2 Corinthiërs 13:1-6
In deze verzen valt op te merken:
I. De apostel dreigt, bij zijne komst te Corinthe, gestreng te zijn voor hardnekkige zondaren, nu hij een eerste en een tweede brief geschreven heeft, met geschikte vermaningen en bestraffingen, teneinde te herstellen hetgeen bij hen verkeerd was. Hieromtrent hebben wij op het volgende te letten.
1. De voorzichtigheid, waarmee hij overgaat tot het gebruiken van tuchtmiddelen, hij was niet haastig in het aanwenden van gestrengheid, maar gaf een eerste en een tweede waarschuwing. Sommigen verstaan onder de woorden dit is de derde maal dat ik tot u kom, vers 1, dat hij zijn beide brieven bedoelt, waarin hij hen gewaarschuwd had, alsof hij bij hen tegenwoordig ware, ofschoon hij in persoon afwezig was, vers 2. Volgens deze uitlegging zouden die beide brieven de twee getuigen zijn, in vers 1 genoemd, volgens het voorschrift van onzen Zaligmaker, Mattheus 18:16, omtrent de wijze, waarop Christenen handelen moeten tegen overtreders, alvorens over te gaan tot maatregelen van strengheid, gelijk onder de wet van Mozes voorgeschreven was aan de rechters in strafzaken, Deuteronomium 17:6, 19:15. Wij moeten gaan, of iemand zenden, tot onzen broeder eenmaal en andermaal, om hem zijn overtreding onder het oog te brengen. Op die wijze heeft de apostel in zijn eersten brief met de Corinthiërs gesproken, en zegt hij hun nu-schrijft het aan degenen, die tevoren gezondigd hebben en aan al de anderen -hen allen waarschuwende aleer hij in persoon voor de derde maal komt, om gestrengheid te oefenen jegens schandelijke overtreders. Anderen denken dat de apostel reeds tweemaal het voornemen opgevat en maatregelen genomen had om naar Corinthe te reizen, maar, door God daarin verhinderd, hun thans bericht dat hij voor de derde maal voornemens is tot hen te komen. Hoe dit zij, het is merkwaardig dat hij oprekent hoe dikwijls hij trachtte en welke moeite hij genomen heeft om den Corinthiërs goed te doen, en we kunnen verzekerd zijn dat daarmee in den hemel evenzo rekening gehouden is, zodat er ook gerekend zal worden met al de zorg aan de zaligheid onzer zielen besteed en de wijze waarop wij die gebruikt hebben.
2. De bedreiging zelf. Zo ik wederkom zal ik hen niet sparen, de hardnekkige zondaars, die zonder berouw volhardden in hun schandelijke buitensporigheden. Hij had hun tevoren gezegd, dat hij vreesde dat God hem bij hen zou vernederen, omdat hij sommigen, die gezondigd hadden, zonder berouw vinden zou. Nu verklaart hij dat hij dezen niet zal sparen, maar de kerkelijke tucht op hen uitoefenen, welke men meent dat in de eerste eeuwen vergezeld ging van zichtbare en buitengewone tekenen van het goddelijk ongenoegen. Ofschoon God in Zijne genade lang de zondaars verdraagt, zal Hij hen toch niet altijd verdragen, eindelijk zal Hij komen en hen niet sparen, die, tegen al Zijne pogingen om hen te vernieuwen en te hervormen in, hardnekkig en zonder berouw blijven.
II. De apostel geeft een reden op, waarom hij zo gestreng zijn zou: Dewijl gij zoekt een proeve van Christus, die in mij spreekt, vers 3. Het bewijs van zijn apostelschap was nodig voor de geloofwaardigheid, bevestiging en goeden loop van het door hem gepredikte Evangelie, en daarom werden zij, die het ontkenden, zo rechtvaardig en gestreng gestraft. Het doel van de valse leraren was de Corinthiërs er toe te brengen die echtheid van zijn apostelschap te ontkennen, ofschoon zij er geen zwakke, maar sterke en machtige bewijzen van gezien hadden, vers 3, niettegenstaande zijn geringe verschijning naar de wereld en de verachting, waarmee sommigen hem bejegenden. Evenals Christus gekruist was door zwakheid, dat is, tijdens Zijn kruisiging een zwak en verachtelijk man scheen te zijn, maar leeft door de kracht Gods, dat is in Zijn opstanding en leven Zijn goddelijke macht bewijst, vers 4, zo ook de apostelen. Hoe zwak en verachtelijk zij der wereld ook voorkwamen, als werktuigen Gods openbaarden zij de kracht Gods, en voornamelijk de kracht Zijner genade, door de wereld tot het Christendom te brengen. En daarom, als een bewijs voor hen onder de Corinthiërs, die een proeve van Christus in den apostel zochten, spoort hij hen aan om hun Christendom te onderzoeken, vers 5. Onderzoekt uzelven. Hiermede bedoelt hij dat, indien zij hun eigen Christendom konden bewijzen, daarmee het bewijs voor zijn apostelschap geleverd was. Want indien zij in het geloof stonden en Christus in hen woonde, dan was dat een bewijs dat Christus door hem gesproken had, omdat zij door zijn dienst gelovig geworden waren. Hij was niet alleen hun leermeester, maar ook hun vader geweest. Hij had hen door het Evangelie van Christus wederbaard. Nu was het niet denkbaar dat goddelijke macht met zijne bediening gepaard zou gaan, indien hij zijne zending niet van boven ontvangen had. Zo zij daarom konden tonen niet verwerpelijk te zijn, niet door Christus verworpen te worden, dan hoopte hij dat zij zouden verstaan dat hij ook niet verwerpelijk was, vers 6, niet door Christus ontkend werd. Wat de apostel hier zegt omtrent den plicht van de Corinthiërs, om zich zelven te onderzoeken, met het bepaalde, reeds behandelde doel, kan toegepast worden op allen, die zich Christenen noemen, als een plicht om zich zelven te onderzoeken ten aanzien van hun geestelijken staat. Wij moeten onderzoeken of wij in het geloof zijn, omdat men zich daarin zeer gemakkelijk misleiden kan, en zulk een misleiding hoogst-gevaarlijk is, wij zijn daarom verplicht ons zelven te onderzoeken, de vraag tot onze eigen zielen te brengen, of Christus in ons is of niet. En Christus is in ons, tenzij wij verwerpelijk bevonden worden, zodat wij Christenen zijn of jammerlijk-bedrogenen. En hoe vreeslijk is het voor een mens, zich zelven en zijn eigen ziel niet te kennen!