Genesis 31:1-16
Jakob neemt hier het besluit om de dienst van zijn oom terstond te verlaten, hetgeen van hem was te nemen, en naar Kanaän terug te keren. Hij nam dit besluit onder de leiding van God, nadat hem rechtmatige reden tot toorn en ontevredenheid was gegeven, en met de raad en de toestemming van zijn vrouwen.
I. Nadat hem rechtmatige reden tot toorn was gegeven, want Laban en zijn zonen waren zeer onaangenaam en kwaadwillig jegens hem gestemd, zodat hij noch aangenaam, noch veilig onder hen verblijven kon.
1. Labans zonen toonden dit in hetgeen zij zeiden, vers 1.
Zij schijnen het ten aanhoren van Jakob gezegd te hebben met het doel hem te kwellen. Het laatste hoofdstuk begon met het verhaal van Rachels afgunst op Lea, dit begint met de afgunst van Labans zonen op Jakob.
Merk hier op:
a. Hoe grotelijks zij Jakob's voorspoed verheerlijken: hij heeft al deze heerlijkheid gemaakt, of verkregen. En wat was nu al deze heerlijkheid, waarvan zij zo hoog opgeven? Een troep bruine schapen en gespikkelde geiten (en wellicht deden de fraaie kleuren het die zo mooi waren in hun ogen) enige kamelen en ezels en dergelijke zaken, en dat was nu al deze heerlijkheid. In de ogen van vleselijke mensen is rijkdom heerlijkheid, terwijl er voor allen, die kennis hebben aan hemelse dingen, geen heerlijkheid in is, in vergelijking met de uitnemende heerlijkheid. De menselijke overschatting van wereldse rijkdom is een fundamentele dwaling, die de wortel is van geldgierigheid, afgunst en alle kwaad.
b. Hoe laaghartig zij Jakob's trouw verdenken, alsof hij niet eerlijk was gekomen aan hetgeen hij had, Jakob heeft genomen alles, wat van onze vader was. Toch zeker niet alles! Wat was er geworden van het vee, dat aan de zorg van Labans zonen was toevertrouwd en drie dagreizen ver was weggezonden? Hoofdstuk 30:35, 36. Zij bedoelen: alles wat aan zijn hoede en zorg toevertrouwd was, daar echter haat en nijd hen doen spreken, drukken zij zich dus op een algemene wijze uit. Al is men ook nog zo zorgzaam om een goed geweten te behouden, kan men toch niet altijd zeker zijn van een goede naam. Het behoort tot de ijdelheid en vermoeiing van de geest, aan uitwendige voorspoed verbonden, dat het de mens er aan blootstelt benijd te worden door zijn naaste, Spreuken 27:4. Wie door de hemel gezegend wordt, zal door de hel en al haar kinderen op aarde vervloekt worden.
2. Laban zelf zei weinig, maar zijn gezicht was niet jegens Jakob zoals het placht te wezen, en Jakob kon niet anders dan dit opmerken, vers 2, 5. Op zijn best genomen was Laban nog een onbeschoft, gierig man, maar nu was hij dit nog meer dan ooit tevoren. Nijd is een zonde, die dikwijls op het gezicht te lezen is, vandaar dat wij lezen van een boos oog, Spreuken 23:6. Zure blikken kunnen er veel toe bijdragen om de vrede te verstoren van een gezin, en de liefde er uit te verbannen en diegene moeilijkheden te veroorzaken, voor wier welzijn en geluk wij behoren te zorgen, Labans toornig gelaat heeft hem de grootste zegen doen verliezen, die zijn gezin ooit gehad heeft, en dat wel zeer terecht. II. Hij werd in zijn besluit geleid door de Heere, en daarbij werd hem een belofte gegeven, vers 3. De Heere zei tot Jakob: Keer weer tot het land van uw vaderen, en tot uw maagschap, en Ik zal met u zijn. Hoewel Jakob hier een zeer harde behandeling had ondervonden, wilde hij toch zijn plaats en betrekking niet verlaten, vóór God het hem zei. Hij is op bevel van God hier gekomen en hier wilde hij blijven, totdat hij orders kreeg om heen te gaan. Het is onze plicht om ons te stellen onder Gods leiding, en het zal onze vertroosting en blijdschap wezen om ons onder die leiding te weten, zowel bij ons uitgaan als bij ons inkomen. De leiding, die hij van de hemel had, wordt meer ten volle meegedeeld in het bericht, dat hij er van gaf aan zijn vrouwen, vers 10-13, waar hij hun een droom verteld, die hij gehad heeft over zijn vee, en de wonderbare toeneming van het vee van zijn kleur, en hoe de engel Gods in die droom, (want ik onderstel dat de droom waarvan gesproken wordt in vers 10, en die van vers 11 dezelfde is) nota genomen heeft van de werking van zijn verbeelding in de slaap en hem kennis gaf, dat het niet bij toeval was, en ook niet door zijn eigen beleid, dat hij dit grote voordeel heeft verkregen, maar:
1. Door de voorzienigheid van God, die de verdrukking had gezien hem door Laban aangedaan, en hem nu op die wijze recht wilde verschaffen, want Ik heb gezien alles wat Laban u doet, en hiermede heb Ik dat op het oog gehad. Er is meer billijkheid in de beschikkingen van de Goddelijke Voorzienigheid dan wij vermoeden, en aan hen, die onrecht geleden hebben, wordt er recht door gedaan, misschien wel zonder dat zij het bemerken. Ook was het niet alleen door de gerechtigheid van Gods voorzienigheid, dat Jakob aldus verrijkt werd, maar:
2. Ter vervulling van de belofte, te kennen gegeven in hetgeen gezegd wordt in vers 13. Ik ben de God van Bethel. Dat was de plaats, waar het verbond met hem vernieuwd werd. Wereldse voorspoed en welvaren zijn dubbel aangenaam, als wij ze zien voortvloeien niet uit de gewone voorzienigheid, maar uit de verbondsliefde, om de beloofde zegen te geven, als wij ze ontvangen van God als de God van Bethel, van de belofte van het tegenwoordige leven, die tot de Godzaligheid behoort. Maar wij bemerken dat Jakob, zelfs toen hij dit veelbelovend vooruitzicht had om bij Laban rijk te worden, aan terugkeren moet denken. Als de wereld ons begint toe te lachen, dan moeten wij ons herinneren dat zij ons thuis niet is. Nu, maak u op, vertrek uit dit land, vers 13, en keer weer:
a. Tot uw aanbidding in Kanaän. Het waarnemen van de plechtigheden van de Godsverering was wellicht dikwijls gestaakt terwijl hij bij Laban was. De tijden van zijn dienst heeft God voorbijgezien, maar nu: keer weer naar de plaats, waar gij het opgerichte teken gezalfd hebt en de gelofte gedaan hebt. Nu gij rijk begint te worden, is het tijd om weer aan een altaar en offeranden te denken.
b. Naar hetgeen u lieflijk is in Kanaän, het land van uw maagschap. Hij was hier bij bloedverwanten, die hem na stonden, maar hij moet alleen diegene als zijn maagschap beschouwen in de beste zin, de maagschap met wie hij moet leven en sterven, aan wie het verbond behoort. De erfgenamen van Kanaän moeten nooit denken thuis te zijn voordat zij er gekomen zijn, al schijnen zij hier nog zo vaste voet te hebben verkregen.
III. Hij nam dit besluit met de voorkennis en de toestemming van zijn vrouwen. Hij zond heen en riep Rachel en Lea op het veld, vers 4, hetzij omdat hij daar vrijer met hun kon spreken. of wellicht omdat de ene niet in de vertrekken van de andere wilde komen, en hij graag met beide tegelijk wilde spreken, of omdat hij werk te doen had in het veld, waar hij niet vanaf kon. Mannen, die hun vrouwen liefhebben, zullen haar met hun plannen en voornemens bekendmaken. Waar wederzijdse liefde heerst, daar heerst ook een wederzijds vertrouwen. En de wijsheid van de vrouw moet het hart van haar man bewegen om op haar te vertrouwen, Spreuken 31:11.
Hij wees er zijn vrouwen op:
1. Dat hij hun vader trouw had gediend, vers 6. Zo anderen hun plicht al niet vervullen jegens ons, zullen wij toch de troostrijke bewustheid hebben, dat wij de onze jegens hen zijn nagekomen.
2. Hoe bedrieglijk hun vader met hem had gehandeld, vers 7. Nooit wilde hij zich houden aan een overeenkomst, die hij met hem gemaakt had. Toen hij na het eerste jaar zag dat Gods voorzienigheid Jakob begunstigde omtrent de overeengekomen kleur, heeft hij ieder half jaar van de vijf, die nog over waren, die kleur voor een andere veranderd, zodat hij haar tienmaal veranderd heeft, alsof hij dacht niet alleen Jakob te bedriegen, maar ook de voorzienigheid van God, die blijkbaar Jakob begunstigde. Zij die eerlijk en oprecht handelen worden niet altijd eerlijk en oprecht door anderen behandeld.
3. Hoe God hem desniettemin gezegend had niet slechts hem beschermd had tegen Labans kwaadwilligheid-God heeft hem niet toegelaten mij kwaad te doen. Zij, die zich dicht bij God houden, zullen veilig door Hem bewaard worden-maar, in weerwil van Labans bedoeling om hem te ruïneren, heeft God overvloedig voor hem voorzien. God heeft uw vader het vee ontrukt, en het aan mij gegeven, vers 9. Zo heeft de rechtvaardige God Jakob het loon gegeven voor zijn harde dienst uit Labans bezitting, zoals Hij later het zaad Jakob's betaald heeft voor hun dienen van de Egyptenaren, met de roof van de Egyptenaren. God is niet onrechtvaardig om het werk, de arbeid van de liefde van Zijn volk te vergeten, al doen de mensen dit ook, Hebreeën 6:10. God heeft middelen om diegene eerlijk te maken door de daad, die het niet waren in hun bedoeling. "Het vermogen van de zondaar is voor de rechtvaardige weggelegd." Spreuken 13:22.
4. Hij deelde hun mede dat God hem in een droom het bevel had gegeven om naar zijn eigen land terug te keren, vers 13, opdat zij niet zouden denken dat zijn besluit voortkwam uit wispelturigheid of misnoegen tegen hun land en hun familie, maar zouden zien dat het voortkwam uit een beginsel van gehoorzaamheid aan zijn God en zijn vertrouwen op Hem.
Eindelijk. Zijn vrouwen hebben blijmoedig ingestemd met zijn besluit. Zij wezen op hun eigen grieven, klaagde dat hun vader niet slechts onvriendelijk, maar ook onrechtvaardig jegens hun geweest was, vers 14-16, dat hij hun als vreemden beschouwde, zonder natuurlijke liefde voor hun was, en dat, terwijl Jakob de rijkdom, die God van Laban op hem had overgebracht, beschouwde als zijn loon, zij hem beschouwden als het deel, dat hun wettelijk toekwam, zodat God in die beide opzichten Laban genoodzaakt had zijn schuld te betalen, beide aan zijn dienstknecht en aan zijn dochters. Zo scheen het dus, dat zij hun eigen volk en hun vaders huis moede waren, en ze gemakkelijk konden vergeten. Dat is het goede gebruik, dat wij moeten maken van de onvriendelijke behandeling, die wij van de wereld ondervinden, wij moeten er los van worden, gewillig zijn haar te verlaten, en begerig wezen om thuis te komen. Zij waren bereid met hun man te vertrekken en zich met hem onder Gods leiding en hoede te stellen, doe alles wat God u gezegd heeft. De vrouwen, die in waarheid een hulp zijn voor hun man, zullen hem nooit verhinderen te doen hetgeen, waartoe God hem roept.