Zijn Geest met Mij gezonden.
Ten derde. Wat Zijn werk was, Hij was bekwaam gemaakt en gezonden,
1. Om een groot profeet te zijn. Hij is gezalfd om te prediken, dat wordt hier driemaal vermeld, want dat was het werk, waartoe Hij thans inging. Merk op:
a. Voor wie Hij moest prediken: voor de armen, voor hen, die arm waren in deze wereld, die door de Joodse leraren geminacht werden, en die zij niet waardig keurden om onderwezen te worden, voor hen, die arm van geest waren, de zachtmoedigen en nederigen, en voor hen, die wezenlijk treurden om hun zonden, aan hen zal het Evangelie en de genade welkom wezen, en zij zullen ze ontvangen, Mattheus 11:5. b. Wat Hij zou prediken. Over het algemeen moet Hij het Evangelie prediken. Hij is gezonden om euaggelizesthai -hen te evangeliseren, niet alleen om voor hen te prediken, maar om die prediking van kracht en uitwerking te doen zijn, haar niet slechts te brengen tot hun oren, maar tot hun harten. Drie dingen heeft Hij te prediken:
a. Loslating aan de gevangenen. Het Evangelie is ene verkondiging van vrijheid zoals die van Israël in Egypte en in Babylon. Door de verdienste van Christus kunnen zondaren verlost worden van de banden der schuld, en door Zijn geest en genade van de slavernij van het bederf. Het is een bevrijding uit de ergste slavernij, welke allen ten deel valt, die gewilligen bereid zijn om Christus tot hun Hoofd te maken, en zich door Hem willen laten regeren.
b. Het gezicht aan de blinden. Hij is gekomen, niet slechts om hun door het woord Zijns Evangelies licht te brengen, die in duisternis zijn gezeten, maar om door de kracht Zijner genade het gezicht te geven aan hen, die blind waren, niet slechts aan de heidenwereld, maar aan iedere onwedergeboren ziel, dat is niet slechts in gevangenschap, maar in blindheid, zoals Simson en Zedekia. Christus is gekomen om ons te zeggen, dat Hij een ogenzalf voor ons heeft, die wij slechts behoeven te vragen om haar te verkrijgen, dat, indien ons gebed is: Heere, dat onze ogen geopend mogen worden, Zijn antwoord zijn zal: Wordt ziende.
c. Het aangename jaar des Heeren, vers 19. Hij kwam om de wereld te doen weten, dat God, dien zij beledigd hadden, met hen verzoend wilde zijn, hen wilde aannemen op nieuwe voorwaarden, dat er nu een tijd is van welbehagen in de mensen. Dit ziet op het jaar der vrijlating, of jubeljaar, dat het aangename jaar was voor dienstbaren, die dan in vrijheid werden gesteld, voor schuldenaars, tegen wie dan alle recht en aanspraak ophielden, en voor hen, die hun land verpand hadden, want dan werd het weer hun eigendom. Christus is gekomen om het geklank der bazuin van het jubeljaar te doen horen, en zalig zij, die dat geklank horen, Psalm 89:16. Het was een aangename tijd, want het was de dag der zaligheid.
2. Christus is gekomen om een groot geneesmeester te zijn, want Hij was gezonden om te genezen die gebroken zijn van harte, om het neergedrukte geweten te vertroosten en te genezen, om vrede te geven aan hen, die ontroerd en verootmoedigd waren wegens hun zonden en in vrees voor Gods toorn, en hen tot rust te brengen, die vermoeid en beladen waren onder den last der schuld en des bederfs.
3. Om een groot Verlosser te zijn. Hij verkondigt niet slechts vrijheid aan de gevangenen, zoals Cyrus gedaan heeft aan de Joden in Babylon (al wie wil, kan opgaan), maar Hij stelt hen in vrijheid, die verpletterd waren, door Zijn Geest neigt Hij hen en stelt hen instaat om gebruik te maken van de vrijheid, die hun geschonken is, zoals toenmaals door niemand gedaan werd dan door hen, wier geest God verwekte, Ezra 1:5. Hij is gekomen om in den naam van God arme zondaren te ontslaan en vrij te laten, die schuldenaars en gevangenen waren van de Goddelijke gerechtigheid. De profeten konden slechts vrijheid uitroepen, maar Christus is gekomen als gezaghebbende, als de macht hebbende om op aarde de zonden te vergeven, om in vrijheid te stellen, en daarom wordt er hier deze zinsnede bijgevoegd. Dr. Lightfoot denkt dat Christus, naar de vrijheid, die de Joden aan de lezers toestonden, om in hun lezing Schrift met Schrift te vergelijken ter verklaring van den tekst, dit er bijgevoegd heeft uit Jesaja 58:6, waar het tot plicht wordt gesteld van het aangename jaar om "de ellendigen vrij los te laten", en waar de zinsnede, door de LXX gebruikt, gelijkluidend is met deze. c. Hier is Christus' toepassing van dezen tekst op Hem zelven, vers 21. Toen Hij hem had gelezen, rolde Hij het boek op, en gaf het terug aan den dienaar, en zat neer, overeenkomstig de gewoonte der Joodse leraren, dagelijks zat Hij in den tempel, lerende, Mattheus 26:55. Nu begon Hij Zijne rede aldus: Heden is deze Schrift in uwe oren vervuld. Hetgeen Jesaja geschreven heeft als profetie, heb Ik nu voor u gelezen als geschiedenis. Het begon nu vervuld te worden door Christus' ingaan tot Zijn openbare bediening, nu, in het bericht, dat zij gehoord hadden van Zijne prediking en Zijne wonderen in andere plaatsen, nu in Zijne prediking voor hen, in hun eigen synagoge. Zeer waarschijnlijk ging Christus voort en toonde inzonderheid hoe deze Schrift vervuld was in de leer, die Hij predikte betreffende het nabijgekomen-zijn van het koninkrijk, dat dit was een prediken van vrijheid, en gezicht, en genezing, en al de zegeningen van het aangename jaar des Heeren. Vele andere genaderijke woorden zijn uit Zijn mond voortgekomen, waarvan dezen slechts het begin waren, want Christus heeft dikwijls lange redevoeringen gehouden, waarvan wij slechts een kort bericht hebben. Dit was genoeg om zeer veel in te leiden: Heden is deze Schrift vervuld. Al de Schriften des Ouden Testaments, die vervuld moesten worden in den Messias, zijn ook vervuld in den Heere Jezus, hetgeen overvloedig bewijst dat Hij het was, die komen zou. Het is voegzaam om in de voorzienigheid Gods de vervulling der Schriften op te merken. De werken Gods zijn de vervulling niet slechts van Zijn verborgen woord, maar ook van Zijn geopenbaard woord, en het zal ons helpen om beide de Schriften en de voorzienigheid Gods te verstaan, als wij ze met elkaar vergelijken.
e. Wij hebben hier de aandacht en de bewondering der hoorders. Hun aandacht, vers 20, De ogen van allen in de synagoge -en zeer waarschijnlijk waren er velen-waren op Hem geslagen, in gespannen verwachting van hetgeen Hij zou zeggen, daar zij in den laatsten tijd zoveel van Hem hadden gehoord. Het is goed, om bij het horen des woords het oog op den leraar gevestigd te houden, door wie God tot ons spreekt, want gelijk het oog het hart aandoet, zo volgt het hart meestal het oog, en dwaalt af, of blijft stil, al naar het oog afdwaalt, of gevestigd blijft. Of liever, laat ons hieruit leren om het oog gevestigd te houden op Christus, die door den leraar tot ons spreekt.
Wat zegt mijn Heere tot Zijne dienstknechten? Hun bewondering, vers 22. Zij gaven Hem allen getuigenis, dat Hij verwonderlijk goed sprak, nuttig en ter zake. Zij allen prezen Hem, en verwonderden zich over de aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen, en toch blijkt uit hetgeen volgt, dat zij niet in Hem geloofden. Het is mogelijk dat zij, die bewonderaars zijn van goede leraren en een goede prediking, toch zelf geen ware Christenen zijn. Merk op: Ten eerste. Wat zij bewonderden: De woorden van genade die uit Zijn mond voortkwamen. De woorden van genade, goede woorden, en gesproken op tedere, hartinnemende wijze. Christus' woorden zijn aangenaam, woorden van genade, want genade is uitgestort in Zijne lippen, Psalm 45:3, woorden van genade vloeiden van Zijne lippen. En deze woorden van genade moeten bewonderd worden, Christus' naam was Wonderlijk, en in niets was Hij dit meer dan in Zijne genade, in de woorden van Zijne genade, en de kracht waarvan zij vergezeld waren. Wèl kunnen wij ons verwonderen, dat Hij zulke woorden van genade tot zulke onwaardigen als wij zijn gesproken heeft. Ten tweede. Wat hun verwondering deed toenemen, en dat was de overweging van Zijn oorsprong. Zij zeiden: Is deze niet de zoon van Jozef? en bijgevolg: is hij niet van geringe afkomst en weinige ontwikkeling of geleerdheid? Sommigen hebben, dit bedenkende, wellicht des te meer aanleiding gevonden om Zijn aangename woorden van genade te bewonderen, tot de gevolgtrekking komende dat Hij van God geleerd moest zijn, want zij wisten dat niemand anders Hem had onderwezen, terwijl anderen door deze overweging hun verwondering over Zijne woorden van genade voelden afnemen, tot de slotsom kwamen dat er niets werkelijks bewonderenswaardigs in was, hoezeer zij er ook den schijn van hadden, omdat Hij de zoon van Jozef was. Kan van iemand, die zo gering is, iets groots of opmerkenswaardigs voortkomen?
f. Christus' voorkomen van ene tegenwerping, die Hij wist in het hart Zijner hoorders te bestaan. Wat die tegenwerping was, vers 23. Gij zult zonder twijfel tot Mij dit spreekwoord zeggen: Medicijnmeester! genees uzelven! Omdat gij weet dat Ik de zoon ben van Jozef, uw nabuur, zult gij verwachten dat Ik wonderen onder ulieden zal doen, zoals Ik in andere plaatsen gedaan heb, gelijk men verwacht dat een geneesheer, als hij bekwaam is, niet slechts zich zelven, maar ook die van zijn gezin en zijne broederschap zal genezen. De meeste van Christus' wonderen waren genezingen. "Waarom zouden dan de kranken in uw eigen stad niet genezen worden, evengoed als de kranken in andere steden?" Zij waren bestemd om de mensen te genezen van hun ongeloof. "Waarom zou dan de ziekte des ongeloofs, indien het inderdaad ene ziekte is, niet evengoed genezen worden in hen, die van uw eigen stad zijn, zowel als in die van anderen? Wat wij gehoord hebben dat in Kapernaum geschied is, en waarvan zoveel gesproken is, "doe dat ook hier in uw vaderland." Zij waren verheugd over Christus' woorden van genade, doch slechts omdat zij hoopten, dat zij de inleiding zouden zijn voor sommigen van Zijn wondere werken. Zij verlangden dat hun kreupelen en blinden, hun kranken en melaatsen genezen en geholpen zouden worden, dat de last hunner stad verlicht zou worden, en dat was het voornaamste, waarnaar zij uitzagen en verlangden. Zij dachten dat hun eigen stad even waardig was als andere steden om het toneel van wonderen te zijn, en waarom zou Hij de mensen niet eerder hierheen dan naar andere plaatsen trekken. En waarom zouden Zijne buren en bekenden ook niet eerder het voorrecht en voordeel genieten van Zijne prediking en Zijne wonderen, dan iemand anders? Hoe Hij antwoordt op deze tegenwerping.
Ten eerste. Door een duidelijke en bepaalde reden, waarom Hij Nazareth niet tot Zijn hoofdkwartier wilde maken, vers 24, omdat het namelijk over het algemeen waar is, datgene profeet aangenaam is in zijn vaderland, tenminste niet zo aangenaam, noch met zoveel waarschijnlijkheid van welslagen in zijn streven om goed te doen, als in een anderland. De ondervinding heeft dit geleerd. Als een profeet met boodschappen en wonderen van genade gezonden werd, waren slechts weinigen van zijne landslieden, die zijne afkomst en opleiding kenden, instaat hem te ontvangen. Dat is de mening van Dr. Hammond. Gemeenzaamheid brengt minachting teweeg, en wij zijn licht geneigd gering te denken van hen, met wie wij gemeenzaam verkeren. En diegenen zullen nauwelijks als profeten geëerd worden, die wèl bekend zijn geweest als gewone mensen, als particulieren. Wat van verre komt, en duur gekocht is, wordt meer gewaardeerd dan hetgeen op eigen grond geteeld of gemaakt is, hoewel het in werkelijkheid voortreffelijker is. Dit komt ook voort uit de afgunst, die naburen gewoonlijk van elkaar hebben, zodat zij het niet kunnen dragen om in hem hun meerdere te zien, dien zij nog zo kort geleden als hun mindere hebben beschouwd. Zo heeft Christus geweigerd te Nazareth wonderen of iets buitengewoons te doen, vanwege het ingewortelde vooroordeel, dat zij daar tegen Hem hadden.
Ten tweede. Door treffende voorbeelden van twee der vermaardste profeten van het Oude Testament, die hun gunsten liever onder vreemden wilden bewijzen dan onder hun eigen landslieden, en dat wel ongetwijfeld onder Goddelijk bestuur en aanwijzing. Elia onderhield ene weduwe van Sarepta, een stad in Sidon, ene vrouw, die vervreemd was van het burgerschap Israël's, toen er hongersnood was in het land, vers 25, 26. Wij vinden die geschiedenis in 1 Koningen 17:9 en verder. Er wordt hier gezegd, dat de hemel drie jaar en zes maanden gesloten was, terwijl in Koningen 18:1 staat, dat Elia zich in het derde jaar aan Achab vertoonde, en dat er regen was, maar dat was niet het derde jaar van de droogte, maar het derde jaar van Elia's verblijf bij de weduwe te Sarepta. Gelijk God zich hierin wilde tonen als een Vader der wezen en een Rechter der weduwen, zo wilde Hij zich ook betonen als overvloedig in genade over allen, zelfs over de heidenen.
1. Elisa reinigde Naäman den Syriër van zijne melaatsheid, hoewel hij een Syriër was, en niet slechts een vreemdeling, maar een vijand van Israël, vers 27. Er waren vele melaatsen in Israël ten tijde van den profeet Elisa, inzonderheid vier, die de tijding brachten van het opbreken van het beleg van Samaria, dat in der haast was geschied, zodat zij den buit hunner tenten lieten om Samaria te verrijken, toen Elisa zelf zich in de belegerde stad bevond, en dit ook de vervulling was van zijne profetie, 2 Koningen 7:1, 3, enz. Wij bevinden echter niet dat Elisa hen reinigde, neen, niet eens als een beloning voor hun diensten en de goede tijding, die zij brachten, alleen deze Syriër werd door hem gereinigd, want niemand anders had geloof om zich tot den profeet om reiniging te wenden. Christus zelf heeft dikwijls groter geloof gevonden onder heidenen dan in Israël. En hier maakt Hij melding van deze beide voorbeelden om te tonen, dat Hij de gunst Zijner wonderen niet schonk naar een bijzonder aanzien, maar naar Gods wijze beschikking. En het volk van Israël zou met evenveel recht tot Elia of Elisa, als de lieden van Nazareth tot Christus, hebben kunnen zeggen: Medicijnmeester! genees uzelven. Ja meer, Christus werkte wonderen, wel niet onder Zijne stadgenoten, maar toch onder Israëlieten, terwijl deze grote profeten de hun onder heidenen hebben gewerkt. Het voorbeeld der heiligen kan geen slechte daad goed maken, maar zal er wel toe bijdragen om een goede daad van de blaam te zuiveren, die gemelijke, lichtgeraakte lieden er op werpen.
2. Hoe Hij te Nazareth vervolgd werd.
a. Wat hen tot toorn prikkelde was Zijn opmerken van de gunst, die God door Elia en Elisa aan de heidenen heeft getoond. Zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld, als zij dit hoorden, vers 28. Zij werden dit allen, een grote verandering sedert vers 22, toen zij zich verwonderen over de aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen, zo ongestadig zijn de meningen en genegenheden der menigte, zozeer wispelturig. Indien zij geloof hadden gevoegd bij de aangename, genaderijke woorden van Christus, waarover zij zich verwonderden, dan zouden zij door Zijn laatste woorden opgewekt zijn om toe te zien, dat zij de gelegenheden, die hun werden geboden, niet door hun zonden veronachtzaamden, maar zij streelden slechts hun oren, en gingen niet verder, en daarom waren Zijn laatste woorden een wanklank in hun oren, en prikkelden hun bederf. Het vertoornde hen dat Hij, dien zij als den zoon van Jozef kenden, zich met deze grote profeten durfde vergelijken, en hen vergeleek met de mannen van dien verdorven tijd, toen allen de knie voor Baäl hadden gebogen. Maar hetgeen inzonderheid hen in woede ontstak was, dat Hij te kennen gaf dat God genade en goedertierenheid had weggelegd voor de heidenen, een denkbeeld, dat den Joden onverdraaglijk was, Handelingen 22:21, 22. Hun vrome voorouders verheugden zich in de hoop van de heidenen tot de kerk te zien toegevoegd-getuigen velen van David's psalmen en de profetieën van Jesaja-maar toen dit ontaarde geslacht zelf het verbond had verbeurd, was hun de gedachte hatelijk, dat anderen er in opgenomen zouden worden.
b. Zij waren in zo hoge mate vertoornd, dat zij een aanslag beproefden op Zijn leven. Dit was bij het begin van Zijn openbaar dienstwerk een zware beproeving, maar tevens een proeve van de behandeling, die Hij ondervond, toen Hij tot de Zijnen is gekomen en zij Hem niet hebben aangenomen. Met onstuimigheid stonden zij tegen Hem op, vielen Hem in de rede, verstoorden hun eigen Godsdienstoefening, want zij konden niet blijven tot de dienst in hun synagoge geëindigd was.
Zij wierpen Hem uit buiten de stad, als iemand, die geen verblijf in hun midden waardig was, hoewel Hij er zo lang gevestigd was geweest. Zij stieten den Zaligmaker en de zaligheid van zich af, alsof Hij aller afschrapsel was. Hoe rechtvaardiglijk zou Hij vuur van den hemel op hen hebben kunnen afroepen! Maar dit was de dag Zijner lankmoedigheid. Zij leidden Hem op den top des bergs met het doel Hem van de steilte af te werpen, als iemand wie het niet betaamde te leven. Hoewel zij wisten hoe onschuldig Hij zoveel jaren onder hen had geleefd, hoe heilig Zijn wandel was geweest- hoewel zij zulk een goed gerucht van Hem hadden gehoord, en zo-even nog zelf Zijn aangename, genaderijke woorden hadden bewonderd, -hoewel het rechtvaardig zou geweest zijn om Hem aan te horen en Hem de vrijheid te geven zich nader te verklaren, joegen zij Hem voort in woede, of liever razernij, om Hem op de meest-barbaarse wijze om het leven te brengen, Soms waren zij gereed Hem te stenigen om de goede werken, die Hij deed, Johannes 10:32, hier omdat Hij de goede werken niet deed, die zij van Hem verwachtten. Tot zulk een hoogte van goddeloosheid was hun geweldenarij geklommen.
c. Maar Hij ontkwam, omdat Zijne ure nog niet was gekomen. Ongedeerd ging Hij door het midden van hen weg. Hetzij dat Hij hun ogen verblindde, zoals God de ogen der inwoners van Sodom en de Syriërs had verblind, of hun handen had gebonden, of hen in verwarring had gebracht, zodat zij niet konden doen wat zij voornemens waren, want Zijn werk was nog niet afgedaan, het was pas begonnen, Zijn ure was nog niet gekomen, toen zij gekomen was, heeft Hij zich vrijwillig overgegeven. Zij verdreven Hem, en Hij ging weg. Hij zou Nazareth vergaderd hebben, maar zij hebben niet gewild, en daarom is hun huis hun woest gelaten. Het heeft nog toegedaan aan den smaad, dat Hij Jezus van Nazareth was, dat het niet slechts ene plaats was, waaruit geen goeds kon zijn of komen. maar dat het zulk een goddeloze, ruwe en onbeschaafde plaats was, en die zich zo onvriendelijk voor Hem betoonde. Toch was hierin een beschikking van Gods voorzienigheid, dat Hij zo weinig door de mannen van Nazareth geacht of gewaardeerd werd, want anders zou het den schijn gehad hebben van ene samenspanning tussen Hem en Zijn oude bekenden. Maar nu, hoewel zij Hem niet hebben ontvangen, er waren anderen, die het wèl deden.