1 Kronieken 5:18-26
Hier worden de hoofden genoemd van de halve stam van Manasse, die gevestigd was aan de andere kant van de Jordaan, vers 23, 24.
In het eerst was hun erfdeel in Basan, maar later zijn zij zo toegenomen in rijkdom en macht, dat zij zich ver naar het noorden hebben uitgebreid, tot aan de berg Hermon toe.
Slechts twee dingen worden nopens deze stammen aan de andere kant van de Jordaan vermeld, waarin zij allen betrokken waren. Allen deelden zij:
1. In een glorierijke overwinning over de "Hagarenen", zoals de Ismaëlieten nu genoemd werden, om hen er aan te herinneren dat zij "de kinderen waren van de dienstmaagd", die uitgeworpen werden. Er wordt ons niet gezegd wanneer deze overwinning behaald werd, of het dezelfde is als die van de Rubenieten, waarvan in vers 10 gezegd is, dat het "in de dagen was van Saul", of dat de voorspoed van een van deze stammen de andere twee aangemoedigd en opgewekt heeft om zich met hen te verenigen in een andere expeditie, is niet zeker.
Het schijnt dat in Sauls tijd de algemene toestand des rijks wel zwak en min was, maar dat sommigen van de stammen, die afzonderlijk handelden, zich kloek en dapper hebben gedragen en voorspoed hebben gehad. Hier wordt ons gezegd:
A. Welk een prachtig leger deze stammen te velde hebben gebracht tegen de Hagarenen meer de vier en veertig duizend man, allen krachtige, strijdbare mannen, ervaren in de krijg, allen kloeke mannen, die hun wapenen wisten te hanteren, vers 18. Hoeveel groter en aanzienlijker zou Israël in de tijd van de richteren geweest kunnen zijn, indien alle stemmen eendrachtig hadden samengewerkt!
B. Welke maatregelen zij namen om Gods hulp te verkrijgen: zij "riepen tot God en vertrouwden op Hem". Nu handelden zij als ware Israëlieten.
a. Als het zaad van de gelovigen Abraham, "stelden zij hun vertrouwen op God". Hoewel zij een machtig leger hadden, steunden zij daar toch niet op, maar wel op de kracht en macht Gods. Zij steunden op de opdracht die zij van God hadden ontvangen, om krijg te voeren met hun naburen ter uitbreiding van hun landpalen, indien dit nodig was, zelfs met hen, die zeer verre van hen waren, behalve nog de gevloekte volken. Zie Deuteronomium 20:15. Zij steunden op Gods voorzienigheid om hun voorspoed te geven.
b. Als het zaad van de biddende Jakob, zij riepen tot God, inzonderheid in den krijg, toen zij wellicht in het begin gevaar liepen om overweldigd te worden. Zie hoe hetzelfde gedaan werd, 2 Kronieken 13:14. God verwacht dat wij in benauwdheid tot Hem zullen roepen, Hij legt beslag op ons voor deze hulde, deze schatting. In onze geestelijke strijd moeten wij opzien tot de hemel om kracht, en het is het gelovige gebed, dat het overmogende gebed zal zijn. C. Er wordt ons gezegd hoe zij geslaagd zijn. God liet zich van hen verbidden, hoewel het de nood was, die hen tot Hem dreef, zo bereid is Hij om het gebed te horen en te verhoren. Zij werden geholpen tegen hun vijanden, want God heeft nooit iemand gefaald, die op Hem bebouwde.
En toen hebben zij het leger des vijands verslagen, hoewel het veel talrijker was dan het hun, zij hebben velen gedood, vers 22, namen honderd duizend man gevangen, verrijkten zich ruim met de buit, en vestigden zich in hun land, vers 21, 22.
En dit alles omdat de strijd van God was, ondernomen in Zijn vreze, en gevoerd in afhankelijkheid van Hem. Als de strijd van de Heere is, dan is er reden te hopen, dat hij met voorspoed gevoerd zal worden. Dan, en dan alleen, kunnen wij hopen wèl te slagen in een onderneming als wij God met ons medenemen.
2. Zij deelden ten laatste in een roemloze gevangenschap. Indien zij zich dicht aan God en hun plicht hadden gehouden, zij zouden in het bezit zijn gebleven van hun aloud erfdeel en van wat zij later door verovering hadden verkregen, maar zij hebben tegen den God hunner vaderen overtreden, vers 25.
Zij lagen aan de grens en hadden het meest omgang met de naburige volken, waardoor zij hun afgodische gewoonten leerden en de besmetting naar de andere stammen overbrachten, daarover had God een twist met hen. Hij was hun als een echtgenoot, geen wonder dat zijn ijver brandde als vuur, toen zij "de goden der volken des lands nagehoereerd" hadden.
Terecht wordt van de overspelige vrouw een scheidbrief gegeven. "God verwekte de geest van de koningen van Assyrië tegen hen", eerst van de ene, en toen van de andere, deed de raadslagen van deze eerzuchtige vorsten dienen om Zijn eigen doeleinden tot stand te brengen, gebruikte hen om eerst deze oproerlingen te kastijden, en toen dat hen niet tot onderwerping bracht, hen geheel uit te roeien uit het land, vers 26.
Deze stammen werden het eerst in het land gevestigd, en zij werden het eerst verdreven. Zij wilden het beste land hebben, niet bedenkende, dat het het meest aan vijandelijke invallen blootstond. Maar zij, die zich in hun keus meer laten leiden door de zinnen dan door verstand of geloof, kunnen verwachten dat het hun dienovereenkomstig zal vergaan.