Jeremia 31:18-26
I. Hier vinden wij Ephraïms berouw en terugkeer tot God. Niet alleen Juda, maar ook Ephraim, het rijk van de tien stammen, zou hersteld worden en er derhalve op voorbereid en voor bekwaam gemaakt worden, Hosea 14:9. "Ephraïm, wat heb Ik meer met de afgoden te doen?" Ephraïm, als volk, wordt hier als een enkele persoon toegesproken om hun eensgezindheid uit te drukken, zij zullen één zijn in hun berouw, en God verheerlijken met één gemoed, uit één mond, één en allen. Door dit enkelvoud wordt eveneens aangewezen, dat die eensgezindheid het tevens ieder afzonderlijk gemakkelijker maakt terug te keren, door aller voorbeeld voorgegaan en aangemoedigd. Efraïm wordt hier voorgesteld als wenende om zijn zonden, misschien omdat Efraïm, de zoon van Jozef, naar wie de stam genoemd was, een gevoelig hart bezat: "hij droeg vele dagen leed en zijn broeders kwamen om hem te troosten," 1 Kronieken 7:22. En smart om de zonde wordt vergeleken met "rouw om een enige zoon." De boetvaardige wordt hier voorgesteld,
1. Bewenende zichzelf en zijn tegenwoordige ellendige toestand. Zo treuren waarlijk boetvaardigen.
2. Zichzelf beschuldigende, een zondaar, een groot zondaar te zijn. Hij beschuldigt zich in de eerste plaats van de zonde, die zijn consciëntie hem toen meer bepaaldelijk verweet, namelijk ongeduld onder de kastijding. "Gij hebt mij getuchtigd, ik ben onder uw hoede geweest, en ik verdiende het, ik had het nodig. Ik werd terecht getuchtigd, als een ongewend kalf, dat de roede nooit zou gevoeld hebben, als het niet weerspannig was geweest." Ware boetvaardigen beschouwen hun beproevingen als vaderlijke kastijdingen: "Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden. Dat is, het was goed, dat ik getuchtigd werd, anders ware het verkeerd met mij afgelopen. Het deed mij goed, bedoelde dat althans, en toch ben ik er ongeduldig onder geweest". Of het geeft het gebrek aan gevoel onder de tuchtiging te kennen. "Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden, dat was alles". Ik werd er niet door gewekt of verbeterd, ik lette alleen op de tuchtiging en zag niet verder. Ik ben onder de tuchtiging geweest "als een ongewend kalf, ongewend aan het juk, ongeregeld en onhandelbaar, slaande tegen de prikkels, gelijk een wilde os in het net," Jesaja 51:20. Dit is de zonde, waaraan hij zich schuldig weet, maar, vers 19, hij bedenkt die vorige zonden en herinnert zich de dagen van zijn jeugd. De ontdekking van een zonde brengt ons meerdere in herinnering, "hij gedenkt de smaadheid van zijn jeugd". Ephraïm als volk denkt na over het wangedrag van zijn vaderen, toen het eerst tot een volk werd. Ook is dit toepasselijk op de enkele persoon. Zie, de zonde van onze jonkheid was de smaadheid van onze jeugd, en wij moeten, zo vaak wij er aan denken, dat met smart en schaamte doen.
3. Hij is hier boos op zichzelf en gevoelt een heilige verontwaardiging over zijn zonde en dwaasheid. "Hij heeft op de heup geklopt," gelijk de tollenaar zich op de borst sloeg. Hij is verbaasd over zichzelf, over zijn eigen dwaasheid en onwilligheid. "Hij is beschaamd, ja ook schaamrood geworden, kan niet met vertrouwen tot God opzien noch met gerustheid aan zichzelf denken."
4. Hij beveelt zich aan Gods barmhartigheid en genade. Hij bevindt in zich een neiging om van God af te dwalen en kan zichzelf met geen mogelijkheid bij God houden, veel min, wanneer hij afgeweken is, weer terugkeren. "Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, wat betekent dat, tenzij Gods genade hem terugbrengt, hij zich nooit bekeren zal". Daarom begeert hij die genade, en bouwt erop, en twijfelt niet, of ze zal machtig genoeg zijn om hem door alle moeilijkheden heen te brengen, die hij op de weg van de bekering zal ontmoeten. Zie Hoofdstuk 17:14. "Genees mij, Heere, zo zal ik genezen worden." God werkt met macht, Hij kan de onwillige gewillig maken, als Hij de bekering van een ziel onderneemt, zo wordt ze bekeerd.
5. Hij vermaakt zich met de ervaring van de gezegende werking van de goddelijke genade: "Zeker, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad." Zie, al het vrome verlangen onzes harten naar God, is de vrucht van de machtige werking van de genade in ons.
Merk op, "hij werd bekeerd, hij werd onderwezen, zijn wil werd naar Gods wil omgebogen, doordat hij verstand kreeg aangaande goddelijke waarheden". Zie, de wijze, waarop God zondaars tot zich bekeert is dat Hij de ogen huns verstands opent, en daarop volgt alle goeds. "Nadat ik mijzelf ben bekend gemaakt, heb ik mij overgegeven, heb ik op de heup geklopt." Wanneer zondaars tot de rechte kennis komen, komen zij ook in een rechte weg. Ephraïm was getuchtigd, maar zonder het gewenste gevolg, en het bleef er bij: "Hij was getuchtigd en dat was alles". Maar toen het onderwijs van Gods Geest de kastijding van de goddelijke voorzienigheid vergezelde, toen werd er vrucht gezien, toen "sloeg hij op de heup, toen kreeg hij zo'n berouw over de zonde, dat hij er niet meer mee te doen wilde hebben."
II. Gods mededogen over Ephraïm en de vriendelijke ontvangst, die hem van Godswege ten deel valt, vers 20.
1. God erkent hem als zijn kind, al is hij een ondeugend en ongehoorzaam kind geweest: Is niet Ephraïm mij een dierbare zoon? Is hij Mij niet een troetelkind? Wanneer Ephraïm dus over zichzelf treurt, treurt ook God over hem, als over "een, die zijn moeder troost, al heeft zij hem bestraft, Jesaja 66:13. Is deze Ephraïm Mij een dierbare zoon? Is hij Mij niet een troetelkind?" Is hij het, die nu bedroefd is van geest en bitterlijk weent? Het is als horen wij de stem van Saul, 1 Samuël 26:17 :"Is dit uw stem, mijn zoon David?" Ja, nu is hij een dierbare zoon, een troetelkind, nu hij zich bekeert. Zie, degenen, die ondeugende afgedwaalde kinderen geweest zijn, zullen, als ze oprechtelijk terugkeren en berouw hebben, hoe ze ook onder de kastijding van de roede zich hebben gedragen, door God als dierbare zonen, als troetelkinderen aangenomen worden. Efraïm had getreurd, maar God geneest hem, hij heeft zich vernederd, maar God eert hem, gelijk de verloren zoon, die zich zelf niet meer waardig acht, "een zoon genaamd te worden. Zijn vader doet hem het beste kleed aan en een ring aan zijn vinger."
2. Hij laat zijn toorn varen en spreekt met teder mededogen over hem: "sinds ik tegen hem gesproken heb, door de bedreigingen van mijn woord en de kastijding mijner voorzienigheid, denk Ik nog ernstig aan hem, mijn gedachten jegens hem zijn gedachten des vredes." Zie, wanneer God Zijn volk bedroeft, vergeet Hij het niet, wanneer Hij het uit zijn land bant, verliest hij het niet uit het oog noch uit het hart. Zelfs dan, wanneer God "tegen" ons optreedt, arbeidt Hij "voor" ons en bedoelt met alles alleenlijk het goede, en dit is onze troost in onze beproeving, dat "Hij aan ons denkt, al hebben wij Hem vergeten. Ik denk nog ernstiglijk aan hem, en daarom rommelt Mijn ingewand voor hem, gelijk Jozefs ingewand over zijn broeders, zelfs toen hij hard met hen sprak". Toen Israëls beproeving tot berouwvolle belijdenis en onderwerping uitdreef, "werd des Heeren ziel verdrietig over de arbeid aan Israël" Richteren 10:16, want Hij is altijd bezield met de grootste tederheid. Gods barmhartigheid was het, die Ephraïms straf matigde: "Mijn hart is in Mij omgekeerd," Hosea 11:8, 9, en dezelfde barmhartigheid had een welgevallen aan Ephraïms berouw. Ephraïm had gepleit, vers 18 :Gij zijt de Heere mijn God, daarom wil ik tot U terugkeren, en mij op Uw barmhartigheid en genade verlaten. En God toont, dat Hij die pleitgrond aanneemt, want Hij betuigt, dat Hij God is en geen mens, omdat Hij zijn God is.
3. Hij besluit, hem goed te doen: Ik zal Mij zeker ontfermen, zegt de Heere. Zie, God heeft een rijke voorraad van barmhartigheid gewisse en verblijdende barmhartigheid, voor allen, die Hem oprecht zoeken en zich aan Hem onderwerpen. Hoe meer wij onze zonden bewenen, zoveel beter voorwerpen zijn wij voor de troost dier barmhartigheid
III. Genaderijke opwekking en bemoediging wordt Gods volk in Babel gegeven, om het voor de terugkeer naar zijn eigen land voor te bereiden. Laat het niet beven en de moed verliezen, laat het zijn tijd wel gebruiken en zich met kloek besluit en grote ijver gereed maken voor zijn reis, vers 21, 22.
1. Zij moesten aan niets dan aan hun terugkeer naar hun vaderland denken, waaruit zij verdreven waren, "Keer weer o jonkvrouwe Israëls! jonkvrouw, wier Man God weer zijn wil, keer weer tot deze uw steden, al zijn ze verwoest en tot puin geworden. Ze zijn uw steden, die uw God ze gegeven heeft, daarom keer tot uw steden weer". Zij moesten niet langer in Babel willen blijven dan totdat zij vrijheid verlangden, naar Zion terug te keren.
2. Zij moeten door dezelfde weg terugkeren, die zij gegaan zijn, opdat de herinnering aan de smart, die zij geleden of waarvan hun vaders hun verteld hadden, en het gezicht van de plaatsen, die dat alles in herinnering brachten, hen zoveel denkbaarder zouden maken voor de verlossing. Zij, die God verlaten en dienstknechten van de zonde zijn geworden, moeten langs dezelfde weg terugkeren, waardoor zij afgedwaald zijn, naar de verzuimde plichten, "en doen de eerste werken."
3. Zij moeten zich met al wat in hen is, aan die terugtocht wijden. "Zet uw hart op de baan geef er al uw aandacht aan, bedenk uw plicht, uw belang, en volg van ganser harte". Zie de weg van Babylon naar Zion, van de slavernij van de zonde naar de heerlijke vrijheid van Gods kinderen, is een baan, een gebaande weg, hij is recht, vlak, veilig en begaanbaar, Jesaja 35:8, toch zal niemand lichtelijk die weg bewandelen, tenzij hij "zijn hart er op zet."
4. Zij moeten zich toerusten met alle reisbenodigdheden: "Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zend mannen vooruit, om overal wanneer gevaar dreigt te verdwalen, merktekenen op te richten". Laat diegenen voorop gaan, die de weg het best kennen en dengenen, die volgen, wijzen hoe en waar te gaan.
5. Zij moeten met hart en ziel op reis gaan: "Hoe lang zult ge u onttrekken, gij afkerige dochter?" Laat uw gemoed niet weifelen of onzeker zijn, maar vorm een vast besluit, laat zorg noch vrees u afleiden, zoek geen steun bij schepselen, noch ga herwaarts en derwaarts om ze te believen, dat is vaak een teken, dat men van God afkeert. Houd u volstrekt aan God en heb een vaste geest.
6. Zij worden daartoe aangemoedigd door een verzekering, die God hun geeft: "Hij heeft wat nieuws op de aarde geschapen, een vreemd en wonderlijk ding: de vrouw zal de man omvangen." De kerk Gods, zwak en krachteloos als een vrouw, geheel onbekwaam voor militaire diensten en vreesachtig van gemoed, Jeremia 54:6, zal een machtige man omringen, aanvallen en overwinnen. De kerk wordt met een vrouw vergeleken, Openbaring 12:1. En terwijl wij lezen van heirlegers, die de legerplaats van de heiligen omringen, Openbaring 20:9, zal nu het heirleger van de heiligen hen omringen. Vele uitleggers verstaan onder dat nieuws, dat de Heere in dat land scheppen zou, de vleeswording van Christus, die God op het oog had, toen Hij Zijn volk naar hun land wederbracht, en die soms als een teken gegeven wordt, Jesaja 7:14, 9:6. Een maagd, Maria, zou de Almachtige baren, want dat betekent het hier gebruikte woord Geber, en God wordt Gibbor, de geweldige, machtige God genoemd, Hoofdstuk 32:18, wat ook Christus heet in Jesaja 9:6, dat van Zijn vleeswording spreekt. Hij is El-Gibbor, de machtige God. Laat dit hen verzekeren, dat God Zijn volk niet verstoot, want Zijn zegen zou onder hen wonen, Jesaja 65:8.
IV. Een aangenaam vooruitzicht wordt hun gegeven van een gelukkige nederzetting in hun eigen land.
1. Zij zullen bij hun naburen achting en goedwilligheid vinden, die hun een goed woord toevoegen en voor hen bidden zullen, vers 23 :Nog, of liever: weer (ofschoon Juda en Jeruzalem langen tijd tot verbazing en aanfluiting geweest waren), zullen zij dit woord zeggen zoals vroeger het geval is geweest, in het land van Juda en in zijn steden, De Heere zegene u, gij woning van de gerechtigheid, gij berg van de heiligheid. Daarin ligt opgesloten, dat zij zullen terugkeren, hervormd en in ieder opzicht beter, en deze hervorming zal zo in-het-oog- lopend zijn, dat iedereen het ziet. "De steden, broeinesten van roverij voorheen, zullen woningen van de gerechtigheid zijn, de berg Israëls" (zo wordt het gehele land genoemd, Psalm 78:54) en vooral de berg Zion, zal een "berg van de heiligheid zijn."
Merk op, gerechtigheid jegens mensen en heiligheid jegens God moeten samengaan. Godzaligheid en eerlijkheid heeft God samengevoegd laat niemand menen ze te kunnen scheiden noch denken, dat het een een gebrek in het andere goedmaakt. Het staat goed met een volk, dat dus gelouterd uit de druk te voorschijn komt, en het is een zeker voorteken van verder geluk. Wij mogen met een goed toeverzicht om de zegen Gods bidden over die "woningen van de gerechtigheid, over die steden en landen, die bergen van de heiligheid zijn". Daar zal de Heere zonder twijfel "de zegen gebieden."
2. Er zal overvloed van allerlei goeds onder hen wezen, vers 24, 25. En Juda mitsgaders al zijn steden zullen daarin wonen, ofschoon zij lang woest geweest zijn, beide de landman en de herder, de twee oude en eerbiedwaardige bedrijven van Kaïn en Abel, Genesis 4:2. Het is goed huizen in een woning van de gerechtigheid en op een berg van de heiligheid. De akkerlieden en die met de kudden reizen, de herders, zullen de vrucht van hun arbeid genieten, want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, dat is verzadigd, en Ik heb alle treurige ziel vervuld. Zij, die van de lange reis vermoeid waren en in hun gevangenschap ellende gekend hadden, zullen nu groter overvloed ontvangen. Dit is van toepassing op de geestelijke zegeningen, die God bewaard heeft voor alle ware boetvaardige, voor alle rechtvaardigen en heiligen. Zij zullen overvloedig vervuld worden met goddelijke genade en troost. In de liefde en gunst van God zal de moede ziel rust en de bedroefde blijdschap vinden.
V. De profeet meldt ons welk een blijdschap deze tijdingen in het land brachten, vers 26.
De profetieën, die God soms had gegeven aangaande de rampen, die Juda en Jeruzalem zouden treffen, waren zeer smartend geweest, zie Hoofdstuk 4:19, maar deze voorspellingen zijn, reeds op een afstand, verkwikkend. Hierop ontwaakte ik en zag toe, als overstort met vreugde, werd mijn slaap afgebroken, en ik dacht na over mijn droom, die mijn slaap zoet gemaakt had. Ik was verfrist als iemand, die gerust heeft geslapen. Diegenen kunnen zoet slapen, die zich neerleggen en opstaan in de gunst van God en in de gemeenschap met Hem. Geen enkel uitzicht in deze wereld is zoeter voor godvrezende mensen, ook voor godvrezende predikanten, dan dat van de voorspoed van Gods kerk. Wat kunnen wij met meer voldoening aanschouwen dan het goede van Jeruzalem, al de dagen onzes levens en vrede over Israël?