Jesaja 42:18-25
De profeet had van vertroosting en bemoediging gesproken tot de gelovige Joden, die op de vertroosting Israëls zagen, maar nu wendt hij zich tot diegenen onder hen, die ongelovig waren, om hen te overtuigen van hun zonde en hen tot verootmoediging te brengen. Onder hen, die te Babel in gevangenschap waren, waren er, als de slechte vijgen in Jeremia's visioen daarheen gezonden tot hun kwaad, "om een beroering ten kwade te zijn allen koninkrijken van de aarde en tot een spreekwoord en een spotrede," Jeremia 24:9. In hen was een type van de doden, die Christus hebben verworpen en die door Hem verworpen zijn geworden, en toen meer dan ooit onder de vloek zijn gevallen, toen zij, die geloofden, de zegen hebben beërfd, want zij zijn verbroken en blijven verstrooid tot op de huidigen dag.
Merk op:
I. De roepstem, die uitgaat tot het volk, vers 18. "Hoort, gij doven, en geeft acht op het blijde geklank, en aanschouwt, gij blinden, om het vreugdevolle licht te zien." Er is geen ongerijmdheid in dit gebod, en het is ook niet strijdig met de wijsheid en goedheid van God, om ons op te roepen om het goede te doen, waartoe wij in onszelf onbekwaam zijn, want deze hebben natuurlijke vermogens, die zij zo kunnen aanwenden, dat zij beter doen dan zij doen en zij zouden bovennatuurlijke hebben, als het niet hun eigen schuld was dat zij haar niet hebben, zodat zij onder een zedelijke onmacht liggen voor hetgeen goed is. Deze oproep tot de doven om te horen en tot de blinden om te zien is als het bevel aan de man, die de verdorde hand had om haar uit te strekken, hoewel hij dit niet kon, daar zij verdord was, zou hij, zo hij het niet beproefd had, niet genezen zijn, en dat hij genezen was, was toch niet te danken aan zijn daad, maar aan de Goddelijke macht.
II. Het karakter, dat hun wordt toegeschreven vers 19,20 Wie is er blind als Mijn knecht, en doof gelijk Mijn bode? Het volk van de Joden waren naar belijdenis Gods knechten, en hun priesters en oudsten Zijn boden, Maleachi 2:7, maar zij waren doof en blind. Het vorige vers kan verstaan worden als gesproken van de heidense afgodendienaars, die Hij doof en blind noemt, omdat zij goden aanbaden, die dit waren. "Maar", zegt Hij, "Het is geen wonder, dat gij doof en blind zijt, als Mijn eigen volk even slecht is als gij, en als velen van hen even verzot zijn op afgoderij als gij." Hij klaagt over hun domheid, zij zijn blind, en over hun weerstrevendheid, zij zijn doof, zij waren nog erger dan de heidenen zelf. Corruptio optimi est pessima-Wat het beste is, wordt, als het bedorven wordt, het slechtste. Wie is er zo moedwillig, zo ergerlijk, blind en doof als Mijn knecht en Mijn bode, als Jakob die Mijn knecht is, Hoofdstuk 41:8, en als hun profeten en leraren, die Mijn boden zijn? Wie is er blind zoals hij, die naar belijdenis en pretentie volmaakt is, die van de volmaaktheid naderbij moest komen dan andere mensen, hun priesters en profeten? De één profeteert vals, en de ander voert de heerschappij door middel van hen en wie is er zo blind als zij, die niet willen zien als het licht hun in het aangezicht schijnt? Het is iets zeer gewoons, maar iets dat zeer treurig is, als zij, die naar belijdenis Gods knechten en boden zijn, zelf blind en doof zijn in geestelijke zaken, onwetend, dwalend en zeer zorgeloos. Blindheid en doofheid in geestelijke zaken zijn erger in hen, die belijden Gods dienstknechten en boden te zijn, dan in anderen. In hen is het grotere zonde en schande, grotere oneer Gode aangedaan, en voor henzelf zal er een zwaarder oordeel op volgen. De profeet gaat voort met de blindheid en de hardnekkigheid te beschrijven van het Joodse volk, vers 20, juist zoals onze Heiland die beschreven heeft in Zijn tijd, Mattheus 13:14, 15. "Gij ziet wel vele dingen. maar gij bewaart ze niet." Zeer velen gaan ten verderve omdat zij hetgeen zij wel moeten zien, niet bewaren, zij komen om, niet uit onwetendheid, maar uit zorgeloosheid. In de tijd van onze Zaligmaker hebben de Joden vele blijken en bewijzen gezien van Zijn Goddelijke zending, maar ze hebben er niet op gelet, zij schenen hun oren voor Hem te openen, maar zij hoorden niet- zij gaven geen acht, zij verstonden niet, geloofden niet, gehoorzaamden niet, en toen was het volkomen hetzelfde alsof zij niet hadden gehoord
III. De zorg, die God dragen zal voor de eer van Zijn naam, niettegenstaande hun blindheid en doofheid, inzonderheid voor Zijn woord, dat Hij groot maakt boven al Zijn naam. Zullen het ongeloof en de hardnekkigheid van de mensen Gods beloften tenietdoen? Romeinen 3:3. Neen, hoewel zij blind en doof zijn, zal God toch niets van Zijn eer en heerlijkheid verliezen, vers 21. De Heere had lust aan hem om gerechtigheid, Hij had geen lust aan hun zonde, maar in de openbaring van Zijn eigen gerechtigheid door hen te verwerpen om hun verwerping van de grote zaligheid. Hij spreekt als één, die een welgevallen heeft, Hoofdstuk 1:24. "O wee! Ik zal Mij troosten over Mijne wederpartijders." Ezechiël 5:13, Hij zal getroost zijn. De Schrift werd vervuld, zowel in de verwerping van de Joden, als in het inbrengen van de heidenen, en daaraan zal de Heere lust hebben. Hij zal de wet groot maken, de Goddelijke openbaring in al haar delen, en haar heerlijk maken. De wet is in waarheid heerlijk, en de dingen ervan zijn grote dingen, als de mensen haar niet groot willen maken door hun gehoorzaamheid eraan, dan zal God zelf haar groot maken door hen te straffen voor hun ongehoorzaamheid. Hij zal de wet groot maken door te vervullen, of te volbrengen wat er in geschreven is, Hij zal haar gezag groot maken, en haar kracht, haar rechtmatigheid, Hij zal het ten slotte doen, als alle mensen geoordeeld zullen worden door de wet van de vrijheid, Jakobus 2:12. Hij doet het iedere dag. Wat doet God anders in de wereld dan de wet groot en heerlijk maken?
IV. De rampen, die God over het Joodse volk zal brengen wegens hun moedwillige blindheid en doofheid, vers 22. Zij zijn beroofd en geplunderd. Zij, die onboetvaardig en onverbeterd waren in Babel, werden tot eeuwigdurende gevangenschap veroordeeld. Het was om hun zonden, dat zij van al hun bezittingen werden beroofd niet alleen in hun eigen land maar ook in het land van hun vijanden. Sommigen van hen waren verstrikt in holen, en anderen waren verborgen in gevangenhuizen zij kunnen zichzelf niet helpen, want zij zijn verstrikt, hun vrienden kunnen hen niet helpen, want zij zijn verborgen, en in hun gevangenissen hebben hun vijanden hen vergeten. Zij zijn met alles wat zij hebben tot een prooi en tot een buit, en er is niemand om hen te verlosser, hetzij door geweld, of door een rantsoen voor hen te betalen, niemand, die tot de trotse verdrukkers durft zeggen: Geeft weer. Daar liggen zij, en daar zullen zij waarschijnlijk blijven liggen. Dit is volkomen vervuld geworden in de verwoesting van het Joodse volk door de Romeinen, die God over hen bracht om hun verwerping van het Evangelie van Christus.
V. De raad, hun gegeven tot hun verlichting, want hoewel hun toestand treurig is, is hij toch niet wanhopend. De meesten van hen waren doof, zij wilden niet horen naar de stem van Gods woord, daarom zal Hij het met Zijn roede beproeven, en zien wie onder hen daarop zal acht geven, vers 23. Wij moeten niet wanhopen aan hen, met wie lang gesproken, lang tevergeefs geredeneerd werd, sommigen van hen kunnen ten slotte horen en ter harte nemen, als de ene methode zonder uitwerking blijft dan zal een andere methode helpen, en de zondaren zullen zonder verontschuldiging gelaten worden.
Merk op:
1. Wij allen kunnen, zo wij willen, de stem van God horen, en wij worden geroepen en uitgenodigd om haar te horen. 2. Het is van de moeite waard om te vragen wie het zijn, die het bemerken als God tot hen spreekt, en dan gewillig zijn om te horen.
3. Onder de velen, die de stem van God horen, zijn er slechts zeer weinigen, die er naar luisteren, er acht op geven, en wat zij horen ter harte nemen.
4. Bij het horen van het woord moeten wij het oog hebben op de toekomende tijd. Wij moeten horen voor daarna, voor hetgeen kan voorvallen tussen ons en het graf, inzonderheid moeten wij horen voor de eeuwigheid. Wij moeten het woord horen met een andere wereld voor onze ogen. De raad is:
A. De hand Gods te erkennen in hun beproeving, en wie er ook de werktuigen voor mogen zijn, het oog op Hem te hebben als op de eerste, de voornaamste werker, vers 24. Wie heeft Jakob en Israël, het volk, dat zo'n invloed placht te hebben in de hemel en zo'n heerschappij op de aarde, de rovers overgegeven tot een plundering, zoals zij het zijn voor de Babyloniërs en voor de Romeinen? Is het niet de Heere? Gij weet dat Hij het is. Denkt er dan over na, en hoort Zijn stem in deze oordelen."
B. Te erkennen dat zij God er toe gebracht hadden hen aldus te verlaten, en dat zijzelf al deze rampen over zich hadden gebracht.
a. Deze straffen werden hun het eerst opgelegd wegens hun ongehoorzaamheid aan de wet van God. Hij is het, tegen wie wij gezondigd hebben de profeet sluit zichzelf er bij in, rekent zichzelf tot de zondaren te behoren, zoals Daniël 9:7, 8. Wij hebben gezondigd, wij allen hebben brandstof tot het vuur gebracht, en er zijn er onder ons, die moedwillig geweigerd hebben in Zijn wegen te wandelen." Jakob en Israël zouden nooit de rovers zijn overgeleverd, indien zij zich niet zelf door hun ongerechtigheden hadden verkocht. Daarom is het, omdat zij het verbond van de wet hebben verbroken, dat God de vervloekingen van de wet over hen gebracht heeft, dat Hij de grimmigheid van Zijn toorn niet op hen heeft laten vallen, maar over hen heeft uitgestort, en de macht van de oorlog, al de verwoestingen van de strijd, en hen rondom in vlam gezet, want God omringt de goddelozen met Zijn oordelen, zoals Hij de rechtvaardigen omringt met Zijn goedgunstigheden. Zie de kracht van Gods toorn, hij is niet te weerstaan er is niet aan te ontkomen. Zie het kwaad, dat door de zonde teweeggebracht wordt, zij verwekt God tot toorn jegens een volk, en ontsteekt aldus een algemene brand, zet alles in vuur en vlam.
b. Deze oordelen bleven over hen wegens een ongevoeligheid en onverbeterlijkheid onder Gods roede. Het vuur van Gods toorn had hem aangestoken en hij wist het niet, was er zich niet van bewust, hij sloeg geen acht op de oordelen, zag er de hand Gods niet in. Ja het brandde hem, en ofschoon hij het toen wel moest weten en gevoelen, nam hij het toch niet ter harte, hij werd niet wakker geschud door de vorige bestraffingen, waar hij onder was werd er volstrekt niet door aangedaan. Zij, die door de mindere oordelen niet verootmoedigd worden, moeten zwaardere verwachten, want als God oordeelt zal Hij overwinnen.