Lukas 18:35-43
Christus is gekomen, niet slechts om licht te brengen aan een duistere wereld, en ons aldus de voorwerpen te tonen, die wij voor ogen moeten hebben, maar ook om het gezicht te geven aan blinde zielen, en door het orgaan te genezen hen instaat te stellen die voorwerpen te zien. Als teken hiervan heeft Hij velen van hun lichamelijke blindheid genezen. Hier hebben wij het bericht van een blinde nabij Jericho, aan wie Hij het gezicht had gegeven. Markus bericht ons van enen, en noemt hem, dien Hij genezen had, toen Hij van Jericho uitging. Mattheus spreekt van twee, die Hij genas als Hij van Jericho uitging, Mattheus 20:30. Lukas zegt, dat het was en tooi eggizein auton -als Hij nabij Jericho was, hetgeen kon wezen zowel toen Hij er kwam, als toen Hij er van uitging. Merk op:
I. Deze arme blinde zat aan den weg bedelende, vers 35. Hij schijnt niet alleen blind maar ook arm geweest te zijn, hij bezat niets om van te leven, hij had geen betrekkingen, die hem onderhielden, des te gepaster embleem is hij van de wereld en het mensdom, die Christus is komen genezen en behouden, zij zijn ellendig en jammerlijk, want zij zijn beide arm en blind, Openbaring 3:17. Hij zat bedelende, want hij was blind, en kon niet werken voor zijn brood. Diegenen behoren door de liefdadigheid ondersteund te worden, die in den weg van Gods voorzienigheid niet instaat zijn hun brood te verdienen. Zulke voorwerpen van barmhartigheid aan den weg moeten niet door ons voorbijgezien worden. Christus heeft hier een gunstig oog geslagen op een gewonen bedelaar en, hoewel er onder de zodanige bedriegers zijn, moeten wij toch niet denken dat allen dit zijn.
II. Horende het gedruis der voorbijgaande schare, vroeg hij wat dat ware? vers 36. Dit hebben wij tevoren niet gehad. Het leert ons dat het goed is weetgierig te zijn, en dat zij, die het zijn, er wel vroeg of laat nut en voordeel van zullen hebben. Zij, die het gezicht derven, moeten des te meer gebruik maken van hun gehoor, en als zij met hun eigen ogen niet zien kunnen, moeten zij, door navraag te doen, anderer ogen gebruiken. Dat heeft deze blinde gedaan, en hierdoor kwam hij te weten dat Jezus van Nazareth voorbijging, vers 27. Het is goed om in den weg van Christus te zijn, en als wij de gelegenheid hebben om ons tot Hem te wenden, haar niet te laten voorbijgaan.
III. Er is in zijn gebed veel geloof en veel vurigheid: Jezus, gij Zone David's, ontferm U mijner, vers 38. Hij erkent Christus de Zone David's te zijn, de beloofde Messias, hij gelooft, dat Hij is Jezus, een Zaligmaker, hij gelooft, dat Hij machtig is hem te helpen, en vraagt ernstig en vurig om Zijne gunst. Ontferm U mijner, vergeef mij mijne zonden, ontferm U over mijne ellende. Christus is een barmhartig Koning, zij, die zich tot Hem wenden als den Zone David's, zullen bevinden dat Hij dit is, en zij vragen genoeg voor zich zelven als zij bidden: Ontferm U onzer, want Christus' genade omvat allen.
IV. Zij, aan wie het waarlijk ernst is om Christus' gunst en zegen te erlangen, zullen er zich niet van laten afhouden om ze te zoeken, er om te blijven vragen, al ontmoeten zij dan ook tegenstand en bestraffing. Die voorbijgingen bestraften hem, als zijnde den Meester lastig, luidruchtig en onbescheiden, en zij geboden hem te zwijgen, maar hij ging voort, hield aan met zijne bede, ja de bestraffing, die hij ontving was slechts als een dam voor een vollen stroom, hij doet hem slechts te meer zwellen. Hij riep zoveel te meer: Zone David's, ontferm U mijner! Zij, die verhoring willen vinden op hun gebed, moeten dringend aanhouden in hun gebed. Deze geschiedenis aan het einde van het hoofdstuk geeft hetzelfde te kennen als de gelijkenis aan het begin van het hoofdstuk, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen. V. Christus geeft aanmoediging aan arme bedelaars, die door de mensen met norse blikken worden aangezien, en nodigt hen tot zich, en is bereid hen te ontvangen en welkom te heten: Hij beval, dat men hem tot Hem brengen zou. Christus heeft meer tederheid en mededogen voor kommervolle smekelingen dan Zijne volgelingen. Hoewel Christus nu op reis was, bleef Hij toch staan en beval, dat men hem tot Hem zou brengen. Zij, die hem hadden bestraft, moeten hem nu helpen om tot Christus te komen.
VI. Hoewel Christus al onze behoeften kent, wil Hij ze toch van ons horen, vers 41. Wat wilt gij dat Ik u doen zal? Door onze zaak voor God bloot te leggen, door Hem onze noden en onze lasten voor te stellen, leren wij den zegen te waarderen, dien wij zoeken te verkrijgen, en dat hebben wij nodig, want anders zijn wij niet geschikt hem te ontvangen. Deze man stortte zijne ziel uit voor Christus, toen hij zei: Heere! dat ik ziende mag worden. Aldus behoren wij bij bijzondere gelegenheden in bijzonderheden te treden in ons gebed.
VII. Het gebed des geloofs, geleid en bestuurd door Christus' bemoedigende beloften en daarop gegrond, zal niet tevergeefs worden opgezonden, ja, het zal niet slechts een antwoord des vredes ontvangen, maar ook der ere, vers 42, Christus zei: Word ziende, uw geloof heeft u behouden. Waar geloof zal vurigheid in het gebed teweegbrengen, en beiden tezamen zullen de vruchten van Christus' gunst doen komen, en zij zijn dubbel troostrijk als zij in dien weg tot ons komen, als wij behouden worden door ons geloof.
VIII. De genade van Christus behoort dankbaar erkend te worden, tot eer van God, vers 43. De arme bedelaar zelf, die het gezicht terug had ontvangen, volgde Christus, God verheerlijkende. Christus heeft er Zijn werk van gemaakt Zijn Vader te verheerlijken, en zij, die door Hem genezen werden, behaagden Hem het meest als zij God loofden, gelijk diegenen het meest Gode zullen behagen, die Christus loven en Hem eren, want, belijdende, dat Hij de Heere is, is dit tot heerlijkheid Gods des Vaders. Het is tot eer van God, als wij Christus volgen, gelijk zij doen, wier ogen geopend zijn. Het volk, dat ziende, kon zich niet onthouden van Gode lof te geven, die zulk een macht had gegeven aan den Zoon des mensen, en door Hem zoveel gunst had betoond aan de kinderen der mensen. Wij moeten God loven zowel voor de genade betoond aan anderen, als voor die, welke aan ons zelven werd bewezen.