20. Zeggende: Sta op, neem het kindeke en Zijn moeder met u (
Vers 13), en trek in het land Israël: want zij zijn gestorven, die de ziel, het leven van het kindeke zochten, er is verder geen gevaar meer aanwezig (
Richteren 5:31). De woorden bevatten een verwijzing naar
Exodus 4:19 wat daar van Mozes en zijn vlucht voor farao gezegd was, vat Mattheus hier in betrekking op Jezus op, zodat Mozes als een voorafschaduwing van Hem voorkomt.
Het kan zijn, dat de engel in het meervoud spreekt, om te verzekeren, dat Herodes thans uit de weg geruimd is en nu ook alle anderen, die men anders had moeten vrezen, niet meer te vrezen waren; misschien is echter bij deze uitdrukking, behalve op Herodes, ook in het bijzonder gedoeld op zijn zoon Antipater, die hij enkele dagen vóór zijn dood, omdat hij zijn vader had willen vergiftigen, in de gevangenis had laten vermoorden, en deze te voren door hem bij testament tot opvolger bestemd was.
Ware Christenen moeten nimmer zeer beangstigd worden door de vervolging van een mens. Hun vijanden mogen sterk en zij zwak zijn, toch moeten zij niet verschrikt worden. Zij moeten bedenken, dat de triomf van de goddeloze maar kort duurt. Wat is er geworden van de farao's en de Nero's en de Diokletianussen, die eens het volk van God wreed vervolgden? Waar is de vijandschap gebleven van een Karel IX van Frankrijk en van de bloeddorstige Maria van Engeland? Zij deden hun uiterste, om de waarheid te gronde te werpen, maar de waarheid rees opnieuw op van de aarde en leeft nog; en zij zijn gestorven en verrotten in het graf. Dat geen gelovige het hart bezwijke. De dood is een machtig sloper, en kan iedere berg uit de weg nemen van Christus' kerk. De Heere leeft eeuwig. Zijn vijanden zijn slechts mensen. De waarheid zal altijd zegevieren.
Tot recht begrip van het volgende als van de Evangeliën in het algemeen en de Handelingen der Apostelen, vervolgen wij hier de geschiedenis van de Herodianen, die in het slotwoord op 1 Makkabeeën werd afgebroken bij de dood van Herodes de Grote, terwijl wij op de daar vermelde stamboom acht slaan, tot op de verwoesting van Jeruzalem. In zijn laatste testament had Herodes omtrent zijn opvolgers in de regering op de volgende wijze beschikkingen gemaakt:
Archelaüs, koning over Idumea, Judea en Samaria. Herodes Antipas, viervorst over Galilea en Perea. Filippus, viervorst over Iturea, Gaulanitis, Auranitis, Tragonitis en Batanea.
Bovendien vermaakte hij aan zijn zuster Salóme de steden Jamnia, Asdod, Fasaëlis en Archelaïs, die deze weer bij haar dood aan de keizerin Livia vermaakte. Archelaüs nu, nadat hij de begrafenis van zijn vader volbracht had, begaf zich naar Jeruzalem en ontving op de tempelberg de huldiging van het volk, waarbij hij een vrijstelling van belasting toestond; het volk eiste echter nog veel andere dingen, zodat Archelaüs tot geweld de toevlucht nam en een groot bloedbad aanrichtte, waarin 3. 000 Joden om het leven kwamen. Nadat de rust hersteld was, begaf hij zich naar Rome om door Augustus in zijn waardigheid bevestigd te worden. Tegelijk met hem verscheen daar zijn broeder Antipas, die hem geheel wilde verdringen, en eveneens afgezanten van de Joden, die om bevrijding van de heerschappij van de Herodianen vroegen. Na lang talmen bevestigde Augustus het testament van Herodes, maar stond Archelaüs allereerst slechts de titel van Ethnarch toe. Na zijn terugkeren huwde hij de weduwe van zijn halfbroeder Alexander, Glafyra, bij wie hij ook kinderen verwekte; in het vervolg van zijn regering zette hij willekeurig Hogepriesters aan en af, en gedroeg hij zich in de hoogste mate despotisch en wreed, in het bijzonder tegen de Samaritanen, zodat hij herhaalde malen bij de keizer werd aangeklaagd, deze hem in het jaar 6 na Chr. afzette en in ballingschap naar Vienne in Gallië zond, terwijl hij van zijn land Judea en Samaria bij Syrië als direct Romeins gebied voegde. Deze beide landschappen stonden tot op het jaar 41 na Chr. onder het oppergezag van de stadhouders van Syrië, wier opvolging gedurende de tijd van de Bijbelse geschiedenis van het Nieuwe Testament deze is:
1) P. Quintilius Varus van 6-1 vóór Chr. 2) M. Lollius 1 vóór Chr. tot 3 na Chr. 3) C. Marcius Censorinus (?) 3 na Chr. 4) L. Volusius Quirinus 4 na Chr. 5) P. Sulpicius Quirinus 6-11 na Chr. 6) Creticus Silanus 11-17 na Chr. 7) Cn. Calpurnius Pis 17-19 na Chr. 8) Cn. Sentius Saturninus (?) 19 na Chr. 9) Anlius Lamia 20-22 na Chr. 10) Pomponius Flaccus 22-33 na Chr. 11) Tussentijd zonder stadhouder 33-35 na Chr. 12) Lucins Vitenins 35-39 na Chr. 13) Publins Petronius 39-42 na Chr. 14) C. Tibius Marsus 42-44 na Chr. 15) C. Cassins Longinus 45-50 na Chr. 16) Ummidius Quadratus 50-60 na Chr. 17) Domitius Corbulo 61 65 na Chr. 18) Cestius Gallus 65-66 na Chr. 19) Licinius Mucianus 66-69 na Chr.
Om de verre afstand van het hoofdland verkregen zij bijzondere landvoogden, die gewoonlijk te Caesarea aan de zee resideerden, ten tijde van de hoge feesten naar Jeruzalem kwamen en daar het paleis van Herodes bewoonden. Tot op het genoemde jaar volgden zij zo elkaar op.
1) Coponius 6-14 na Chr. 2) Markus Ambivius idem 3) Annius Rufus idem 4) Valerius Gratus 14-25 na Chr. 5) Pontius Pilatus 26-36 na Chr. 6) Marcellus 36-37 na Chr. 7) Marullus 37-41 na Chr.
Ter opheldering van Handelingen 5:37 wordt hier nog het volgende meegedeeld: dadelijk na de verbanning van Archelaüs volgde de zending van Quirinus naar Syrië (ongeveer in de zomer van 6 na Chr. ) terwijl het bestuur van Judea in het bijzonder aan bovengenoemde Coponius was opgedragen. In het daarop volgende jaar kwam Quirinus zelf naar Judea om een schatting op het land te leggen. De Joden waren reeds door het gerucht van een schatting alleen, die slechts als inleiding voor een brandschatting kon dienen, in opgewonden stemming; zij werden echter door de toespraak van de Hogepriester Joazar, de zoon van Boëthus, bewogen om geen weerstand daartegen te bieden. Een onbezonnen gedeelte sloot zich echter toch aan Judas uit Gamala (zuidoostelijk van het meer Gennesareth) en de Farizeeër Zadok aan, die tot openbare opstand aanhitsten en daardoor veel ellende veroorzaakt hebben.
Gaan wij nu over tot Herodes Antipas. Deze werd door zijn onderdanen eveneens met de koningstitel vereerd, hoewel hij slechts viervorst was (Markus 6:14 Lukas 3:1). Hij had zijn gebied aan beide zijden van de Jordaan en resideerde gewoonlijk te Tiberias aan het meer Gennesareth 4:25), maar in de zomer was hij, om het hete en ongezonde van het klimaat, te Livias, ten oosten van Jericho. De inkomsten van Antipas bedroegen 200 talenten; ook wordt in Lukas 8:3 van zijn rentmeester gesproken. Hij was een lichtzinnig vorst, buitengewoon aan het levensgroot overgegeven, geveinsd en niet vrij van geweld, hoewel meer karakterloos dan wreed. Gehuwd met de dochter van de Arabische koning Aretas, werd hij toen hij eens op een reis naar Rome zijn halfbroeder Filippus (Herodes c. zie de stamboom B. II 3), die ambteloos leefde, bezocht, op diens vrouw Herodias (B. I. 2, 4) verliefd, en maakte met haar de afspraak, dat zij na zijn terugkeren van Rome bij hem zou komen, terwijl hij zijn vrouw, met wie hij reeds lang getrouwd was, wilde verstoten. De laatste, die nog gedurende afwezigheid van Antipas bericht ontving van zijn verbintenis met Herodias, ontvluchtte over Machaerus naar haar vader te Petra, welke stad toen de hoofdstad van Arabië was; de voorgenomen vereniging van de beiden kwam vervolgens werkelijk tot stand. Wij komen op deze geschiedenis bij hoofdstuk . 4:12vv. terug. In het jaar 36 kwam Herodes met zijn vorige schoonvader Aretas in moeilijkheden over de grensscheiding en werd in de daaruit ontstane oorlog geheel geslagen: het volk zag daarin reeds de straf van God wegens de onthoofding van Johannes de Doper. Nu wendde hij zich wel tot zijn beschermer, de Romeinse keizer Tiberius, met de bede om hulp, en van deze ontving ook de Syrische stadhouder Vitellius het bevel, Aretas levend of dood over te leveren; maar voordat het bevel kon volbracht worden, stierf Tiberius op 16 maart 37 na Chr. , en Vitellius, die eerst tot Jeruzalem was opgerukt, waar hij gedurende het Paasfeest rustte, zette de oorlog nu niet verder voort. Hardere slagen ontving Herodes onder de nu volgende keizer Gaius Caligula, Bij deze verkreeg zijn neef Herodes Agrippa I (B. I. 2 c. 1), die hij vroeger uit grote verlegenheid had geholpen, zo'n grote invloed, dat hij de vroegere Tetrarchie van Filippus, die na diens dood aan het einde van het jaar 33 of het begin van 34 na Chr. bij Syrië gevoegd was, benevens de tetrarchie van Lysanias (Lukas 3:1) onder de titel van koning in het bezit verkreeg. Verder wist Agrippa zijn oom, Herodes Antipas, bij de keizer zo verdacht te maken, dat Antiras, die op aandringen van de eergierige Herodias en door haar vergezeld, naar Rome was gekomen, om eveneens de koningstitel te verkrijgen, in het jaar 39 na Chr. werd afgezet en naar Lyon in het toenmalige Gallië verbannen. Hij is later in Spanje gestorven. Zijn tetrarchie kwam in het volgend jaar aan Agrippa I. Deze steeg nog in aanzien bij de nu volgende keizer Claudius, die aan hem grote dank verschuldigd was, en zo verkreeg hij bij het gebied, dat hij reeds bezat, in het jaar 41 nog Judea en Samaria, waardoor nu weer geheel Palestina onder één scepter (41-44 na Chr) verenigd was. Wij vermelden uit deze tijd nog een belangrijk voorval onder de Syrische stadhouder Petronius. Deze had van de keizer Caligula het bevel ontvangen, het keizerlijke standbeeld met geweld in de tempel te Jeruzalem op te richten, de tegenstrevende om te brengen en als het nodig was het gehele volk tot slaven te verkopen. Voordat nu de Joden het wilden geloven, dat dit bevel ernstig gemeend was, stond Petronius reeds met het 3de legioen en met zijn bondgenoten bij Ptolemeüs. Omdat aan gewapende tegenstand niet te denken was, verzamelden mannen, vrouwen en kinderen zich bij scharen in de vlakte van Ptolomeüs, van de stadhouder bescherming afsmekende voor het geloof van hun vaderen. Deze, door hun beden bewogen, begon met de vertegenwoordigers van het volk te Tiberias onderhandelingen. Hier zocht hij de Joden te bewijzen, hoe onverstandig hun bede was; alle volken zonder uitzondering hadden de beelden van de keizer behalve de beelden van hun landgoden geplaatst; zij alleen wilden een uitzondering maken en beledigden door ongehoorzaamheid op dit punt de keizer persoonlijk. De Joden beriepen zich daarentegen op hun wet; zij hadden niet eens een beeld van hun eigen God in de tempel, laat staan, dat zij het beeld van een mens daarin zouden dulden. Petronius verklaarde, dat hij zijn heer toch gehoorzaamheid moest bewijzen, en hij zou daarom het bevel met geweld ten uitvoer brengen, waarop het gehele volk verklaarde, dat het bereid was te sterven. De stadhouder wist niet wat hij tegenover zo'n moed zou beginnen en verdaagde daarom de onderhandelingen. De volgende dag beproefde hij het opnieuw met gebeden en bedreigingen, maar met hetzelfde gevolg. Inziende, dat het land de ondergang tegemoet ging, wanneer hij thans het bevel van de keizer ten uitvoer bracht - de zaaitijd was bijna voorbij en nog had niemand om de onzekere uitslag het veld in gereedheid - gaf hij toe, riep het volk nog eens tezamen en maakte hun zijn besluit bekend, dat hem zijn leven kon kosten. Hij wilde zijn heer bidden, hem van de uitvoering van het bevel te verschonen. Gelukte het hem niet diens toorn te stillen, zo wilde hij zijn leven voor het volk opofferen. Door de zegenwensen van het volk vergezeld, reisde hij naar Ptolemeüs terug en voerde hij zijn troepen naar Antiochus. Van daar meldde hij de keizer, wat hij had gedaan en verzocht hem dringend, het volk met te verderven, omwille van dit bevel, daar het geen tegenstand was, maar godsdienstige weerzin, die de Joden tot het uiterste dreef. Als antwoord bedreigde Caligula hem met de dood; voordat echter die brief met de bedreiging in handen van Petronius kwam, was Caligula reeds vermoord en in zijn plaats onder medewerking van Agrippa, die juist in Rome aanwezig was, Claudius tot keizer uitgeroepen. Van de dood van Agrippa, die van geheel gelijke aard als die van Herodes de Grote was, lezen wij in Handelingen 12 Omdat zijn zoon Agrippa II pas 17 jaar oud was en nog niet tot de regering werd toegelaten, werd het grootste gedeelte van het land weer van Syrië, en Judea en Samaria stonden tot op de laatste Joodse oorlog weer onder landvoogden, van wie wij hier nog niet de tijd van hun bestuur (deze is moeilijk te bepalen en kan pas bij de behandeling van de geschiedenis van de Apostelen behandeld worden), maar alleen de namen opgeven, 8) Cuspius Fadus, 9) Tiberius Alexander, 10) Ventidius Cumanus, 11) Antonius (volgens anderen Claudius) Felix. 12) Porcius Festus, 13) Albinus, 14) Gessius Florus. Wat de viervorst Filipus aangaat, die wel te onderscheiden is van de vroegere man van Herodias, diens gebied besloeg het oude Basan of de uitgestrekte open hoge vlakte, die van de voet van de grote Hermon zich tot aan het Haurangebergte in het zuidoosten en de Hiëromax in het zuiden uitstrekt. Het westelijk gedeelte van deze grote vlakte, die aan de zee van Tiberias en de Jordaan grenst, is het landschap Gaulanitis (thans Dscholan). Het noordelijk gedeelte boven de stad Caesarea Filippi heet Iturea (thans Dschedur). Het oostelijke is Auranitis (thans Haran). Het noordelijk daarvan liggende, lage en steenachtige district is Trachonitis (thans el Ledscha), en zuidelijk daarvan, naar het Haurangebergte, ligt Batanea. Zoals Filippus nog tijdens het leven van zijn vader, toen hij bij deze door Antipater in verdenking was gebracht, voor onschuldig erkend werd, zo betoonde hij zich later als verreweg de beste van de zonen van Herodes de Grote, als een zacht vorst, die zich ijverig op zijn plichten toelegde en van eenvoudige leefwijze was. De stad Caesarea, naar hem Filippi bijgenaamd, oorspronkelijk, naar de nabijgelegen berg Panius, Panias geheten, waar Herodes de Grote een tempel voor Augustus had opgericht, bouwde hij omtrent het jaar 6 na Chr. verder uit (hoofdstuk . 16:13). Zij ligt op de hoogte van een mooi terras van kalksteen, ongeveer 1147 voet boven de zee; in haar ligging verenigt zij in hoge graad het grootse met het mooie, ingesloten in een hoek aan de zuidvoet van de krachtige Hermon, die zich majestueus achter haar verheft. Een andere door Filippus gebouwde stad, het 5 mijl zuidelijker gelegen Bethsaïda, noemde hij ter ere van de dochter van de keizer Julias. Hier richtte hij zich een grafteken op, en later is hij daar ook bijgezet. Omdat hij van zijn vrouw, Salóme, de dochter van Herodias, geen erfgenamen had, zo behoorde van 34-37 na Chr. de tetrarchie, die hij bezeten had, tot de provincie Syrië, doch kwam, zoals te voren is meegedeeld, in het laatstgenoemde jaar aan Agrippa I. Diens zoon Agrippa II verkreeg pas omtrent het jaar 48 of 49 van de keizer Claudius het kleine vorstendom Chalcis aan de Libanon, dat tot die tijd zijn oom Herodes (B. 12 c. 3) had toebehoord, evenals het, sinds 46 na Chr. eveneens door hem waargenomen opzicht over de tempel te Jeruzalem, waaraan het recht was verbonden, om Hogepriesters aan te stellen. Omtrent deze tijd werd ook de betrekking van bloedschande aangeknoopt tussen hem en de weduwe van de voorganger, zijn volle zuster Berenice (Ac 25:13). Vier jaar later (53 na Chr) viel hem, onder de titel van een koning, in plaats van dat vorstendom, de Tetrarchie van Filippus met die van Lysanias ten deel, waarbij vervolgens keizer Nero nog 3 steden en 14 dorpen in Galilea voegde, terwijl verreweg het grootste gedeelte van de joodse staat Romeinse provincie bleef. Door de verdrukking van de boven met name genoemde stadhouders van Syrië, alsmede van hun eigen landvoogden ontstond een gisting onder het Joodse volk. Agrippa zocht zo veel mogelijk de crisis 28:31), die zich steeds dreigender aankondigde, af te wenden. Hoewel hij veel tot verfraaiing van Jeruzalem, vooral ook door voltooiing van de buitenwerken aan de tempel, bijgedragen heeft, stond hij toch in geen bijzonder aanzien bij het volk. Toen vervolgens de oorlog tegen de Romeinen uitbrak, sloot hij zich voortdurend aan deze aan; na het eindigen van de oorlog bleef hij nog 30 jaar in het bezit van zijn kleine heerschappij, en stief hij als 70-jarige grijsaard onder de regering van keizer Trajanus (in het jaar 101 na Chr. ).