Jesaja 5:18-30
Hier zijn de zonden beschreven, die oordelen zullen brengen over een volk, en dit is misschien een beschuldiging, die niet alleen tegen de mannen van Juda wordt ingebracht, die toen hebben geleefd, en hoewel de bijzondere artikelen van die beschuldiging voornamelijk tegen hen kunnen gericht zijn, maar zij is veeleer bedoeld als een waarschuwing aan alle volken in alle tijden, om zich te wachten voor die zonden, daar zij verwoestend zijn voor afzonderlijke personen zowel als voor gemeenten, en de mensen blootstellen aan Gods toorn en aan Zijn oordelen.
Diegenen worden hier gezegd in een toestand te zijn van wee en ellende,
I. Die ijverig zijn om de zonde na te jagen, vers 18, die de ongerechtigheid trekken met koorden van de ijdelheid, die zich zoveel moeite geven om te zondigen als het vee, dat in een juk gespannen is, die zich er voor inspannen om hun onmatige begeerte te bevredigen, en er de natuur zelf geweld voor aandoen:
1. Zij denken even zeker te zijn van hun goddeloze doeleinden te bereiken, alsof zij ze met sterke wagenzelen naar zich toe trokken, maar zij zullen zich teleurgesteld zien, want die zullen blijken koorden van de ijdelheid te zijn, die breken zodra men er aan trekt, want de Heer, die rechtvaardig is, heeft de touwen van de ijdelheden doorgehouwen, Psalm 129:4, Job 4:8, Spreuken 22:8. Zij zijn door lang ingewortelde gewoonte zo verhard in de zonde, dat zij er zich niet van kunnen ontdoen. Zij, die zondigen door zwakheid, worden door de zonde weggetrokken, zij, die trots en met opgeheven hand zondigen, trekken de zonde naar zich toe in weerwil van de tegenstand van de voorzienigheid en de bestraffingen van geweten. Sommigen verstaan door de zonde de straf van de zonde, zij trekken Gods oordelen over hun eigen hoofd, alsof zij ze trokken met wagenzelen.
2. Die de gerechtigheid Gods trotseren, en de Almachtige tarten om nu maar Zijn ergst te doen, vers 19. Dat Hij zich haaste, zeggen zij, dat Hij Zijn werk bespoedige. Dat is dezelfde taal, als die welke de spotters van de laatste dagen zullen voeren als zij zeggen: Waar is de belofte van Zijn toekomst? En daarom is het, dat zij evenals dezen, de ongerechtigheid trekken met de koorden van de ijdelheid, heftig en vermetel zijn in de zonde en naar hun eigen begeerlijkheden wandelen, 2 Petrus 3:3,4.
a.Zij bespotten de profeten en steken de draak met hen, het is in hoon en bespotting dat zij God de heilige Israëls noemden, omdat de profeten Hem met grote eerbied aldus plechten te noemen.
b. Zij willen niet geloven dat de toorn Gods van de hemel geopenbaard wordt tegen hun goddeloosheid en ongerechtigheid, voordat ze zien dat die toorn over hen losbarst en houden de bedreigingen slechts voor geschikt om kinderen of dwazen schrik aan te jagen.
c. Indien God al tegen hen verscheen, zoals Hij dreigt te zullen doen, dan achten zij zich toch volkomen in staat om zich tegen Hem te handhaven, zij tergen Hem, alsof zij denken sterker te zijn dan Hij, 1 Corinthiers 10:22. "Wij hebben Zijn Woord gehoord, maar het is alles slechts praten, laat Hem Zijn werk bespoedigen, wij zullen wel voor onszelf weten te zorgen." Zij, die moedwillig volharden in de zonde, geven geen acht op Gods toorn. 3. Die het onderscheid wegnamen tussen zedelijk goed en kwaad, die kwaad goed noemen en het goed kwaad, vers 20, die in hun leven niet alleen nalaten wat goed is, maar het verwerpen, het veroordelen, er tegen spreken, en omdat zij het zelf niet willen beoefenen, het afkeuren als anderen het beoefenen, en er hatelijke namen aan geven, zij doen niet slechts wat kwaad is maar rechtvaardigen het, juichen het toe, bevelen het aan aan anderen, als iets dat goed is en gerust gedaan kan worden. Deugd en godsvrucht zijn goed, want zij zijn licht en lieflijk, aangenaam en recht, maar zonde en goddeloosheid zijn kwaad, zij zijn duisternis, en de vruchten van onwetendheid en dwaling, en zullen op het laatst bitterheid zijn. Diegenen doen groot onrecht aan God en godsdienst, aan het geweten aan hun eigen zielen en aan de zielen van anderen, die deze verkeerd of onder valse kleuren voorstellen, die dronkenschap gezelligheid noemen of een gul onthaal van vrienden, en gierigheid spaarzaamheid, en als zij het volk Gods vervolgen, menen Gode een dienst te doen, en van de anderen kant, die ernst voor gemelijkheid of kwaadwilligheid houden, en soberheid voor onopgevoedheid, die liegende allerlei kwaad spreken van de wegen van de godsvrucht, en doen wat zij kunnen om de mensen veroordelen er tegen in te boezemen, en dat alles in weerwil, of in trotsering van het getuigenis van het gezond verstand, waardoor wij zonder tegenspraak onderscheiden tussen licht en duisternis, en hetgeen voor de smaak bitter of zoet is.
4. Die, hoewel zij schuldig zijn aan zo grove dwalingen als deze zijn, toch een zeer hoge dunk hebben van hun eigen oordeel, en zich zeer laten voorstaan op hun scherp en helder verstand, vers 21. Zij zijn wijs in hun eigen ogen, zij achten zich in staat om de overtuigingen van Gods Woord te weerleggen, en zijn bestraffingen krachteloos te maken, en aan het onderzoek en de uitgestrektheid van Zijn oordeel te kunnen ontkomen, dat zij de oneindige wijsheid kunnen misleiden en het werk van Gods voorzienigheid kunnen tenietdoen. Of het kan meer in het algemeen genomen worden: God weerstaat de hovaardigen, inzonderheid diegenen, die zich verheffen op hun eigen wijsheid en steunen op hun verstand, de zodanigen moeten dwaas worden opdat zij in waarheid wijs mogen zijn, want anders zullen zij ten slotte voor de gehele wereld blijken dwazen te zijn.
5. Die er in roemden als een groot talent dat zij in staat zijn om zeer veel sterke drank te kunnen verdragen zonder er door oververmeesterd te worden, vers 22, die helden zijn om wijn te drinken, en deze kracht niet gebruiken in de dienst van hun land, maar in de dienst van hun lusten. Laat de dronkaards door deze schriftuurplaatsen weten:
a. Dat zij de lichaamskracht ondankbaar misbruiken, welke God hun gegeven heeft voor goede doeleinden, en dat het niet anders kan of zij zullen haar trapsgewijze verzwakken, en dus verminderen.
b. Dat het de zonde van dronkenschap in hen niet zal verontschuldigen, dat zij veel kunnen drinken zonder van de been te raken.
c. Dat zij, die er in roemen meer te kunnen drinken dan anderen, roemen schande.
d. Dat, hoe licht zij ook denken over hun dronkenschap het toch een zonde is, die hen gewis aan de toorn van God zal blootstellen.
6. Die als rechters het recht verdraaien en tegen alle de regels van de billijkheid handelen, vers 23. Dit volgde op het vorige: zij drinken en vergeten de inzetting, Spreuken 31:5. Zij dwalen van de wijn, Jesaja 28:7, en nemen geschenken aan om hun weelde te kunnen bekostigen. Zij rechtvaardigen de goddeloze om een geschenk, en vinden het een of ander voorwendsel om hem vrij te spreken van zijn schuld en te vrijwaren van straf, en zij veroordelen de onschuldige, de gerechtigheid van de rechtvaardigen nemen zij weg, slaan geen acht op hun pleitgronden, beroven hen van de middelen om hun onschuld te bewijzen, en spreken een veroordelend vonnis over hen uit. In gedingen tussen man en man zullen macht en geld ten allen tijde de overhand hebben tegen recht en gerechtigheid, en hij, die nog zo blijkbaar ongelijk had, zou door een kleine steekpenning het proces winnen en de kosten vergoed krijgen. Als in criminele zaken de schuld van de gevangene nog zo stellig bewezen is, zullen zij hem voor een beloning, een geschenk, toch vrijspreken, indien hij onschuldig is, zullen zij, als hij hun geen steekpenningen geeft, ja, als de boosaardige tegenpartij hun een geschenk geeft, of als zij zelf een wrok tegen hem hebben, hem veroordelen.
II. De oordelen beschreven, die deze zonden over hen zullen brengen. Laat hen niet verwachten gemakkelijk en gerust te zullen leven, die aldus goddeloos leven, want de rechtvaardige God zal wraak doen, vers 24-30, waar wij kunnen opmerken:
1. Hoe volkomen dit verderf zal wezen, en hoe noodzakelijk en onvermijdelijk het zal volgen op hun zonden. Hij had dit volk vergeleken bij een wijnstok, vers 7, die goed geplant en verzorgd was, en waarvan men kon hopen dat hij bloeiend en vruchtbaar zou zijn. Maar de genade Gods jegens hem was tevergeefs ontvangen, en toen is zijn wortel verrot, van onderen verdroogd zijnde, en de bloesem zal dan natuurlijk afvallen en als stof wgwaain, als een licht en waardeloos ding, Job 18:16. Zonde verzwakt de kracht, de wortel van een volk, zodat zij gemakkelijk ontworteld kunnen worden, zij bederft de schoonheid, de bloesems van een volk, en ontneemt de hoop op vrucht er aan. De zonde van de onvruchtbaarheid wordt gestraft met de plaag van de onvruchtbaarheid. Zondaren maken zich tot stoppels en kaf, brandbare zaken, geschikte brandstof voor het vuur van Gods toorn, die hen dan natuurlijk zal verteren en verbranden, zoals het vuur de stoppels verteert, en niemand kan het verhinderen, of zou het willen verhinderen. Het kaf wordt verteerd zonder geholpen of beklaagd te worden.
2. Hoe rechtvaardig het verderf zal wezen, omdat zij verwerpen de wet van de Heer der heerscharen, en niet willen dat Hij Koning over hen zijn zal. En gelijk de wet van Mozes verworpen werd, zo werd ook het woord, de rede, van de Heilige Israëls versmaad. Zijn woord, dat gesproken werd door Zijn dienstknechten de profeten, hen herinnerende aan Zijn wet en hen roepende tot gehoorzaamheid, werd versmaad, in de wind geslagen. God verwerpt de mensen niet voor iedere overtreding van Zijn wet en Zijn woord, maar als Zijn woord versmaad wordt en Zijn wet wordt verworpen, wat kunnen zij dan anders verwachten, de dat God hen geheel en al zal verlaten?
3. Vanwaar het verderf komen zal, vers 25. Het is verwoesting van de Almachtige.
a. De gerechtigheid Gods verordineert dit verderf want het is de toorn des Heeren, die ontstoken is tegen Zijn volk, het is de noodzakelijke handhaving van de eer van Zijn heiligheid en Zijn gezag.
b. De macht van God brengt het teweeg, Hij heeft Zijn hand uitgestrekt tegen hen, de hand, die zo menigmaal werd uitgestrekt voor hen tegen hun vijanden, is nu uitgestrekt tegen hen, in haar volle kracht. en wie kent de sterkte van Gods toorn? Of zij er zich van bewust zijn of niet het is God, die hen heeft geslagen, die hun wijnstok heeft verdorven en doen verdorren. 4. De gevolgen en de voortduur van dit verderf. Als God in toorn uitgaat tegen een volk, dan beven de bergen, vrees en schrik bevangen zelfs hun groten, die sterk en hoog zijn, de aarde wankelt en is op het punt van weg te zinken, en gelijk dit ontzettend is, -wat is ontzettender dan een aardbeving? -zo is er ook geen gezicht meer vreeslijk dan te zien dat de dode lichamen van mensen door de honden worden verscheurd, of als drek in het midden van de straten zijn geworpen. Dit geeft te kennen dat grote menigten gedood zullen worden, niet alleen krijgslieden op het slagveld, maar de inwoners hunner steden in koelen bloede ter dood gebracht, en dat de overlevenden noch de handen, noch de moed zullen hebben om hen te begraven. Dit is zeer ontzettend, en toch zozeer verdiend door de zonde, dat om dit alles de toorn des Heeren niet afgekeerd wordt, die zal blijven branden, zolang als er nog iets van de stoppelen en het kaf overgebleven is om er als brandstof voor te dienen, en Zijn hand, die Hij had uitgestrekt tegen Zijn volk om hen te slaan, blijft, omdat zij haar niet aangrijpen door gebed, noch er zich door verbetering van hun leven aan onderwerpen, nog uitgestrekt.
5. De werktuigen, die gebruikt zullen worden, om dit verderf over hen te brengen, het zal geschieden door de inval van een buitenlandse vijand, die alles zal verwoesten. Er wordt geen bijzondere vijand genoemd, en daarom hebben wij het op te vatten als een voorzegging van de verschillende oordelen van die aard, die God over de Joden gebracht heeft, Sanheribs vijandelijke inval, die spoedig daarna plaatshad, de verwoesting van Jeruzalem eerst door de Chaldeën, en eindelijk door de Romeinen, en ik denk dat het ook beschouwd moet worden als een bedreiging van eenzelfde verwoesting over de volken en landen, die de zonden herbergen en steunen, welke in de voorafgaande verzen genoemd zijn. Het is een verklaring van het wee, dat daar uitgesproken wordt.
Als God voornemens is een tergend volk te verderven,
A. Dan kan Hij de werktuigen, er voor gebruikt moeten worden, van zeer ver laten komen, Hij kan Zijn troepen van de einden van de aarde laten aanrukken voor Zijn dienst, vers 26. Van hen, die Hem niet kennen, wordt gebruik gemaakt, om Zijn doeleinden tot stand te brengen, Zijn raad te vervullen, terwijl zij, vanwege de grote afstand, waarop zij zich bevinden, nauwelijks verondersteld kunnen worden eigen doeleinden op het oog te hebben. Als God Zijn standaard opricht, dan kan Hij het hart van de mensen bewegen om er dienst onder te nemen, of schoon zij wellicht niet weten waarom of waartoe. Als het de Heer der heerscharen behaagt om Zijn krijgsmacht in ogenschouw te nemen, dan heeft Hij in een oogwenk een groot leger bijeen, Joël 2:2, 11. Hij behoeft op de bazuin niet te blazen, Hij behoeft de trom niet te roeren, om hun kennis te geven, of om hen met moed te bezielen, neen, Hij behoeft hen slechts te sissen, of hen te fluiten, en dat is genoeg, dat horen zij, en dat bezielt hen met moed. God heeft alle schepselen tot Zijn dienst.
B. Hij kan hen met ongelooflijke spoed in dienst doen komen. Zie, haastig, snel zullen zij aankomen. Zij, die Gods werk willen doen, moeten niet treuzelen, niet talmen, en dat zullen zij ook niet als Zijn tijd gekomen is. Zij, die Gods oordelen trotseren, zullen zich schamen over hun onbeschaamdheid als het te laat is, zij zeiden minachtend en spottend: dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, vers 19, en zij zullen tot hun schrik en hun beschaming bevinden dat Hij het zal, in één uur is het oordeel gekomen.
C. Hij kan hen met verbazingwekkende voortvarendheid in de dienst voorwaarts doen gaan. Dit wordt hier in zeer sierlijke woorden en verheven uitdrukkingen beschreven, vers 27-30. a.Hoewel hun marsen zeer lang zijn, zal toch niemand onder hen moe wezen, zo verlangend zullen zij zijn om in dienst te komen, dat zij hun vermoeidheid zullen vergeten en er niet over zullen klagen.
b. Hoewel de weg ruw is, en misschien belemmerd door de gewone taktiek van de oorlog, zal toch niemand onder hen struikelen, maar over al de moeilijkheden van de weg zullen zij gemakkelijk heenkomen.
c. Hoewel zij genoodzaakt zijn voortdurend te waken, zal toch niemand onder hen sluimeren noch slapen, zo ijverig bezig zullen zij Zin met hun werk, In het vooruitzicht van de roof van de stad te zullen hebben voor hun moeite.
d. Zij zullen naar geen rust of ontspanning verlangen, zij zullen hun kleren niet afleggen, noch de gordel van hun lenden losmaken, maar steeds omgord zijn en het zwaard aan hun zijde hebben.
e. Zij zullen niet de minste belemmering ontmoeten, die hun mars zou kunnen vertragen, of hen zou noodzaken halt te houden, geen schoenriem van hun schoenen zal afgescheurd worden, waarvoor zij zouden moeten blijven staan om hem weer vast te maken, zoals Jozua 9:3.
f. De wapenen en ammunitie zullen allen in goede orde wezen, hun pijlen scherp om diep te wonden, en al hun bogengespannen, want zij verwachten spoedig handgemeen te zullen worden.
g. Hun paarden en oorlogswagens zijn allen geschikt voor de dienst, de paarden zo sterk, zo gehard, dat hun hoeven als een rots geacht worden, zo weinig zijn zij vermoeid van hun lange mars, en hun wagenraderen niet gebroken, of beschadigd, maar snel als een wervelwind, zo krachtig ronddraaiende om hun assen.
h. Al de krijgslieden zullen kloekmoedig wezen, vers 29, hun gejuich voor een veldslag zal als het brullen wezen van een leeuw, die zich met zijn gebrul tot moed opwekt en alles om hem heen verschrikt. Zij, die de stem van God niet wilden horen, tot hen sprekende door Zijn profeten, maar hun oren stopten tegen hun bezweringen, zullen de stem van hun vijanden te horen krijgen, tegen hen brullende, en daaraan zullen zij geen doof oor kunnen lenen, zij zullen brullen als het bruisen van de zee in een storm, zij bruist en dreigt te verzwelgen, zoals de leeuw brult en dreigt te verscheuren.
i. Er zal niet het minste uitzicht zijn op hulp of verlossing, de vijand zal aankomen als een stroom, en er zal niemand zijn om een banier tegen hem op te richten, hij zal de prooi grijpen, en niemand zal in staat zijn haar te verlossen ja er zal niemand zijn, die een poging daartoe zal durven wagen, men zal alles maar als verloren opgeven. Laat de benauwden de blik richten waarheen zij willen, alles is even somber, want als God ons met donkere dreigende blikken aanziet, welk schepsel kan ons dan vriendelijk aanzien?
Ten eerste. Zie rond op de aarde, op het land, op dat land, hetwelk een land van licht placht te wezen en de vreugde van de gehele aarde, en zie, daar is duisternis en benauwdheid, alles is even schrikwekkend, alles is treurig niets is bemoedigend. Ten tweede. Zie op naar de hemel, hoe groot is die duisternis! Als God Zijn aangezicht verbergt, dan is het niet te verwonderen dat de hemel het zijne verbergt en er duister uitziet, Job 34:29. Het is onze wijsheid om door een goed geweten te bewaren alles helder te houden tussen ons en de hemel, opdat wij licht mogen hebben van boven, als rondom ons wolken en donkerheid zijn.