Jesaja 3:16-26
Het was de taak van de profeet, om aan allerlei mensen te tonen wat zij hadden bijgedragen tot de nationale schuld, en welk deel zij moesten verwachten van de komende nationale oordelen, hier bestraft en waarschuwt hij de dochters van Zion, houdt haar haar gebreken voor, en daar Mozes in Zijn wet Gods toorn had aangekondigd tegen de tedere en wellustige vrouw, Deuteronomium 28:56, (de profeten een verklaring zijnde van de wet), zegt hij haar hier, hoe zij lijden zullen onder de rampen, die over haar komen zullen.
Merk op:
I. De zonde, die aan de dochters van Zion ten laste wordt gelegd, vers 16. De profeet betuigt uitdrukkelijk dat hij Gods gezag had voor hetgeen hij zei, opdat men het niet onbetamelijk in hem zou achten, dat hij acht sloeg op zulke dingen, en opdat het hem door de dames niet ten kwade zal geduid worden. De Heer zegt het, en of zij nu al of niet willen horen, laat hen weten dat God kennis neemt van, en zeer misnoegd is wegens, de dwaasheid en ijdelheid van hoogmoedige vrouwen, en dat Zijn wet kennis neemt, zelfs van haar kleding zij worden hier beschuldigd van twee dingen, hoogmoed en brooddronkenheid, regelrecht ingaande tegen de eerbaarheid, schaamte en matigheid, waarmee de vrouwen zich moeten versieren 1 Timotheus 2:9. Zij openbaarden de gezindheid van haar hart door haar houding en manieren en de lichtzinnigheid van haar gedrag. Zij zijn hoogmoedig, want zij gaan met uitgestrekte hals, opdat zij een slank voorkomen zouden hebben, of alsof zij niemand goed genoeg achten om mee te spreken, of om een blik of glimlach op te vangen. Haar ogen zijn wellustig, bedrieglijk, zoals de eigenlijke betekenis is van het woord, met haar verliefde blikken lokken zij mannen in haar strikken, zij nemen een vormelijke, voorname houding aan, opdat men haar zou aanzien en bewonderen, en zou weten dat zij naar de dansschool zijn geweest, en alle fraaie passen hebben geleerd, zij gaan sierlijk trippelende daarheen, geen lust hebbende om de zolen van haar voeten op de grond te zetten, omdat zij daar te teer en te verfijnd voor zijn. Zij maken een geluid of gerinkel met haar voeten, vers 16, daar zij, naar sommigen denken, kettinkjes of belletjes aan haar schoenen hadden, die dat geluid maakten, zij gaan alsof zij gebonden waren- zo lezen het sommigen-als een paard, dat de stap moet leren. Zo is Agag welgemoed tot Samuël gegaan, 1 Samuël 15:32. Zulk een fraaie, gemaakte houding is niet alleen een bedwang op hetgeen natuurlijk is, is niet alleen bespottelijk in de ogen van de mensen, in de ogen van mensen van verstand, maar daar zij een blijk is van een ijdel hart, is zij aanstotelijk voor God. En dit wordt hier verzwaard door twee dingen.
a. Dat zij de dochters waren van Zion, de heiligen berg, die zich met de waardigheid moesten gedragen, welke betaamt aan vrouwen, die de godsdienst belijden.
b. Dat zij de vrouwen en dochters schijnen te zijn van de vorsten, die de armen beroofden en verdrukten vers 14, 15, om deze hoogmoed en die weelde van hun gezin te kunnen bekostigen.
II. De straffen, bedreigd voor deze zonde, en zij beantwoorden aan de zonde, zoals in een spiegel het aangezicht is tegen het aangezicht, vers 17, 18.
1. Zij gingen met uitgestrekte hals, maar God zal haar schedel schurftig maken, zodat haar hoofd gebogen zal zijn, en zij zich zullen schamen, om haar hoofd te tonen, daar zij er door genoodzaakt zijn om zich het haar af te knippen. Walgelijke kwalen worden dikwijls gezonden als een rechtvaardige straf voor hoogmoed, en zijn soms het onmiddellijke gevolg van ongebondenheid, daar het vlees en het lichaam er door verteerd worden.
2. Zij bekommerden zich niet om wat het kostte, om zich van een grote verscheidenheid van fraaie klederen te voorzien, maar God zal haar tot zo'n uiterste armoede laten vervallen, dat zij geen genoegzame kleren zullen hebben om hun naaktheid te bedekken, zodat haar onsierlijke leden door haar lompen heen zichtbaar zullen worden.
3. Zij waren zeer verzot en trots op haar versierselen, maar God zal haar die versierselen ontnemen, als haar huizen geplunderd, deze schatten geroofd, en zij zelf gevankelijk weggevoerd zullen worden. De profeet specificeert hier vele van de sieraden, die zij plachten te dragen even nauwkeurig, alsof hij de bewaarder was van haar kleren en sieraden, of haar in haar kleedkamer had gediend. Het is van geen belang, om een onderzoek naar de aard of de hoedanigheid van deze versierselen in te stellen en na te gaan of de overzetting van de oorspronkelijke woorden juist is, misschien zullen over honderd jaar de namen van de sieraden, die nu in ons land in zwang zijn even weinig begrepen worden, als sommigen van die hier genoemd zijn. De mode verandert, en ook de namen ervan, en toch is de vermelding ervan niet tevergeefs, zij dient om de dwaasheid aan te tonen van de dochters van Zion, want,
a. Wij kunnen veronderstellen dat vele van die dingen zeer zonderling en bespottelijk waren, en als zij niet in de mode waren, uitgejouwd zouden worden. Ze waren meer geschikt voor speelgoed van kinderen dan voor sieraden van volwassenen om er mee naar de berg Zion te gaan.
b. De dingen, die betamelijk en geriefelijk waren, zoals het linnen, de hoofddeksels, of kappen, en de sluiers, behoefden niet in zo grote overvloed aangeschaft te zijn, of in zo grote verscheidenheid. Het is noodzakelijk om kleren te hebben, en dat allen ze hebben naar hun rang en stand, maar waartoe diende het om zovele wisselkleding te hebben, vers 22, ten einde geen twee dagen achter elkaar in hetzelfde gewaad te worden gezien? "Zij moeten" -zoals het heet in een preek tegen overdaad in kleding-"een kleed hebben voor de dag, en een ander voor de avond, een lang en een kort kleed, een voor de werkdagen, en een ander voor de feestdagen, het één van die kleur, het andere van een andere kleur, een van stof, een ander van zijde of damast, een kleed voor de maaltijd, een ander na de maaltijd, één naar de Spaanse, een ander naar de Turkse mode, en zijn nooit tevreden met genoeg," hetgeen, gelijk het een blijk en bewijs is van hoogmoed en ijdelheid, zo ook grote onkosten moet teweegbrengen om zich dit alles aan te schaffen, ten einde aan een lage lust te voldoen, onkosten, die aan werken van godsvrucht of barmhartigheid besteed hadden moeten worden, en het is nog wel, zo arme huurders niet gekweld, of arme schuldeisers niet bedrogen werden, om die weelde te bekostigen.
c. De opsomming van deze dingen duidt aan, in hoeveel zorg zij er om waren, hoe haar hart erop gezet was, welk een nauwkeurige berekening zij er van hielden, hoe kieskeurig zij er voor waren, hoe onverzadiglijk haar begeerte er naar was, en hoe zij er haar levensgenot in zochten. Een jonkvrouw kon geen van deze ornamenten vergeten, al waren ze ook nog zo talrijk, Jeremia 2:32, maar zou ze even geredelijk kunnen opnoemen, en er met evenveel genoegen over kunnen spreken, alsof het dingen waren van het hoogste belang. De profeet spreekt van deze dingen niet alsof zij in zichzelf zondig waren, zij kunnen wettig bezeten en gebruikt worden, maar als dingen waar zij hoogmoedig op waren en waarvan zij beroofd zullen worden. 4. Zij waren zeer keurig op haar kleding, maar God zal deze haar lichamen, om welke te versieren zij zulke grote uitgaven deden, en waaraan zij zoveel gemak en gerief wilden bezorgen, tot een smaad en een last voor haar maken, vers 24. Voor specerijen, voor de geuren uit die reukflesjes of reukballetjes, -huizen voor de ziel of de adem, zoals zij genoemd, worden, vers 20, in de kanttekening, volslank wezen, kleren, die vuil zijn geworden, omdat zij lang gedragen werden, of door een walglijke ziekte, of door pleisters om haar te genezen, in plaats van een rijk geborduurde gordel, die de kleren vast om het lijf houdt, zal er een scheur zijn, een scheuren van de kleren vanwege rouw en smart, of wel oude, vergane kleding, tot lompen gescheurd, in plaats van fraaie, gepoederde haarvlechten, zal er kaalheid zijn, het haar uitgerukt of afgeschoren zijnde, zoals het de gewoonte was in tijden van grote rampen en beproevingen, Hoofdstuk 15:2, Jeremia 16:6, of in zware slavernij, Ezechiël 29:18. In plaats van een omgording met een sjerp, de omgording met een zak ten teken van verootmoediging, en verbranding in plaats van schoonheid. Zij, die een goede gelaatskleur hadden, en er trots op waren, zullen, als zij in gevangenschap weggevoerd zijn, door de zon gebruind wezen, en men heeft opgemerkt dat het schoonste gelaat het spoedigst door het weer wordt bedorven. Laat ons uit dit alles leren:
a. Niet al te kieskeurig te zijn op onze kleding, ons hart niet te zetten op hetgeen fraai en kostbaar is, of er trots op te zijn.
b. Niet zeker te zijn van enigerlei genieting van de zinnen, daar wij niet weten hoe spoedig wij er beroofd van kunnen worden, noch tot welke behoeftige omstandigheden wij kunnen vervallen.
5. Haar bedoeling met deze versierselen was, de mannen te bekoren en hun liefde te winnen, Spreuken 7:16, 17, maar er zal niemand wezen om door haar bekoord te worden, vers 25. Uw mannen zullen door het zwaard vallen, en uw helden in de strijd. Het vuur zal hen verteren, en de jonge dochters zullen niet worden geprezen, dat is ten huwelijk gegeven, zoals gezegd wordt in Psalm 78:63. Als het zwaard komt met een opdracht dan zullen gewoonlijk de helden het eerst vallen, omdat zij zich het meest aan gevaar blootstellen. En als de wachters van Zion afgesneden worden, dan is het niet te verwonderen dat de poorten van Zion treuren. vers 26, daar de vijanden er zich meester van hebben gemaakt, en de stad zelf eenzaam en verlaten zijnde, daar zij leeg gemaakt is, zal op de aarde zitten, als een ontroostbare weduwe. Als zonde binnen de muren wordt geherbergd, dan zijn rouw en weeklagen nabij haar poorten.