3. Door het geloof verstaan wij in onze geest a) dat de wereld in haar hele omvang met al wat op haar is (
hoofdstuk 1:2) door het woord van God is toebereid, in de vorm en toestand gebracht is waarin zij zich nu bevindt, b) zodat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien worden (2 Makk. 7:28, niet uit reeds aanwezige kiemen of bestanddelen als het ware vanzelf zijn ontwikkeld, zoals wij nu uit reeds aanwezige dieren, planten enz. weer nieuwe te voorschijn zien treden, maar uit het niets door het Woord van Gods almacht tot aanzijn zijn geroepen (
Genesis 1:1-
31). a)
Genesis 1:1 Psalm 33:6 Johannes 1:10 Efeze 3:9 Colossenzen 1:16 b)
Romeinen 4:17De schrijver wil door voorbeelden ophelderen wat geloof is en wat het uitwerkt; nu zou hij de eerste mensen met hun geloof aan het hoofd hebben kunnen stellen, maar het is toch bezwaarlijk dat Adam en Eva, de bewerkers van de zonde en van de dood, ons als voorbeelden van het geloof worden voorgehouden; bovendien gaat die zaak waaraan het geloof van de eerste mensen verbonden is, de schepping, de mensen van alle tijden evenzeer aan. Daarom spreekt hij geheel algemeen: "door het geloof verstaan wij dat de wereld door het woord van God is toebereid. " Kan men ook niet zonder geloof, alleen met het verstand, tot de leer van de schepping komen? Beter "een ieder huis wordt door iemand gebouwd; maar Hij die dit alles gebouwd heeft, is God" (hoofdstuk 3:4). Maar wat het verstand uit zichzelf omtrent de schepping kan hebben en wat het geloof "verstaat" is toch wezenlijk verschillend. Het geloof verstaat dat God door Zijn woord de wereld geschapen heeft; het erkent God als de levende, die spreekt en het is er, die gebiedt en het staat er. Het geloof is het realiseren wat een machtig iets Gods Woord is. Het is één en hetzelfde Woord waaruit en waardoor het geloof dagelijks leert en door middel waarvan God de wereld heeft geschapen. Het verstand ziet slechte één wereld, het geloof verstaat iets van de "werelden". Het weet van een tegenwoordige wereld, die ons omgeeft en van een toekomstige wereld, die ons wacht, maar de ene wereld is zowel als de andere sedert de schepping gereed. Vele verstandige mensen in de oudheid wilden van God de Wereldschepper graag slechts een bouwmeester van de wereld maken; evenals een metselaar, wanneer hij een huis bereidt, kalk, hout en stenen vindt, zo meenden zij, was er reeds, toen God de wereld bereidde, iets aanwezig, dat noemden zij de materie. Maar niets daarvan! Toen God de wereld schiep, was er niets buiten God, noch iets zichtbaars, noch iets onzichtbaars; toen werd gezegd: "er zij" en het werd. Zo is de wereld ontstaan dat verstaat het geloof.
Reeds het allereerste dat de Heilige Schrift bericht, is iets dat alleen voor het geloof duidelijk is, want de oorzaak van het ontstaan van de zichtbare wereld ligt niet in, maar boven haar, de wereld heeft haar bestaan te danken aan het onzichtbare scheppende Woord van God. En zo blijkt dan ook reeds hier het wezen van het geloof als zodanig dat het een niet twijfelen is aan de zaken die men niet ziet.
In de grondtekst staat waar hier "wereld" vertaald is, een meervoudig woord, zodat wij hier zouden kunnen denken aan de hemel met zijn engelen, aan al de hemelbollen, aan alle delen van onze aardbol. Er staat hier niet het word "kosmos", dat gewoonlijk voor "wereld" wordt gebruikt. Aiones, het meervoud van aioon, is afgeleid (Arist. coel. t. 16) van aien oon, d. i. "altijd zijnde" en komt bij de klassieken voor in de betekenis van "tijd, leven, lange tijd, eeuwigheid", nooit in de betekenis van "wereld". Het is dan ook in onze Bijbel in de regel weergegeven door "eeuwen", zoals in 1 Timotheus 1:17 "de Koning nu van de eeuwen" en 1 Corinthiërs 10:11 "waarop de tijden van de eeuwen gekomen zijn". Met het woord "wereld" is het woord aiones vertaald: 1 Corinthiërs 2:7 en Hebreeën 1:2; ; het enkelvoud wordt gebruikt op meerdere plaatsen, waar het evengoed door "tijd" of "eeuw" zou kunnen worden vertaald. Met dat woord vertaalt de Septuaginta het Hebreeuwse Olaam, dat alleen in Psalm 73:19 door "wereld" wordt vertaald, maar ook daar beter door "tijd" zou zijn vertaald. Naar onze mening had de letterlijke vertaling overal moeten gevolgd zijn en betekent dit woord "tijden" of "eeuwen". Vóór de schepping was er geen tijd, eens zal die volgens Openbaring 0:6 ook niet meer zijn. Nu wil de apostel zeggen dat die tijd met al wat daarin bestaat en geschiedt, al de eeuwen met wat ze te zien en te ondervinden gaven en zullen geven, geschapen zijn door het Woord van God. Daarom staat er ook niet het gewone woord voor "scheppen", maar katartitzein, dat "inrichten, in orde brengen, toerusten, regeren" betekent en vertaald is in 1 Corinthiërs 1:10 door "samenvoegen", in 2 Corinthiërs 13:11 door "volmaken" en in Galaten 6:1 door "terechtbrengen" enz. Wij zouden vertalen "door het geloof verstaan wij dat de eeuwen door het woord van God geregeld zijn" enz.
Door dit te verstaan, door dit in te zien, staat deze Joodse tentenmaker uit Tarsus, of die andere geheel onbekende Israëliet, hoger dan de verlichtste van zijn tijdgenoten uit de heidenen, die zelfs niet komen kunnen tot de veronderstelling van hetgeen voor hem bewezen is; die slechts kunnen hopen wat bij hem vast staat op de onomstotelijke grond van het geloof. Nee, deze schrijver droomt niet van een eeuwige stof, waaruit zich in oneindige cirkelgang van oorzaak en werking, al wat is en aanzijn heeft zou ontwikkeld hebben; hij beuzelt niet van een God die niets meer of niets anders is dan de hoogste voorbereidingskracht, het toevallig aanvangs- en uitgangspunt van al het sindsdien gewordene; of op zijn hoogst Schikker en Vervormer van een vóór of met hem bestaande blinde, vormloze chaos; hij kent een God die dit alles gebouwd heeft, Hebreeën 3:3 ; een Almachtige, die al wat is te voorschijn geroepen heeft door het Woord (d. i. de uitgang) van Zijn wils; een Schepper, die het heelal uit niet, dat is uit niets stoffelijks geschapen heeft; bij wiens onzichtbare, bij wiens vrije kracht en goddelijkheid de mogelijkheid en de oorzaak van al het bestaande berustte. Voor hem is de wereld geen raadsel of reeks van raadselen, maar een wonder en samenstel van wonderen; een schepping, een schoon geheel vol onschatbare godsgedachten, waarvan voor hem de sommen machtig veel en ontelbaar zijn, Psalm 139:17 De hemelen vertellen hem de eer van deze God en het uitspansel verkondigt hem het werk van Zijn handen, Psalm 19 Als hij zijn ogen omhoog heft, ziet hij wie deze dingen geschapen heeft, Hij die ze allen bij name roept vanwege de grootheid van Zijn krachten en er niet één mist, omdat Hij sterk van vermogen is, Jesaja 40 Trouwens, deze heilige schrijver behoort tot een volk, waartoe reeds vijftien eeuwen eerder van godswege gezegd was: in het begin schiep God de hemel en de aarde. Hoe verheven door zijn eenvoud, hoe groots door zijn kalmte en in de onnavolgbare samenstemming van deze eigenschappen het onmiskenbaar kenmerk van zijn goddelijke oorsprong in zich dragend, is het bericht, is het verhaal van de schepping op de eerste bladzijde van de Heilige Schrift! Met welke grote trekken is alles getekend, omdat het alles door Gods ogen gezien is; in welke eenvoudige taal is alles uitgedrukt, omdat het voor menselijke verstanden is geschreven. Voorop, met een enkele pennenstreek, als een lichtstraal uit de hemel, de beantwoording van de grote verbijsterende wereldvraag, de vermelding van de ontzettende wonderdaad van de Almachtige, waarin alle verdere wonderen hun grond en sleutel hebben; maar zonder ophef en met zo weinig woorden alsof zij in het geheel niet wonderlijk was. Ook is zij niet wonderlijk in de Wonderlijke. In het begin schiep God de hemel en de aarde. Het is echter ook vergund een blik te slaan op dit grote werk en het te volgen in zijn majestueuze, melodische voortgang en trapsgewijze voltooiing. Hoe gaat het hier van woord tot woord, van kracht tot kracht, van heerlijkheid tot heerlijkheid, van liefde tot liefde! Van het grote tot het vele, van het vele tot de eenheid. Wij zien een woeste en lege aarde, door reusachtige watervloeden overspoeld, een ontzettende afgrond door dikke duisternis omgeven. Maar het wordt ons niet veroorloofd die met een andere dan heilige siddering te aanschouwen, want de Geest, wordt ons gezegd, de Geest van God zweeft in dit heilig donker over deze vloeden; koesterend en levenwekkend vliegt Hij over de woeste en ledige aarde heen. Een stem wordt gehoord: er zij licht! En het licht is. Het schijnt uit de duisternis. Het is daar als haar schone en machtige tegenstelling. De aanvang en de mogelijkheid van de onafgebroken afwisseling van licht en duister, de voorwaarde en het middel tot alle verdere wording is gegeven. Hier is een rustpunt, een pauze, waarin de Schepper Zich in Zijn werk verblijdt en de eerste beurtwisseling van licht en duister plaats heeft. En nu zien wij achtereenvolgens en als op de maat van de gestelde tijden en ordeningen van God, het dunne doorzichtige luchtruim zich plaatsen tussen de stromen die beneden en de wolken die boven zijn, de bergen oprijzen, de dalen dalen, de wateren een paal gesteld, die zij niet overschrijden zullen, de aarde zich met groen kruid bedekken, het geboomte zijn groene toppen omhoog heffen; heel het plantenrijk in zijn hogere en lagere verdiepingen daar; stralen van licht over hemelbollen verdeeld, waaraan de heerschappij over nacht en dag wordt toevertrouwd; de zon ontvlamd, de maan ontstoken, de sterren uitgestrooid. Nu wordt de stilte van de levenloze en van de onbezielde natuur afgebroken door het gezang, door het wiekgeklap van vogels in de lucht, door het gewemel van al wat zwemt in zeeën en in stromen. De Leviathan is geschapen en speelt in de diepte van de oceaan, waar hij ruimte genoeg heeft; en het musje, dat zonder de wil van zijn Schepper niet op aarde vallen zal, vliegt uit om voedsel te zoeken. Tenslotte bevolkt zich ook de vaste grond met zijn viervoetige bewoners, statig opgetreden of met vrolijke sprongen huppelend of nederig kruipend, aan de voet van wie? Van hem voor wie dit alles bereid is; van hem, wie dit alles dienen moet; van hem, die van dit alles zal kunnen genieten en zijn Schepper daarvoor danken mag. Nog is het wezen niet opgeroepen uit het stof, dat, keur en kroon van deze geschapen wereld, aan het hoofd van alle schepselen staan zal; dat zijn ogen zal opheffen naar deze hemel en laten rondgaan over deze aarde; dat in zijn blik alles vergaderen, in zijn geest alles opnemen, in zijn hart alles voelen zal en ook die God voelen, die zijn Schepper en de Schepper van alles is. Op hem schijnt de schepping te wachten, die zonder hem een wonderwerk zonder doel, een veelheid zonder eenheid wezen moet; en in het midden van deze wachtende schepping zien wij de Schepper stilstaan, Zich beraden en dat wezen scheppen naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. Maar wat doe ik, mijn lezers? Ik poog u de grootse inhoud van het scheppingsverhaal beter te doen beseffen, maar vergrijp mij tegelijkertijd aan zijn ontroerende eenvoud.