Jesaja 44:9-20
Dikwijls tevoren had God door Zijn profeet gewezen op de dwaasheid en verbazingwekkende stompzinnigheid van afgodendienaars, maar hier weidt Hij uit over dat onderwerp, om het tentoon te stellen en prijs te geven aan bespotting. Deze rede heeft ten doel:
1. Om het volk van Israël te wapenen tegen de sterke verzoeking, waarin zij komen zouden, om afgoden te aanbidden toen zij gevangen waren in Babel, als om zich te schikken naar de gewoonte des lands, daar zij ver weg waren van de stad van hun eigen Godsdienstige bijeenkomsten, en om hen te believen, die nu hun heren en meesters waren.
2. Om hen te genezen van hun neiging tot afgoderij, die de zonde was, welke hen het meest lichtelijk heeft omringd, om hen daarvan af te keren waren zij naar Babel gezonden. Gelijk Gods roede van nut is om kracht bij te zetten aan het woord, zo is het woord van God nuttig om de roede te verklaren, opdat van beide tezamen de stem gehoord en er aan beantwoord zal worden.
3. Om hen te voorzien van iets, dat zij aan hun Chaldeeuwse aandrijvers zouden kunnen zeggen. Als zij over hen triomfeerden, een beledigend gejuich over hen aanhieven, als zij hun vroegen: Waar is uw God? konden zij hun vragen: Wat zijn uw goden?
4. Om hun de vrees te ontnemen voor de goden van hun vijanden, en hun hoop aan te moedigen op hun eigen God, dat Hij gewis zou optreden tegen hen, die zulke ergerlijke mededingers van Hem naar de troon voorstonden.
Ter overtuiging van afgodendienaars hebben wij hier:
I. Een oproep tot hen gericht, om zich te zuiveren, zo zij kunnen, van de beschuldiging van de schandelijkste dwaasheid en onzinnigheid die men zich denken kan, vers 9-11. Zij stelden hun vernuft te werk om gesneden beelden uit te denken, en hun handen om ze te formeren, en zij noemen ze gewenste dingen, zij zijn er buitengewoon mee ingenomen en verwachten er zeer grote dingen van. Door het bederf van de menselijke natuur zijn de dingen, die verfoeielijk voor hen moesten wezen hun gewenste dingen, hun lieflijke, genotvolle dingen. Maar diegenen zijn wel volkomen de prooi van een ziekte, aan wie hetgeen er het voedsel en de brandstof voor is, aangenaam en begeerlijk is.
1. Wij zeggen hun dat zij die dit doen enkel ijdelheid zijn, dat zij zichzelf en elkaar bedriegen, en dat zij een groot bedrog plegen jegens hen, voor wie ze deze beelden maken.
2. Wij zeggen hun dat hun gewenste dingen hun geen nut doen, zij kunnen hen noch voorzien van goed, noch beschermen tegen kwaad. De gesneden beelden zijn nergens toe nut, en nooit zullen zij iets verkrijgen door de hulde, die zij hun bewezen.
3. Wij doen een beroep op henzelf, en vragen of het geen dom en dwaas denkbeeld van hen is om iets te verwachten-iets goeds te verwachten-van goden, die zij zelf gemaakt hebben. Zij zelf zijn getuigen zijn getuigen tegen zichzelf, indien zij slechts hun geweten wilden toelaten getrouwelijk met hen te handelen, dat zij blind en onwetend zijn, als zij aldus doen, zij zien niet, noch weten zij, en laat hen het erkennen, opdat zij beschaamd worden, indien de mensen slechts trouw wilden zijn aan hun eigen overtuiging, dan zouden wij zeker zijn van hun bekering, inzonderheid van de bekering van afgodendienaars, want wie heeft een god geformeerd? Wie anders dan een waanzinnige, of iemand, die buiten zijn zinnen is, zou er aan denken om een god te maken?
4. Wij roepen hen op om hun eigen zaak te bepleiten, met enigerlei zekerheid of vertrouwen. Indien iemand de onbeschaamdheid heeft van te zeggen, dat hij een god geformeerd heeft, als al zijn medegenoten samenkomen, om te verklaren wat ieder van hun gedaan en bijgedragen heeft voor het maken van deze god, dan zullen zij beschaamd wezen over het zelfbedrog, dat zij gepleegd hebben, en in stilte lachen om hen, die zij bedrogen hebben, want de werkmeesters, die hun god geformeerd hebben, zijn uit de mensen, zwak en krachteloos, en daarom kunnen zij bij geen mogelijkheid een wezen maken, dat almachtig is, noch kunnen zij zonder te blozen zeggen, dat zij er toe in staat zijn. Laat hen allen tezamen vergaderd worden, zoals Demetrius en zij, die van dit handwerk waren, om hun kwijnende zaak op te houden, laat hen opstaan om hun zaak te bepleiten, en haar zo goed zij kunnen voorstellen, terwijl zij dicht aaneengesloten zijn om elkaar te steunen, maar als het er toe komt deinzen zij terug voor die taak daar zij zich bewust zijn van de zwakheid en slechtheid van hun zaak, en zij zullen beschaamd worden niet alleen als zij er alleen voor optreden, maar ook als zij gezamenlijk komen en hopen elkaar te kunnen steunen in het verdedigen ervan. Afgoderij en goddeloosheid zijn dingen, om welke te verdedigen de mensen volkomen terecht mogen beven en blozen.
II. Een nauwkeurig verhaal om te beschrijven hoe het maken van een god toegaat in zijn werk, en er is niets meer nodig om het dwaze er voor aan te tonen, dan er een beschrijving van te geven en er de geschiedenis van te vertellen.
De personen, die er voor gebruikt worden zijn handwerkslieden, en wel de geringste van hen, dezelfde, die gij gebruiken zoudt om uw keukengereedschap, of de gereedschappen van uw landbouwbedrijf te vervaardigen, om een kar of een ploeg te maken. Gij moet een smid, een ijzersmid hebben, die met de tang in de kolen werkt, en het is zwaar werk, want hij werkt met zijn sterken arm, totdat hij hongerig is en krachteloos wordt, zo ijverig en zo gehaast zijn zij, die hem aan het werk zetten, om het zo spoedig mogelijk gedaan te krijgen. Hij kan zich de tijd niet gunnen om te eten of te drinken, want hij drinkt geen water, en daarom is hij amechtig, vers 12. Misschien was het een bijgelovig gebruik onder hen, dat de werkman niet moest eten of drinken terwijl hij bezig was met het maken van een god. De platen, waarmee de smid het beeld meest overtrekken, of welk ander ijzerwerk er aan gedaan meest worden, vervaardigde hij met hamers, en wel zeer nauwkeurig naar het model, dat hem verstrekt was. Dan komt de timmerman, en hij besteedt evenveel zorg en moeite aan het houtwerk, vers 13, hij brengt zijn kist met gereedschappen mede, want hij heeft ze alle nodig, hij legt zijn liniaal op het stok hout, tekent het af met de draad, als het gezaagd of afgesneden moet worden, hij past het of polijst het met schaven, eerst met de grotere en dan de kleinere, hij tekent af met de passer wat er de grootte en de vorm van moet zijn, en dan is het juist zoals hij het hebben wil.
2. De gestalte, die er aan gegeven wordt, is die van een man, van een arm, zwak, stervend schepsel, maar het is de edelste vorm en gedaante, die hij kent, en daar het zijn eigen gestalte is, heeft hij er een bijzondere voorliefde voor, en wil hij er gaarne alle eer aan doen bewijzen. Hij maakt het naar de schoonheid van een mens in sierlijke evenredigheid, met de ledematen en gelaatstrekken, die de schoonheid van de mens uitmaken, maar die ten enenmale ongeschikt zijn om de schoonheid des Heeren voor te stellen. God heeft de mens een grote eer aangedaan, toen Hij hem ten opzichte van de krachten en vermogens van zijn ziel naar het beeld Gods gemaakt heeft, maar de mens doet God grote oneer aan als hij Hem ten opzichte van lichaamsdelen naar het beeld eens mensen maakten het is volstrekt geen vergoeding voor de belediging, als hij de mooiste van de mensen tot model neemt, waarnaar hij zijn god maakt, en er al de schoonheid aan geeft van de mens, die hij slechts bedenken kan, want al de schoonheid van de mens, die men voorwendt te geven aan Hem, die een oneindige Geest is, is een mismaaktheid en een verkleining van Hem. En als dan het fraaie stuk werks voleindigd is, dan moet het in het huis blijven, in de tempel, die er voor bereid is, of misschien in het woonhuis, als het een van de lares of penales, een van de huisgoden is.
3. De materialen, waarvan het gemaakt is, zijn voorzeker wel een armzalig iets om er een god van te maken, het is de tronk van een boom.
A. De boom zelf werd uit het woud gehaald, waar hij groeide onder andere bomen, geen meerdere kracht of waarde had dan de andere. Het was misschien een cederboom of een cypressenboom, of een eik, vers 14, misschien heeft hij er enigen tijd tevoren het oog op gehad om hem daarvoor te gebruiken en hem voor zich versterkt, de ene of andere kunst aangewend om hem sterker en deugdelijker te maken dan de andere bomen. Of zoals sommigen het lezen, die zich gesterkt of opgeheven heeft onder de bomen van het woud, de hoogsten en krachtigsten, die hij zich uitkiezen kan. Of, misschien bevalt het hem beter om een olmboom te nemen, die sneller groeit, en die hij zelf geplant heeft om hem hiervoor te gebruiken, en die gevoed werd door regen van de hemel. Zie zijn zelfbedrog als hij datgene tot zijn toevlucht stelt, wat hijzelf geplant heeft, en waar hij niet alleen zelf de vorm aan gegeven heeft, maar waarvoor hij zelf de materialen bereid heeft, en welk een belediging hij de God des hemels aandoet, door datgene als Zijn mededinger te stellen hetgeen gevoed werd door Zijn regen, die regen, die valt op de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen.
B. De takken van die boom waren nergens goed voor dan voor brandstof, en tot dat doel werden zij aangewend, evenals de spaanders die er onder de bewerking van afvielen. Zij zijn om te verbranden, vers 15, 16. En om aan te tonen dat er in die boom geen kracht als aangeboren of ingeschapen is tot zijn eigen bescherming is hij even vatbaar om verbrand te worden ais iedere andere boom, en om aan te tonen dat hij, die hem uitkoos, er van tevoren geen meerdere waarde aan toekende dan aan andere bomen, aarzelt hij niet om er een deel van in het vuur te werpen als doodgewoon afval, geen vragen doende om des gewetens wil.
a. Hij maakt er gebruik van voor het vuur op zijn haard. hij neemt er een deel van om er zich bij te warmen, vers 15, en bevindt er het aangename van, en het is zo verre van hem om er spijt of leedwezen over te gevoelen in zijn hart, dat hij zegt: Hei, ik ben warm geworden, ik heb het vuur gezien, en voorzeker dat deel van de boom, dat hem tot brandstof diende, het gebruik waartoe God en de natuur het bestemd hadden, bewijst hem veel grotere vriendelijkheid en verschaft hem grotere voldoening, dan dat waarvan hij een god maakt.
b. Het doet hem dienst voor zijn keukenvuur, hij eet vlees, dat er op gekookt of gebraden is, hij braadt een gebraad er op en is er van overtuigd, dat hij niets verkeerds gedaan heeft met het tot dit doel aan te wenden. Ja meer,
c. Het dient hem om er de oven heet mee te maken, waarvoor wij de brandstof gebruiken die de minste waarde heeft, hij steekt het aan en bakt er zijn brood mede, en niemand beschuldigt hem van daarmee iets verkeerds te doen. C. Maar met dat al, het voornaamste deel van de boom zal toch dienen om er een god van te maken, zoals hun door een hunner eigen dichters verweten wordt, Hor, Sat.I.8.
"In dagen van ouds stond ergens een godheid als een waardeloos blok hout, de schrijnwerker was in twijfel of hij er een stoel of een Prinpus van maken zou, totdat hij eindelijk om wijze redenen besloot om er een god van te maken."
En een ander van hen dreigt de afgod, aan wie hij de bewaring van zijn bossen had opgedragen, indien hij ze niet bewaarde, om brandstof te zijn voor zijn vuur, hem zelf tot dit doei te zullen aanwenden. "Drijf de plunderaars weg, en bewaar het hout voor de haard van uw meester, of anders zult gij zelf in brandstof worden veranderd." Martialis. Als de verdwaasde afgodendienaar aldus een gedeelte van de boom tot de geringste doeleinden heeft aangewend en het overige tijd had om te drogen, maakt hij in zijn verbeelding dat tot een god, en buigt er zich voor neer. Hij maakt het tot een gesneden beeld, en knielt er voor neer, vers 15, dat is: vers 17, het overige daarvan maakt hij tot een god, tot zijn gesneden beeld, naar zijn smaak en bedoeling, hij knielt er voor neer, en buigt zich en bidt het aan, bewijst er Goddelijke eer aan, buigt er zich voor neer in de nederigste eerbiedigste houding, als een dienstknecht, als een smekeling, hij richt er zijn gebed toe, als hebbende vertrouwen er in en grote verwachtingen ervan, hij zegt: Red mij, want gij zijt mijn God! "Daar, waar hij zijn eer en trouw en hulde bewijst, verwacht hij met recht redding en bescherming. Welk een vreemde, verbazingwekkende verdwaasdheid is het om hulp te verwachten van goden, die zichzelf niet kunnen helpen! Maar het is dit bidden tot hen, dat hen tot goden maakt, niet wat de smid of de timmerman er aan gedaan heeft. Hetgeen, waarin wij ons vertrouwen stellen, daar maken wij een god van. "Hij, die het gouden of marmeren beeld aanbidt, maakt er een god van, niet hij, die het slechts verzonnen en geformeerd heeft."
III. Hier wordt over geheel die zaak het oordeel uitgesproken, vers 18-20. Het is, om kort te gaan, de uitwerking en het bewijs van de grootste domheid en dwarsheid, waaraan men redelijke wezens kan denken schuldig te zich, en toont dat de mens erger is geworden dan de beesten die vergaan, want deze handelen naar de ingeving van de zinnen, maar de mens handelt niet naar de voorschriften van de rede, vers 18, ze weten niet en verstaan niet, mensen, die in andere dingen handelen met gezond verstand, handelen hierin met de grootste ongerijmdheid. Hoewel zij enige kennis en verstand hebben, zijn zij toch vreemdelingen voor, ja weerspannig aan de grote wet van het nadenken, vers 19. Niemand brengt het in zijn hart, niemand heeft zoveel verstand, om dit bij zichzelf te beredeneren, dat hij toch, naar men zou denken, gemakkelijk zou kunnen al was er niemand om het met hem te bespreken of te beredeneren, hij zou toch bij zichzelf kunnen zeggen: Een gedeelte van die boom heb ik in het vuur verbrand, om te kunnen bakken en braden, en zal ik dan nu het overige daarvan tot een gruwel maken, tot een afgod?" (want dat is een gruwel voor God en alle goede en verstandige mensen). "Zal ik ondankbaar en vermetel durven doen hetgeen God haat? Zal ik zo'n dwaas zijn, om mij neer te buigen voor een boomstam, een gevoelloos, levenloos, hulpeloos ding? Zal ik mij zo verlagen en verkleinen, dat ik gelijk word aan 0hetgeen, waar ik mij voor nederbuig? Een groeiende boom kan een schoon, statig ding zijn, maar de bonk van een boom heeft zijn heerlijkheid verloren, en hij, die er eer en heerlijkheid aan geeft, heeft zijn eigen eer en heerlijkheid verloren.
Het treurige karakter, dat over het geheel aan deze afgodendienaars wordt toegeschreven, vers 20, is: 1. Dat zij zichzelf misleiden en bedriegen, zij voeden ziek met as, zij voeden zich met de hoop op voordeel door hun afgoden te aanbidden, meer zo zullen even teleurgesteld zijn als iemand, die verwacht gevoed te worden door as te eten. As te eten is een bewijs van een bedorven eetlust en van een ziekte van het lichaam, het is een bewijs dat de ziel als overmeesterd is door een zeer slechte gewoonte, als de mensen in hun aanbidding niet verder gaan, dan het gezicht van hun ogen hen brengen wil. Zij zijn ellendig begoocheld, en het is hun eigen schuld, hun eigen bedrogen hart, meer dan de bedrieglijke tong van anderen, heeft hen ter zijde afgeleid van het geloof en de aanbidding van de levende God tot stomme afgoderij. Ze worden door hun eigen begeerlijkheden ter zijde afgeleid en verlokt. De afval van de zondaren van God is geheel en uitsluitend aan henzelf te wijten, aan het boze hart des ongeloofs, dat zij met zich omdragen. Een oproerig en weerstrevend hart is een bedrogen hart.
2. Dat zij moedwillig volharden in hun zelfbedrog, en niet willen, dat hun de ogen geopend worden. Niemand van hen kan er toe bewogen worden, om in zoverre zichzelf te wantrouwen, dat hij zegt: is er niet een leugen in mijn rechterhand? en er alzo aan denkt om zijn ziel te redden. Afgodendienaars hebben een leugen in hun rechterhand, want een afgod is een leugen, is niet wat hij voorgeeft te zijn, doet niet wat hij belooft te zullen doen, en hij is een leugenleraar, Habakuk 2:18. Het is van het hoogste belang voor hen, die gerust voortgaan op een boze weg, om zich ernstig af te vragen, of er niet een leugen in hun rechterhand is. Is niet datgene een leugen, hetwelk we met zoveel genot en behagen vasthouden alsof het ons voornaamste goed was? Is ons hart gezet op de rijkdom van de wereld en de genietingen van de zinnen? Dan zal het gewis blaken een leugen in onze rechterhand te zijn. En is niet datgene een leugen, waaraan wij vasthouden als de grond, waarop wij onze hoop op de hemel bouwen? Als wij vertrouwen op onze uitwendige belijdenis en Godsdienstige verrichtingen, alsof wij daardoor behouden zouden worden, dan bedriegen wij onszelf met een leugen in onze rechterhand, en een huis, dat op het zand gebouwd is. Wantrouwen van onszelf is de eerste stap naar verlossing van onszelf. Wij kunnen niet getrouw zijn jegens onszelf, zo wij onszelf niet wantrouwen. Hij, die zijn ziel wil redden, moet beginnen met aan zijn eigen consciëntie de vraag voor te houden: Is er niet een leugen in mijn rechterhand? Zij, die overgegeven zijn om een leugen te geloven zijn onder de macht van een kracht van de dwaling en het is moeilijk hen ervan te bevrijden 2 Thessalonicenzen 2:11.