Jesaja 61:4-9
Ook hier worden beloften gedaan aan de Joden na hun terugkeer uit de gevangenschap en hun nieuwe vestiging in hun eigen land, die moet uitgebreid worden tot de Evangelische kerk en alle gelovigen, die door genade uit de geestelijke slavernij verlost zijn. want zij zijn geschikt om geestelijk toegepast te worden.
I. Er wordt beloofd dat hun huizen zullen herbouwd worden, vers 4, dat hun steden weer zullen verrijzen uit de puinhopen, waarin zij lange tijd gelegen hadden, en weer geschikt ter bewoning zullen worden. Zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen, en de vroegere verstoringen weer oprichten en de verwoeste steden vernieuwen. De vroegere verstoringen, zelfs die verstoord waren van geslacht tot geslacht, waarvan te vrezen was dat zij nooit hersteld zouden worden, zullen weer opgericht worden. De komst van het Christendom in de wereld herstelde de bouwvallen van de natuurlijke godsdienst en richtte de verstoringen van eerlijkheid en getrouwheid weer op, die gedurende vele eeuwen en geslachten de smaad van de mensheid waren. Een ongeheiligde ziel is geluk een doorgebroken stad en heeft geen muren, zij is gelijk een huis, dat in puin ligt, maar door de kracht van het Evangelie van Christus en van de genade wordt zij hersteld, opnieuw in orde gebracht en bereid tot een woonstede Gods in de Geest. En zij zullen het doen, zij die ontslagen zijn uit de gevangenis, want wij zijn verlost uit het huis van de slavernij, opdat wij God zouden dienen, zowel door onszelf op te bouwen tot Zijn heerlijkheid als door te helpen aan de opbouw van Zijn kerk op aarde.
II. Zij, die nog kortgeleden zelf dienstknechten waren, die voor hun verdrukkers moesten werken en van hun genade afhingen, zullen nu zelf dienstknechten hebben, die het werk voor hen moeten doen en aan hun bevelen gehoorzamen, niet uit hun broederen, want die zijn allen vrijgekochten des Heeren, maar de buitenlanders en de vreemden, zullen hun kudden weiden, en hun akkerlieden en wijngaardeniers zijn, de aloude werkzaamheden van Abel, Kaïn en Adam. Buitenlanders zullen staan en uw kudden weiden, vers 5. Indien wij door de genade Gods gebracht worden tot een heilige onverschilligheid voor al de dingen van deze wereld, die bezittende als niet bezittende, wanneer, ofschoon onze handen er mee bezig zijn, onze harten er niet door verstrikt worden, maar geheel aan God en Zijn dienst gewijd blijven, dan zullen de vreemdelingen onze akkerlieden en wijngaardeniers zijn.
III. Zij zullen niet alleen ontslagen worden uit hun gevangenschap, maar hogelijk bevoorrecht en tot eervolle bedieningen aangesteld vers 6. Terwijl de vreemden uw schapen weiden, zult gij de zorg voor het heiligdom hebben, inplaats van de slaven uwer dravers te zijn. Gijlieden zult priesters des Heeren heten, een hoge en heilige roeping. Priesters waren vorsten, in het Hebreeuws worden zij met dezelfde naam genoemd. Gij zult dienaren uws Gods zijn, gelijk de Levieten waren. Hun, die God in vrijheid stelt, geeft Hij werk te doen. Hij verlost hen uit de handen hunner vijanden, opdat zij Hem dienen zouden, Lukas 1:74, 75, Psalm 116:16. Maar Zijn dienst is de volmaakte vrijheid en zelfs de grootste eer. Toen God Israël uit Egypte leidde, nam Hij het volk aan tot een koninklijk priesterdom. Exodus 29-6 En de kerk des Evangelies wordt een koninklijk priesterschap genoemd, 1 Petrus 2:9. Alle gelovigen zijn onze God tot Koningen en priesters gemaakt, en zij behoren zich als zodanig te gedragen in hun godsdienst en in geheel hun wandel. De heiligheid des Heeren moet op hun voorhoofden geschreven zijn, opdat men hen moge noemen priesters des Heeren.
IV. De rijkdom en de heerlijkheid van de bekeerden uit de heidenen zullen bijdragen tot de zegen en het welzijn van de kerk, vers 6. De heidenen zullen in de kerk gebracht worden. Zij, die vreemdelingen waren, zullen medeburgers van de heiligen worden, en zelf komende zullen zij alles medebrengen wat zij bezitten om aan de heerlijkheid Gods gewijd en in Zijn dienst gebruikt te worden, en de priesters, de dienaren des Heeren, zullen er de voordelen van genieten. Het zal een grote versterking en verlevendiging, zowel als vertroosting en aanmoediging, voor alle ware Christenen zijn te zien dat de heidenen de belangen van Gods koninkrijk dienen.
a. Gij zult het vermogen van de heidenen eten, niet hetgeen zij met geweld genomen hebben, maar wat hun vrijwillig en eervol aangeboden is, als gaven op het altaar gebracht, waarvan de priesters en hun gezinnen behoorlijk leven konden. Er wordt niet gezegd: Gij zult het vermogen van de heidenen nemen of hun schatting opleggen, maar gij zult het eten, want men kan geen beter gebruik van rijkdommen maken dan er goed mee te doen.
b. Gij zult in hun heerlijkheid roemen, Hetgeen de eer van de bekeerde heidenen voor hun bekering was, hun adeldom grondbezit, geleerdheid, deugd, en macht, zei alles dienen om de goede naam van de kerk te verhogen, zodra zij zich bij haar gevoegd hebben, en hetgeen hun heerlijkheid na hun bekering is, hun heilige ijver en nauwgezette wandel, hun nuttigheid, hun geduldig lijden en al de gevolgen van de gezegende verandering, welke de goddelijke genade in hen bewerkt heeft-zullen zeer veel bijdragen tot de heerlijkheid Gods en daarom zullen alle godvrezenden er door verheerlijkt worden.
V. Zij zullen overvloedige vertroosting en voldoening in hun eigen binnenste hebben, vers 7. De Joden werden zonder twijfel daarmee bevoorrecht bij hun terugkeer, zij waren in een nieuwe wereld en konden nu de waarde van vrijheid en eigendom waarderen, het genot daarvan was voortdurend fris en bloeiend. Hoe veel te meer kunnen zij zich verheugen welke Christus tot de vrijheid van de kinderen Gods gebracht heeft, voornamelijk wanneer de voordelen van hun aanneming door de opstanding des lichaams volkomen zullen gemaakt zijn.
1. Zij zullen juichen over hun deel, zij zullen niet alleen het hun terugkrijgen, maar-hetgeen ook een gave Gods is-zij zullen er de verkwikking van hebben en een hart om er zich in te verblijden, Prediker 3:13. Ofschoon de huizen van de teruggekeerde Joden, evenals de tempel, veel geringer waren dan die van voor de ballingschap, zullen zij er zeer over voldaan en dankbaar er voor zijn. Het is een deel in hun land, hun eigen land, het heilige land. Immanuels land, en daarom zullen zij zich er over verheugen, daar zij nog zo kort geleden ondervonden hadden wat het zeggen wil vreemdelingen te zijn in een vreemd land. Zij die God en de hemel tot hun deelhebber, kunnen naar waarheid zeggen dat zij een heerlijk deel hebben en zich er in verheugen.
2. Eeuwige vreugde zullen zij hebben, dat is, een vreugdevolle toestand voor hun volk, die lang zal duren, veel langer dan de gevangenschap geduurd heeft. Toch werd die vreugde van het Joodse volk zo lang uitgesteld, zo menigmaal onderbroken, en kwam zij zo spoedig tot een einde, dat wij voor de vervulling van deze belofte het oog moeten hebben op de geestelijke vreugde welke de gelovigen hebben in God en de eeuwige vreugde, die zij in de hemel genieten zullen.
3. Dit zal een dubbele beloning voor hen zijn, en meer dan een dubbele, voor al de smaad en de verachting, die zij in het land hunner gevangenschap hebben moeten doorstaan. Voor hun schaamte en schande zullen zij dubbele eer en in hun land dubbelen rijkdom genieten voor hetgeen zij verloren hadden. De zegen Gods zal op hun land rusten en zij zullen er de voordelen van genieten waardoor zij een overvloedige vergoeding zullen verkrijgen voor al de schade die zij geleden hebben. Gij zult door God aangenomen worden niet alleen als Zijn zonen, maar als Zijn eerstgeborenen, Exodus 4:22, en daardoor recht hebben op een dubbel deel. Gelijk de ellenden van hun gevangenschap zo groot waren dat er gezegd kon worden dat zij dubbel voor al hun zonden ontvangen hadden, Hoofdstuk 40:2, zo zal de vreugde over hun terugkeer zo groot zijn dat zij dubbel ontvangen voor al hun schaamte en schande. Het eerste is toepasselijk op de door Christus aangebrachte voldoening, waarin God dubbel ontvangen heeft voor al onze zonden, het laatste op de volheid van de vreugde des hemels, waarin wij dubbel ontvangen zullen voor al onze diensten en al ons lijden. Het geval van Job licht dit toe: toen God Zijn gevangenis wendde, gaf Hij hem dubbel zoveel als hij vroeger had gehad.
VI. God zal hun getrouwe leidsman en hun Verbondsgod zijn, vers 8. Ik zal geven dat hun werk in waarheid zijn zal. God zal door Zijn voorzienigheid al hun zaken ten beste keren volgens het woord van Zijn trouw. Hij zal hen leiden in de wegen van ware voorspoed, door de regelen van een goede regering. Hij zal door Zijn genade de werken van de godvrezenden in de rechte weg leiden, de ware weg die tot het geluk leidt. Hij zal maken dat zij in oprechtheid gedaan worden en dan zullen zij Hem behagen. God begeert waarheid in het binnenste, en wanneer wij ons werk getrouw doen, zal Hij met ons een eeuwig verbond maken, want voor hen die voor Zijn aangezicht wandelen en oprecht zijn, zal Hij zeker een algenoegzaam God zijn. Welnu, als een reden voor deze en de voorgaande belofte, dat God hen dubbel vergelden zal voor hun schaamte worden in het eerste deel van dit vers deze woorden ingevoegd: Want Ik, de Heere, heb het recht lief. Hij bemint het dat de gerechtigheid gehandhaafd wordt onder de mensen, zowel tussen overheid en onderdanen, als tussen de burgers onderling, en daarom haat Hij alle ongerechtigheid. En wanneer aan Zijn volk ongelijk gedaan wordt door hun verdrukkers en vervolgers, toont Hij hun Zijn ongenoegen, niet alleen omdat het Zijn volk aangedaan is maar ook omdat het onrecht is en tegen de eeuwige regelen van het recht ingaat. Wanneer mensen geen recht doen, doet Hij het zelf door herstelling te geven aan hen die onrecht leden te straffen hen, die onrecht deden. God bepleit de zaak van Zijn volk, niet alleen omdat Hij ijverig is over hen, maar ook omdat Hij ijverig is over het recht zelf. Om dit toe te lichten, wordt er bij gevoegd: Ik haat de roof in het brandoffer. Hij haat de ongerechtigheid vooral in Zijn eigen volk, dat Hem eert met het hun in het brandoffer en nog meer haat Hij het indien het gaat tegen Zijn volk. Indien Hij de roof haat in het brandoffer voor Hemzelf, veel meer indien het is in brandofferen voor de afgoden, en daardoor niet alleen Zijn volk van hun bezittingen, maar Hij zelf van Zijn offers beroofd wordt. Het is een waarheid zeer tot Gods eer dat erediensten nooit kunnen voldoen tot wegneming van zedelijke overtredingen, en dat het geen roof verontschuldigen kan, indien men zegt: "Het was voor brandoffer, Corban, dat is een gave". Zie, gehoorzaamheid is beter dan offerande, en het recht doen en de barmhartigheid liefhebben beter dan het vette van de rammen. En die roof is het hatelijkst in Gods oog, welke bedekt wordt door een voorwendsel waardoor de rechtvaardige God verlaagd wordt tot een beschermer van de ongerechtigheid. Sommigen zien daarin een reden voor de verwerping van de doden na de toebrenging van de heidenen: vers 6, omdat zij zo bedorven van zeden waren, dat zij de munt en de komijn vertienden, maar de gerechtigheid en het oordeel nalieten, Mattheus 23:23, terwijl God de gerechtigheid liefheeft en er op aandringt. En Hij haat beide, de roof in het brandoffer en brandoffer uit roverij, gelijk de Farizeen deden, die lange gebeden uitspraken om de huizen van de weduwen te kunnen opeten. Anderen lezen deze woorden aldus: Ik haat de roof door ongerechtigheid, dat is, de buit welke de vijanden van Gods volk hun onrechtvaardig ontroofd hadden, God haat dat en zal er rekenschap van afeisen. VII. God zal een zegen leggen op hun zaad na hen, vers 9. Hun zaad, de kinderen van hen die nu gezegend zich door de Heere, of hun opvolgers in de belijdenis, het zaad van de kerk, "zal de Heere aangerekend worden in geslachten," Psalm 22:30.
1. Zij zullen zich onderscheiden en daardoor maken dat hun naburen in hen belangstellen. Zij zullen onder de heidenen bekend worden. Zij zullen zich onderscheiden door de ernst, de waardigheid, de nederigheid en de vriendelijkheid van hun wandel, voornamelijk door de broederlijke liefde, waardoor alle mensen zullen bekennen dat zij Christus' discipelen zijn. En wanneer zij zich zo onderscheiden, zal God hen met waardigheid bekleden, door hen tot een zegen voor hun geslacht en tot werktuigen van Zijn heerlijkheid te stellen, en door hun opmerkelijke bewijzen van Zijn gunst te geven, die hen voortreffelijk zullen maken en de achting van allen rondom hen zullen doen winnen. De kinderen van godvrezende ouders moeten zo liefhebben dat zij als zodanig bekend worden, zodat allen die hen gadeslaan de vruchten van een goede opvoeding in hen zien en een antwoord op de gebeden, die voor hen opgezonden werden. Dan mogen zij verwachten dat God hen bekend zal maken door de vervulling aan hen van de belofte dat het geslacht van de rechtvaardigen zal gezegend worden.
2. God zal daarvoor de eer ontvangen, want ieder zal dat aan de zegen Gods toeschrijven. Allen die hen zien, zullen zoveel van de genade Gods in hen bespeuren en van Zijn gunst jegens hen, dat zij hen zullen kennen als een zaad, dat de Heere gezegend heeft en nog zegent, want dat ligt er in opgesloten. Zie hier wat het zeggen wil, door God gezegend te zijn. Van al wat er in iemand of in iets goeds te voorschijn treedt, moet kennis genomen worden als van de vrucht van Gods zegeningen, en Hij moet er in verheerlijkt worden.