Mattheus 9:27-34
In deze verzen hebben wij het bericht van nog twee wonderen, die terzelfder tijd door den Heere gewrocht zijn.
I. Het schenken van het licht der ogen aan twee blinden, vers 27-31. Christus is de Bron van licht zowel als van leven, en, gelijk Hij zich bij het opwekken der doden betoond heeft dezelfde te zijn, die in den beginne den mens den adem des levens had ingeblazen, zo betoonde Hij zich, door aan blinden het gezicht te geven, dezelfde, die in den beginne geboden heeft, dat het licht in de duisternis zou schijnen. Let nu op:
1. Het dringend, aanhoudend, bidden van deze blinden. Christus was teruggekeerd uit het huis van den overste naar Zijne eigene woning en deze blinden volgden Hem, en, gelijk bedelaars, vervolgden zij Hem met hun onophoudelijk geroep, vers 27. Hij, die zo gemakkelijk krankheden kan genezen, zo krachtig en zo volkomen, en daarbij nog om niet, zal geen gebrek hebben aan patiënten. Gelijk voor andere dingen, is Hij ook vermaard als oogarts. Let nu op: Den titel, dien deze blinden aan Christus gaven: "Gij, Zone David's, ontferm U onzer!" De belofte, aan David geschonken, dat uit zijne lenden de Messias zou voortkomen, was welbekend, en daarom werd de Messias ook gemeenlijk "de Zone David's" genoemd. Te dier tijd heerste algemeen de verwachting van Zijne verschijning. Deze blinden weten, en erkennen, en roepen het uit in de straten van Kapernaum, dat Hij gekomen is, en dat Deze het is, hetgeen ene verzwaring is van de dwaasheid en de zonde der overpriesters en Farizeeën, die het ontkenden en Hem tegenstonden. Zij konden Hem en Zijne wonderen niet zien, maar "het geloof is uit het gehoor". Zij, die door de voorzienigheid Gods beroofd zijn van het licht der ogen, kunnen toch door Gods genade "verlichte ogen des verstands hebben", zodat zij die grote dingen Gods onderscheiden, die voor "de wijzen en verstandigen verborgen" zijn.
Hun bede:" Ontferm U onzer". Het was voorzegd, dat "de Zone David's" barmhartig zou zijn, Psalm 72:12, 13, en in Hem schittert "de innerlijke barmhartigheid onzes Gods", Lukas 1:78. Welke noden of lasten wij ook hebben, wij hebben voor hulp en ondersteuning niets meer nodig dan te delen in de ontferming onzes Heeren Jezus. Het zij Hij ons geneest of niet geneest, indien Hij zich "onzer ontfermt", hebben wij genoeg, en wat nu de bijzonderheden in het betoon dier ontferming betreft, dat kunnen wij veilig aan de wijsheid van Christus overlaten. Deze blinden zeiden niet, ieder voor zich, "Ontferm U mijner" maar beiden zeiden voor elkaar: "Ontferm U onzer." Het betaamt hun, die onder ene zelfde beproeving lijden, in te stemmen in dezelfde gebeden om hulp en uitkomst. Mede-lijders behoren mede-bidders te zijn. In Christus is genoeg voor allen. Hun aanhouden in dit bidden, zij volgden Hem, roepende". Het schijnt, alsof Jezus hun in het begin generlei aandacht schonk, want Hij wilde hun geloof beproeven. Hij wist, dat het sterk was. Hij wilde hen vurig maken in den gebede, en Zijne genezingen des te meer doen waarderen, als zij niet altijd op het eerste woord gewerkt werden. Hij wilde ons leren te "volharden in het gebed", "altijd te bidden", en niet "te vertragen" en hoewel de verhoring niet terstond plaats heeft, er toch naar uit te zien, haar te verwachten, de voorzienigheid te volgen, zelfs in die wegen en handelingen, waarop en waarin het schijnt, alsof zij in tegenspraak zijn met ons gebed. Christus wilde hen niet openlijk op straat genezen, want Hij wilde aan deze genezing gene ruchtbaarheid geven, vers 30. Maar toen Hij in het huis kwam, volgden zij Hem naar binnen, en kwamen tot Hem. Christus' deur is altijd geopend voor gelovige, aanhoudende bidders. Het scheen ruw en vrijpostig in hen, om Hem in het huis te volgen, toen Hij zich wenste terug te trekken, maar zo groot is Jezus' tederheid. dat zij niet meer vrijmoedig waren dan zij Hem welkom waren. De belijdenis van geloof, die Christus hun toen ontlokte. Toen zij om ontferming tot Hem kwamen, vroeg Hij hun: "Gelooft gij, dat Ik dat doen kan?" Geloof is de grote voorwaarde om Christus' gunst te verkrijgen. Zij, die de weldaad van Christus wensen te verkrijgen, moeten een vast geloof hebben in Zijne macht. Wij moeten er ten volle van verzekerd wezen, dat Hij doen kan, wat wij wensen, dat Hij voor ons doen zal. Zij volgden Christus, en volgden Hem roepende, maar de grote vraag is: "Gelooft gij"? De natuur kan vurigheid teweeg brengen, maar alleen genade kan geloof werken, geestelijke zegeningen worden slechts door geloof verkregen. Zij hadden hun geloof te kennen gegeven in het ambt van Christus als "Zone David's", en in Zijne ontferming, maar nu eist Christus ook ene belijdenis van geloof in Zijne macht. "Gelooft gij, dat Ik dat doen kan?" Christus wil, dat Hem de heerlijkheid Zijner macht zal toegeschreven worden door allen, die er het nut en voordeel van hopen te ontvangen. "Gelooft gij, dat Ik dat doen kan?" deze gunst kan schenken, het gezicht kan geven aan blinden, zowel als geraaktheid genezen en doden opwekken? Het is goed om de algemene ver- zekeringen van Gods macht en goedheid toe te passen op onze bijzondere noden en behoeften. "Alle dingen zullen medewerken ten goede", alle dingen, dus ook dit. "Gelooft gij, dat Ik dat doen kan, dat Ik niet slechts als profeet bij God kan overmogen, maar dat Ik het doen kan door Mijne eigene macht?, Dat zal dan gelijk staan met het geloof, niet slechts, dat Hij "de Zone David's" is, maar dat Hij "de Zone Gods" is, want het is Gods kroonrecht de ogen der blinden te openen, Psalm 146:8, en de ogen ziende te maken, Exodus 4:11. Job was den blinden tot ogen, Job 29:15, hij was hun in de plaats van ogen, maar aan de blinden ogen geven, dat kon hij niet. Ook ons wordt de vraag gesteld: Geloven wij dat Christus dat voor ons doen kan door de kracht van Zijne verdienste en voorbede in den hemel, van Zijn Geest en genade in het hart en van Zijne voorzienigheid en heerschappij in de wereld? In de macht van Christus te geloven is niet slechts ons er van verzekerd te houden, maar er ons aan toe te vertrouwen, en er ons door te bemoedigen. Op deze vraag geven zij terstond en zonder te aarzelen antwoord. Zij zeiden "Ja Heere". Hoewel Hij hen voor ene wijle in onzekerheid had gelaten, en hen niet terstond had geholpen, schreven zij dit eerlijk toe aan Zijne wijsheid, niet aan Zijne zwakheid of onmacht, maar waren nog volkomen overtuigd van Zijne macht. De schatten der genade, die weggelegd zijn in de macht van Christus, zijn "gewrocht voor degenen, die op Hem betrouwen." Psalm 31:20. De genezing, die Christus in hun werkte, "Hij raakte hun ogen aan", vers 29. Dit deed Hij om hun geloof aan te moedigen, dat Hij door Zijn uitstel beproefd had, en om te tonen, dat Hij aan blinde zielen het gezicht geeft door de werkingen Zijner genade, die het woord vergezellen, de ogen zalvende met ogenzalve, en Hij legde de genezing op hun geloof: "U geschiede naar uw geloof". Toen zij om genezing vroegen, vroeg Hij naar hun geloof, vers 28 :"Gelooft gij, dat Ik dat doen kan?" Hij vroeg niet naar hun rijkdom, of zij in staat waren Hem voor hun genezing te betalen, noch naar hun aanzien in de wereld, of Hij door hun genezing in aanzien zou toenemen, maar naar hun geloof, en nu zij hun geloof hadden beleden, verwees Hij de zaak daarnaar: "Ik weet, dat gij gelooft, en de macht, in welke gij gelooft, zal ten uwen behoeve worden aangewend: U geschiede naar uw geloof." Hieruit blijkt, dat Hij de oprechtheid kende van hun geloof en het goedkeurde. Het is voor ware gelovigen een grote troost, dat Jezus Christus hun geloof kent, en er een welbehagen in heeft. Hoewel het zwak is, en anderen het niet kunnen bemerken, hoewel zij zelven maar al te zeer geneigd zijn om het in twijfel te trekken, is het Hem bekend. Zijn aandringen op hun geloof als noodzakelijk: "Indien gij gelooft, zo ontvangt dan hetgeen waar gij om gekomen zijt." Zij, die tot Jezus gaan om hulp en redding, zullen ontvangen naar hun geloof, niet naar wat zij zich inbeelden, of naar hetgeen zij zeggen, maar naar hun geloof, dat is: ongelovigen kunnen niet verwachten enigerlei gunst te vinden bij God, maar ware gelovigen kunnen er van verzekerd wezen al die gunst te vinden, die in het Evangelie wordt aangeboden, en onze vertroostingen nemen af of nemen toe, al naar ons geloof zwakker of sterker is, wij zijn niet nauw in Christus, zo laat ons dan niet nauw zijn in ons zelven. Het bevel, dat Hij hun gaf, om deze genezing niet ruchtbaar te maken, vers 30. "Ziet, dat het niemand wete." Hij gaf hun dien last, om ons een voorbeeld te geven van die nederigheid van hart, en die zachtmoedigheid, die Hij wil, dat wij van Hem zullen leren. In het goede, dat wij doen, moeten wij niet onzen eigen lof zoeken, maar de ere en heerlijkheid Gods. Het moet meer ons streven zijn om nuttig te wezen, dan om het bekend te laten worden, dat wij dit zijn, Prediker 20:6. Aldus ondersteunde Christus den regel, dien Hij had gegeven: "Laat uwe linkerhand niet weten wat uwe rechter doet." Sommigen denken, dat Christus door dit geheim te willen houden, Zijn misnoegen toonde tegen de lieden van Kapernaum, die zo vele wonderen hadden gezien, en toch niet geloofden. Het stilzwijgen, dat opgelegd wordt aan hen, die de werken van Christus behoren bekend te maken, is een oordeel over ene plaats of een volk, en het is rechtvaardig in Christus om de middelen ter overtuiging te onthouden aan hen, die hardnekkig in hun ongeloof willen blijven, en het licht te omhullen voor hen, die er hun ogen voor toesluiten. Hij deed dit ook uit voorzichtigheid, ter Zijner beveiliging, want hoe meer Hij bekend gemaakt werd, hoe afgunstiger de oversten der Joden werden op zijn toenemenden invloed op het volk. Maar toen na Zijne opstandig, die het volkomen bewijs was Zijner zending, Zijn geestelijk koninkrijk opgericht werd, was dit gevaar voorbij, en toen konden zijne wonderen aan alle volken bekend gemaakt worden. Hij merkt ook op, dat de wonderen, die Christus wrocht onder de Heidenen en de Gadarenen, wèl bekend gemaakt moesten worden, omdat bij dezen dat gevaar niet bestond. Maar ere is gelijk de schaduw, die, evenals zij vliedt van hen, die haar volgen, diegenen volgt welke haar ontvluchten. vers 31. "Zij hebben Hem ruchtbaar gemaakt." Dit was eerder ene daad van ijver, dan van wijsheid of voorzichtigheid, en hoewel zij verontschuldigd kan worden, als eerlijk de ere van Christus bedoelende, kan zij toch niet gerechtvaardigd worden, daar zij tegen het bepaald bevel van Christus inging. Als wij de ere Gods willen bevorderen, dan hebben wij wèl toe te zien, om daarbij in overeenstemming te handelen met Gods wil.
II. De genezing van een stomme, die van den duivel bezeten was. En hier hebben wij op te merken, dat: Zijn toestand zeer treurig was. Hij bevond zich onder de macht van den duivel in dien bijzonderen zin, dat hij onbekwaam was gemaakt om te spreken, vers 32. Zie den rampzaligen toestand van deze wereld, en hoe velerlei de beproevingen zijn der beproefden! Niet zodra hebben wij afgedaan met twee blinden, of wij ontmoeten een stomme. Hoe dankbaar behoorden wij te wezen aan God voor ons gezicht en onze sprake! Zie de boosheid van Satan tegen het menselijk geslacht, en op hoe velerlei wijze hij dit toont. De sprakeloosheid van dezen mens was het gevolg van zijne bezetenheid, maar het was beter, dat hij niet in staat was iets te zeggen, dan, evenals de bezetenen, van wie in hoofdstuk 8:29 verhaald wordt, gedwongen te zijn te zeggen: Wat hebben wij met U te doen?" Van de twee is een stomme duivel beter dan een Godlasterende duivel. Als de duivel bezit neemt van ene ziel, dan wordt zij ten opzichte van veel goed tot zwijgen gebracht, zij is stom in gebed en lofzegging, waarvan de duivel een gezworen vijand is. Deze arme mens werd gebracht tot Christus, die niet slechts hen ontving, die uit zich zelven, en gedwongen door hun eigen geloof, tot Hem kwamen, maar ook hen, die tot Hem gebracht werden door hun vrienden, en dus kwamen door het geloof van anderen. Hoewel de rechtvaardige uit zijn geloof eeuwig zal leven, kunnen ons toch tijdelijke zegeningen geschonken worden op het geloof en de voorbede van anderen. Zij brachten hem in, juist op het ogenblik, dat de blinden het huis verlieten. Zie hoe onvermoeid Christus was in goeddoen, hoe snel het ene goede werk op het andere volgde. Schatten van genade, wondervolle genade, zijn in Hem verborgen, die onophoudelijk meegedeeld, maar nooit uitgeput kunnen worden. Zijne genezing, die zeer plotseling was, vers 33. "Als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme". Christus' genezingen gaan tot den wortel, de oorzaak, der kwaal, en doen de gevolgen verdwijnen door dat de oorzaak weggenomen is. Hij opent de lippen, door Satans macht te verbreken in de ziel. In de heiligmaking maakt Hij de wateren gezond door zout te werpen in de bron. Als Christus door Zijne genade den duivel uitwerpt uit ene ziel, dan zal de stomme terstond spreken. Toen Paulus bekeerd was, heet het van hem: "Zie, hij bidt", toen heeft de stomme gesproken. De gevolgen dezer genezing. "De scharen verwonderden zich", en wèl mochten zij dit, hoewel weinigen geloofden, hebben velen zich verwonderd. Het gemene volk wordt eerder tot verbaasdheid bewogen dan tot enigerlei andere aandoening des gemoeds. Het was voorgezegd, dat het nieuwe lied, het Nieuw-Testamentische lied, wegens de wondere daden des Heeren zou gezongen worden, Psalm 98:1. Ze zeiden: "Er is nooit desgelijks in Israël gezien", en dus ook nooit ergens anders, want onder geen volk zijn zulke wonderen van genade geschied als onder Israël. Er waren profeten onder Israël, die zeer vermaard zijn geweest om de wonderen, die zij gedaan hebben, maar Christus heeft hen allen overtroffen. De wonderen van Mozes hadden betrekking op Israël als volk in zijn geheel, maar Christus' wonderen geschiedden aan afzonderlijke personen. De Farizeeën lasterden, vers 34. Als zij het overtuigend blijk dezer wonderen niet konden ontkennen, schreven zij ze toe aan den duivel, alsof zij door een verdrag, in samenspanning met hem, waren geschied. "Hij werpt de duivelen uit door den overste der duivelen," ene afgrijselijke gedachte, waarvan wij later meer zullen horen, en dan tevens het antwoord, dat Christus er op geeft, Hoofdstuk 12:25, hier zij slechts opgemerkt, hoe boze mensen en verleiders tot erger voortgaan, 2 Timotheus 3:13, en dat is tegelijk hun zonde en hun straf. In hun twisten met Christus wegens Zijn vergeven van zonde, vers 3, zijn omgang met tollenaren en zondaren, vers 11, en het niet vasten, vers 14, waren zij reeds hatelijk genoeg, maar toch hadden zij daarbij nog een schijn van vroomheid, reinheid en Godsdienstigheid, maar dit gezegde ademt niets anders dan boosheid, en valsheid, en helse vijandschap, en dat wel in de hoogste mate, het is volstrekt en geheel duivels, en daarom ook volkomen terecht onvergeeflijk genoemd. Omdat het volk zich verwonderde, moeten zij iets zeggen, dat afbreuk doet aan het wonder, en dit nu was alles wat zij wisten te zeggen.