18. Er is in de liefde, daar waar een wederkerige liefdesbetrekking tussen God en ons bestaat, geen vrees, die het tegendeel van vrijmoedigheid is, maar de volmaakte liefde, als die bij ons is tot stand gebracht, drijft de vrees voor God, die uit onze vroegere verhouding van tweespalt is achtergebleven, buiten, om ons nu ook echt zalig te maken en van alle rampzaligheid, die nog aanwezig is, ons te bevrijden. Dat is tot ons heil nodig; want de vrees heeft pijn en daarvan wil juist de liefde bevrijden en die vreest, is niet volmaakt in de liefde, zoals het toch moest en kon zijn, als het slechts ernstig werd begeerd.
Er wordt van tweeërlei soort van vrees in de Bijbel melding gemaakt, die geheel tegen elkaar over staan. De eerste bezielt al de hemelingen, de andere beheerst de bewoners van de hel. Er is een vrees, die uit liefde ontstaat, deze woont in het hart van het jonge kind: de vrees van de Heere is het beginsel van de wijsheid. Deze leefde ook in Job's gemoed. Hij was God vrezende en wijkende van het kwaad. Ja zelfs de Heere Jezus werd door deze vrees bestuurd in alles, wat Hij deed. Op Hem rustte de Geest van de kennis en van de vrees van de Heere en Zijn rieken was in de vrees van de Heere. Er is een vrees, die uit angst voortkomt. Dit is de vrees van de duivels: de duivels geloven en zij sidderen. Deze vrees voelden Adam en Eva na de val en vluchtten voor de stem van God en trachtten zich te verbergen in het midden van het geboomte van het hof. In diezelfde zielstoestand verkeerde de stokbewaarder, toen hij binnen sprong en zeer bevende voor Paulus en Silas neerviel, zeggende: "Lieve heren! wat moet ik doen, opdat ik zalig wordt? Dit is de vrees, waarvan hier gesproken wordt een vrees, die pijn veroorzaakt. De vrees geeft pijn. Sommigen onder u hebben die vrees, die pijn heeft, gevoeld. Mochten nog velen van u die heden voelen; mocht zij nu over u komen. Vergun mij u uit te leggen, hoe zij in de ziel ontstaat. Een natuurlijk mens werpt alle vrees van zich af en neemt het gebed voor Gods aangezicht weg; hij is van zijn jeugd aan gerust geweest en heeft op zijn heffe stil gelegen en is van vat in vat niet geledigd; daarom is zijn smaak hetzelfde gebleven en zijn reuk niet veranderd. Hij is gelijk en braakland, waar de ploegschaar nooit is doorgegaan en waarop niet dan doornen en distels groeien. Zijn er niet sommigen onder u, die nooit gevreesd hebben voor hun ziel? U meent, dat u even bent als anderen. Och! uw begoocheling zal snel moeten ophouden. Als de Geest van God de ogen opent, doet Hij de verhardste zondaar sidderen. Hij houdt hem het aantal van zijn zonden voor, of liever Hij doet hem inzien, dat die ontelbaar zijn. Te voren vergat hij zijn zonde gemakkelijk; vloeken kwamen hem over de lippen zonder dat hij er eens aan dacht; iedere dag vermeerderde zijn zondeschuld op zijn bladzijde en in Gods gedenkboek, maar hij lette daar niet op. Maar nu roept de Geest van God hem al zijn zonden tegelijk voor de geest. Al zijn onverzoende, lang vergeten gruweldaden rijzen uit het verleden op. Nu begint hij te sidderen. Ongerechtigheden zonder getal hebben hem omgeven. De Geest doet hem de uitgebreidheid van de zonde en haar afschuwelijkheid voor God voelen. Te voren scheen zij een beuzeling in zijn oog, maar nu gaat zij als een stortvloed over zijn ziel. Hij voelt, dat de toorn van God op hem rust, een vreselijk geluid weerklinkt in zijn oor. Hij weet niet wat aan te vangen, zijn vrees heeft pijn. Nu ziet hij het in, dat hij gezondigd heeft tellen een heilig God gezondigd tegen een God vol liefde, gezondigd tegen Jezus Christus en diens liefde. Een derde oorzaak, die de ziel vreselijk pijnigt, is de verdorvenheid, die in het hart woont en werkt. Vaak moeten mensen, die krachtig van zonde overtuigd zijn geworden, al de macht van het inklevend bederf ondervinden. Soms kunnen de verzoeking tot en de overtuiging van zonde de ziel vreselijk pijnigen en haar als het ware van een scheuren. De overtuiging van zonde doorboort het hart en drijft hem aan, om de toekomende toorn te ontvluchten, maar op hetzelfde ogenblik voelt een onstuimige begeerlijkheid, of haat, of afschuwelijkste boosheid in zijn hart en drijft hem terug op de weg van het verderf. Dan voelt de mens een hel in zijn binnenste woeden. Dezelfde vreselijke strijd zal in de hel heersen, daar zal een alles overweldigende vrees voor de toorn van God de zielen aangrijpen en toch zal het verderf, dat in hen woedt, hen aandrijven, om steeds meer en meer het aangezicht van God te ontvluchten. Hetzelfde wordt vaak hier op aarde gevoeld. Sommigen van u ondervonden het wellicht in dit ogenblik. Dit is de vrees, die pijn heeft, een andere waarheid, waarvan de Geest de ziel overtuigt, is haar onmacht om zichzelf te helpen. Als een mens pas de ogen geopend zijn voor zijn ware toestand, dan zegt hij: ik zal mijzelf snel uit deze treurige staat weten te verlossen. Hij zoekt een menigte uitvluchten om zichzelf te rechtvaardigen. Hij verandert zijn gedrag, hij poogt zich te bekeren, te bidden. Maar weldra wordt hem getoond, dat al zijn gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed, "dat hij zijn onrein gewaad met bezoedelde lompen probeert te bedekken; hij leert beseffen, dat al wat hij kan doen te doen, niets betekent en dat hij nooit iets reins kan geven uit de onreine. Dit werpt een grote duisternis over de ziel. Die vrees heeft pijn. Hij vreest dat hij nooit door Christus aangenomen zal worden. Hij vreest dat hij wellicht bij ervaring, dat deze vrees pijn heeft. Juist de onvoorwaardelijke aanbieding van Christus treft u. U hoort, dat Hij de liefde zelf is dat Hij zondaren nodigt om tot Hem te komen dat Hij nooit uitwerpt degenen, die tot Hem komen. Maar u vreest, dat u nooit tot die gelukkigen zult behoren. U vreest. dat u te lang of te snood gezondigd, dat u uw dag van genade verzondigd heeft. Och! deze vrees heeft pijn. Maar de liefde, waarvan hier sprake is, is niet onze liefde tot God, maar Zijn liefde tot ons: want zij wordt de volmaakte liefde genoemd. Al wat ons voorkomt, is onvolmaakt. Als wij alles volbracht hebben, moeten wij zeggen: wij zijn nutteloze dienstknechten. Alles, wat wij denken en doen, is met zonde besmet. Het zou geen troost voor ons kunnen zijn, als men ons zei, dat onze volmaakte liefde tot God de vrees zou buiten drijven, want hoe kunnen wij die liefde in onze ziel uitstorten. Het is de liefde van de Vader tot ons, die de vrees buiten drijft. Hij is de volmaakte, Zijn werken zijn volmaakt. Hij kan niets doen dan hetgeen volmaakt is. Zijn kennis is een volmaakte kennis, Zijn toorn een volmaakte toorn; Zijn liefde een volmaakte liefde, die de vrees buiten drijft. Zoals de stralen van de zon de duisternis verdrijven, die plaats zij ook verlichten, zo verdrijft deze liefde vrees. Tot wie strekt deze liefde van God zich uit? Tot Jezus Christus. Tweemaal sprak God van de hemel en zei: Deze is mijn geliefde Zoon, waarin Ik mijn welbehagen heb. God draagt Zijn Zoon een volmaakte liefde toe. Hij ziet een oneindige schoonheid in Zijn persoon. God ziet Zichzelf geopenbaard. Hij smaakt een eindeloze vreugde in Zijn volbracht werk. Het oneindige hart van de eeuwige van God stort zich uit in liefde tot onze Heere Jezus Christus. En in het hart van Christus is geen vrees. Al zijn vrees is voorbijgegaan. Eens zei Hij: "Ik draag uw angsten, ik ben twijfelmoedig", maar nu is Hij volmaakt in de liefde en de volmaakte liefde drijft de vrees buiten. Hoor dit, u sidderende zondaren. Hier kunt u rust vinden voor uw zielen. U hoeft geen enkel uur langer in die pijnlijke vrees te leven, Jezus Christus heeft de toorn van God gedragen, waarvoor u vreest. Nu staat Hij daar als een toevlucht voor de verslagenen van hart een toevlucht in de tijd van benauwdheid. Zie op Christus en uw vrees zal weggenomen zijn. Werp u aan de voeten van Christus en u zult rust vinden. Roept de naam van de Heere aan en u zult verlost worden. U zegt, dat u niet op Christus kunt zien, noch tot Hem komen, noch Hem aanroepen, omdat u zo hulpeloos bent in u zelf. Hoor dan en uw ziel zal leven. Jezus Christus is een redder van hulpelozen. Christus is niet alleen de Zaligmaker van hen, die arm zijn en naakt en die geen deugd bezitten om zich bij Hem aan te bevelen, maar Hij is ook de Zaligmaker van hen, die onmachtig zijn om zichzelf aan Hem over te geven. U kunt niet zo ellendig zijn, dat u niet door Christus gered kunt worden; zolang u ongelovig blijft, blijft u onder Zijn toorn een toorn, die door niets wordt verzacht. De toorn van God zal even verbazend zijn als Zijn liefde. Uit hetzelfde hart komen beiden voort. Maar het ogenblik, waarin u op Christus ziet, komt u onder Zijn volmaakte liefde een liefde, die geen koelheid kent een licht zonder enige schaduw- een liefde zonder een enkele wolk of berg, die ons van Hem scheidt. De liefde van God zal alle vrees buiten drijven.
Staat in de liefde naar volmaaktheid! Het voorbeeld van de volmaakte liefde is u voorgesteld. Het is u gegeven in Hem, die Johannes aanschouwd heeft in het vlees en die u aanschouwt in het getuigenis van Johannes. Hierin is de liefde bij ons volmaakt, dat zoals Hij is, wij ook zijn in deze wereld. O, als wij zo met de apostel spreken, welk beeld staat ons van hem voor de geest? Het beeld, het volmaakte toonbeeld van de ontfermende, dienende, vergevende, zegenende, onvermoeide, onuitputtelijke, tot alles bereidwillige liefde, in een wereld vol liefdeloosheid, ongevoeligheid, hoogmoed en ondankbaarheid, waarvoor hij nochtans al deze weldaden en het leven zelf ten beste had. Dat wij ons in zo een en geen andere wereld bewegen, schijnt ons vaak een verschoning te mogen zijn voor onze onvolmaaktheid, voor onze onstandvastigheid in de liefde; maar mag het dit met het voorbeeld van deze liefde voor ogen, terwijl ons hart ons zegt dat wij niet dan door deze liefde te behouden waren en behouden zijn? En als wij, die dit erkennen en hierop al onze vrijmoedigheid tegen de dag des oordeels gronden, onszelf nog zo gedurig betrappen op rasheid tot toorn en traagheid tot vergeven; als dienen, weldoen en verdragen, zachtmoedigheid, goedertierenheid, goedheid ons nog vaak zo veel moeite kosten en zelfverloochening, dat ware wezen van de liefde nog zo weinig vanzelf bij ons spreekt en gaat, wat wonder, als onze vrijmoedigheid niet altijd even onbeneveld is, als er, bij zoveel overblijvende zonde, nog een evenredige smart van die vrees overblijft, die niet volkomen uitgedreven wordt dan door de volmaakte liefde? Zeg niet, mijn broeder in Christus, ook de uitnemenste zolang hij in het vlees is, is onvolmaakt in de liefde; volmaaktheid in de liefde is onbereikbaar aan deze zijde van het graf. Het is de waarheid, maar zeg haar niet koelbloedig, zeg haar niet verdrietig. Niet koelbloedig. Want wat wilt u? U tevreden stellen met de geringe mate van liefde, die u heeft en oefent en gewillig afstand doen van de toenemende mate van vrede en vreugde en vrijmoedigheid, waartoe u raken zou bij elke vordering in liefde? O, als u dat kon, u zou noch de ware droefheid over uw zonde, noch een waarachtig geloof in de liefde van God en Christus ooit gekend hebben. Zeg haar niet verdrietig. Want schoon de volmaaktheid hier op aarde niet kan bereikt worden, het is een heilige vreugde haar tegemoet te wandelen, immers dit geschiedt langs een weg, waarop men de Heiland tot geleider heeft en over het graf de hemel voor zich ziet. Uit de open poort met het opschrift: Laat alle vrees varen, u die hier binnen treedt! kom ons op deze weg een stroom van licht, een adem van het leven te gemoed. En daarbinnen wordt zeker de heerlijkste kroon door hen gedragen, die hier op aarde met de meeste volharding de pijn van de overblijvende vrees door volmaking in de liefde bestreden hebben. Met wat een dankbaarheid zullen zij, die daar het volkomen geluk van de volkomen liefde voor het aangezicht van God genieten, terug denken aan die aarde, waarop zij voor dit geluk zijn uitverkoren en toebereid! Hoe zullen zij tot zelfs die vrees zegenen, die pijn, die een foltering een straf in zich had, niet te ontvluchten dan bij de genade van God, niet te overwinnen dan door het geloof in Jezus, niet geheel uit te drijven dan door de volmaaktheid in de liefde! En u lichtzinnige mens op aarde! u ontveinst u deze vrees en haar pijn, u verhardt u tegen haar prikkel, u slaat haar waarschuwingen in de wind! U stopt de oren, omdat zij u blijft toeroepen: Wie heeft u te vluchten gegeven van de toekomende toorn en u zelf met verstrooiingen bedwelmende, met drogredenen verdovende wandelt u de plaats van de onontgaanbare pijniging tegemoet, waar de worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt. Dit doet u, terwijl bladzijden voor u liggen opgeslagen, die u prediken wat door de apostel van de liefde van het standpunt van het geloof aan gelovigen tot volmaking van hun vreugde en heiligheid geschreven is! Nee, dit doet u niet langer; het is genoeg. O, zeg uw God, die het weet, dat het genoeg is! Leg uw dwaasheid af, belijd uw zonde; erken de liefde van God! En leer ook u nog is het de dag des oordeels niet, nog is het de dag van het behoud leer ook u in deze dag van de vrees, die pijn heeft, tot de liefde, waarin geen vrees is, doordringen,