2 Koningen 18:17-37
I. Hier is Jeruzalem belegerd door het leger van Sanherib, vers 17. Hij zond drie van zijn grootste krijgsoversten met een groot leger tegen Jeruzalem. Is dit de grote koning, de koning van Assyrië? Neen, noem hem zo niet hij is een laaghartig, vals, verraderlijk man, waardig om door alle eeuwen heen eerloos verklaard te worden, laat hem nooit met ere worden genoemd, die zo eerloos kon wezen om Hizkia's geld te nemen, dat hij hem gaf op voorwaarde dat hij zijn leger zou doen wegtrekken, en toen, in plaats van, volgens de overeenkomst, het land te verlaten, naar de hoofdstad optrok en het geld ook niet terugzond. Het zijn voorwaar slechte, eerloze mensen, en zo zullen wij hen noemen, al zijn zij ook nog zo groot en voornaam, wier beginsel het is hun woord en belofte niet verder bindend te doen zijn dan met hun belangen strookt. Nu had Hizkia maar al te veel reden om berouw te hebben van zijn verdrag met Sanherib, waardoor hij wel armer maar volstrekt niet veiliger is geworden.
II. Hizkia, zijn vorsten en zijn volk beschimpt en beledigd door Rabsake, de voornaamste woordvoerder van de drie generaals en die de meest schampere taal tot zijn beschikking had. Hij had ongetwijfeld van Sanherib instructies ontvangen omtrent hetgeen hij zeggen moest, die bedoelde hierdoor een nieuwe twist met Hizkia te zoeken. Hij had beloofd om na de ontvangst van Hizkia's geld, zijn leger te doen terugtrekken, en daarom schaamt hij zich om onmiddellijk een krachtige aanval op Jeruzalem te doen, maar hij zendt Rabsake om Hizkia te bewegen de stad over te geven en, zo hij weigert, dan zal dit hem tot voorwendsel (wel een zeer armzalig voorwendsel!) dieper, om haar te belegeren en, zo zij weerstand biedt, haar stormenderhand in te nemen. Rabsake heeft de onbeschaamdheid om een audiëntie van de koning zelf te vragen bij de watergang van de bovenste vijver, buiten de muren, maar Hizkia heeft de voorzichtigheid om te weigeren persoonlijk te onderhandelen, en zendt drie commissarissen, (de voornaamste staatsdienaren) om te horen wat hij te zeggen heeft, maar met de last om die dwaas niet te antwoorden naar zijn dwaasheid, vers 36, want zij konden hem niet overtuigen, maar zouden hem gewis prikkelen, en Hizkia had van zijn vader David geleerd te geloven dat God zou horen als hij "gelijk een dove zou zijn, die niet hoort," Psalm 38:14-16. Eenmaal hebben zij zijn rede onderbroken, doch slechts om hem te verzoeken thans in het Syrisch tot hem te spreken dan zouden zij overwegen wat hij gezegd heeft en er de koning rapport van doen, en zo zij hem dan geen bevredigend antwoord brachten, dan kon hij zich op het volk beroepen door in het Joods te spreken, vers 26. Dit was een redelijk verzoek en overeenkomstig het gebruik bij onderhandelingen, namelijk dat de gevolmachtigden de zaken onder elkaar regelen en vaststellen, voordat er iets van openbaar wordt gemaakt. Maar Hizkia bedacht niet dat hij met een onredelijk man te doen had, anders zou hij dat verzoek niet gedaan hebben, want het heeft Rabsake slechts verbitterd, en hem nog ruwer en onstuimiger gemaakt, vers 27. Tegen alle regelen van welvoeglijkheid en eer ging hij in plaats van met de commissarissen te onderhandelen, dreigende taal voeren tegen het krijgsvolk, trachtte hij hen te bewegen om te deserteren of te rebelleren, dreigde dat, zo zij weerstand mochten bieden, hij hen tot het uiterste van hongersnood zou brengen, en toen ging hij voort met zijn rede, waarvan de strekking is Hizkia, zijn vorsten en zijn volk te bewegen de stad over te geven.
Merk op, hoe hij om hiertoe te komen:
1. Zijn meester, de koning van Assyrië, verheerlijkt, telkens en nogmaals noemt hij hem de grote koning, de koning van Assyrië, vers 19, 28. Welk een afgod maakt hij van die vorst, wiens creatuur hij was! God is de grote Koning, maar in zijn oog was Sanherib een kleine god, en hij zou hun dezelfde eerbied voor hem willen inboezemen, die hij voor hem had, om hen aldus door verschrikking tot onderwerping aan hem te brengen, maar voor hen, die door het geloof de Koning van de koningen zien in Zijn macht en heerlijkheid, heeft zelfs de koning van Assyrië een klein, min aanzien. Wat zijn de grootsten en machtigsten van de mensen, als zij met God worden vergeleken of als God komt om met hen te strijden? Psalm 82:6, 7.
2. Hij poogt hen te doen geloven dat het zeer voordelig voor hen zijn zou om zich maar over te geven. Indien zij weerstand bieden dan moeten zij niets anders verwachten dan uit gebrek aan levensmiddelen het geringste kruid te moeten eten, want alle toevoer van levensmiddelen zal door de belegeraars worden afgesneden, maar zo zij willen capituleren zien gunst willen winnen door een geschenk en zich aan zijn genade willen overgeven, dan zullen zij een zeer goede behandeling van hem ondervinden, vers 31. Ik vraag mij af hoe Rabsake zonder te blozen van schaamte kon spreken van een overeenkomst te maken door een geschenk, als toch zijn meester zo kort geleden zijn overeenkomst met Hizkia had geschonden, die door zo'n groot geschenk verkregen was, vers 14. Kunnen diegenen verwachten dat men hen vertrouwen zal, die zich zo ergerlijk trouweloos betoond hebben? Maar: Ad populum phaleras Verguld slechts de keten, en het volk zal zich laten binden. Hij denkt allen te sussen met een belofte dat, zo zij zich slechts op genade of ongenade willen overgeven, zij wel verwachten moeten tot gevangenen te worden gemaakt, maar dat zal in werkelijkheid voor hun geluk wezen. Men vraagt zich af hoe hij kon denken door zulke misleidende redeneringen te zullen overmogen, maar aldus is het, dat de duivel iedere dag de zondaren misleidt door zijn verzoekingen. Hij zal hen er van moeten overtuigen:
a. Dat hun gevangenschap een geluk voor hen zijn zal, hun voordelig zal wezen, want dat een ieder van zijn vijgeboom zal eten en van zijn wijnstok, vers 31. Ofschoon de eigendom van hun bezittingen aan de overwinnaars zal overgaan, zullen zij er toch het vrije gebruik van hebben, maar hij zegt hun er nu niet bij, wat hij hun later zeggen zou, dat dit zou wezen met die verstarde, dat het zoveel en zolang zou wezen, als het de overwinnaars zou behagen.
b. Dat hun ballingschap hun zeer voordelig zal wezen: totdat ik kom en haal u in een land als uw eigen land, en in welk opzicht zal dit dan beter voor hen zijn, als zij er toch niets hun eigendom in kunnen noemen?
3. Wat hij in het bijzonder bedoelt, is hen te overtuigen dat het volstrekt nutteloos zou zijn om weerstand te bieden. Wat vertrouwen is dit, waarmee gij vertrouwt? Aldus beschimpt en hoont hij Hizkia, vers 19. Tot het volk zegt hij, vers 29, Dat Hizkia u niet bedriege tot uw verderf, want hij zal u niet kunnen redden, gij moet buigen of breken." Het zou goed wezen als zondaren zich wilden onderwerpen aan de kracht van dit betoog, door met God verzoend te worden, namelijk dat het onze wijsheid is ons aan Hem te onderwerpen, omdat het ijdel en nutteloos is om met Hem te strijden. Wat vertrouwen is dit waarmee zij vertrouwen, die Hem weerstaan? Zijn wij sterker dan Hij? Of wat zullen wij er mee winnen om distelen en doornen voor een verterend vuur te stellen? Maar Hizkia was niet zo hulpeloos en weerloos als Rabsake hem wel wilde voorstellen.
Op drie punter veronderstelt hij, dat Hizkia zou kunnen vertrouwen, en van alle drie poogt hij de ongenoegzaamheid aan te tonen. A. Zijn eigen militaire toebereidselen. Gij zegt: Daar is raad en macht tot de oorlog, en wij bevinden dat hij die ook had, 2 Kronieken 32:3. Maar dat gaat hij met minachting voorbij: "Het is een woord van de lippen, gij zijt niet tegen ons opgewassen, vers 20.. Met de meest mogelijke hoogheid en minachting tart hij hem om van al zijn volk twee duizend man bijeen te brengen, die een paard kunnen berijden, dan zal hij hem twee duizend paarden geven. Hij geeft te kennen, doch valselijk, dat hij geen mannen had of geen, die geschikt waren voor de strijd, vers 23. Aldus denkt hij hem terneer te werpen door hoogheid en spotternij en wil met hem wedden dat een overste van de geringste knechten van zijn heer instaat is om hem en geheel zijn krijgsmacht te verslaan en te vernietigen.
B. Zijn verbond met Egypte. Hij veronderstelde dat hij op Egypte rekende voor wagens en ruiters, vers 24, omdat de koning van Israël dit gedaan had, en van dit vertrouwen zegt hij met recht: Het is een gebroken rietstaf, vers 21 hij zal niet slechts de man falen, die er op steunt en verwacht dat hij zijn gewicht zal kunnen dragen, maar zal in zijn hand gaan en die doorboren en al zijn zijden splijten, zoals de profeet deze gelijkenis nog nader uitwerkt met toepassing op Egypte, Ezechiël 29:6, 7. Zo is de koning van Egypte, zegt hij, en waarlijk, zo is de koning van Assyrië voor Achaz geweest, die op hem vertrouwde, maar hij benauwde hem en sterkte hem niet, 2 Kronieken 28:20. Zij, die op de menselijke arm vertrouwt, zullen hem niet beter dan een gebroken rietstaf bevinden, maar God is de rots van de eeuwen.
C. Zijn invloed bij God en zijn betrekking tot Hem. Dit was werkelijk Hizkia's fundament, vers 22. Hij hield zich staande door te steunen op de macht en de belofte van God, daarmee heeft hij zich en zijn volk bemoedigd, vers 30. De Heere zal ons zeker redden, en wederom vers 32. Hij wist dat dit hun grote steun was, en daarom is hij het uitvoerigst in zijn poging om dit aan het wankelen te brengen, zoals Davids vijanden, die al hun kunstgrepen in het werk stelden om hem van zijn vertrouwen op God af te brengen, Psalm 3:3, 11:1, en dat hebben ook Christus' vijanden gedaan, Mattheus 27:43.
Op drie dingen wijst Rabsake om hun vertrouwen op God aan het wankelen te brengen maar zij zijn allen onwaar.
A. Dat Hizkia Gods bescherming verbeurd had door de hoogten en de altaren weg te nemen vers 22. Hier meet hij de God van Israël af naar de goden van de heidenen, die zich verlustigden in de menigte van altaren en tempels, en komt hij tot de gevolgtrekking dat Hizkia de God van Israël ten zeerste had beledigd door zijn volk te verplichten om op slechts één altaar te offeren. Aldus wordt een van de beste daden, die hij ooit in zijn leven gedaan heeft, verkeerd uitgelegd en voorgesteld als goddeloos en heiligschennend, door iemand, die de wet van de God van Israël niet kende of niet wilde kennen. Indien hetgeen in werkelijkheid goed en Gode welbehagelijk is door onwetende en boosaardige mensen voorgesteld wordt als kwaad en Godtergend, dan moeten wij dat niet vreemd vinden of er ons over verbazen. Indien dit heiligschennend was, dan wenste Hizkia dit altijd te blijven.
B. Dat God nu orders had gegeven voor de verwoesting van Jeruzalem, vers 25. Ben ik zonder de Heere opgetogen tegen deze plaats om die te verderven? Dit is niets dan een ijdel snoeven. Hij heeft zelf niet gedacht dat hij een opdracht had van God om te doen wat hij deed, (door wie zou hij haar hebben ontvangen?) maar hij wendt dit voor om het volk, dat op de muur was, te verschrikken. Indien er enige grond was voor zijn beweren, dan zou hij genomen kunnen zijn van de geschriften van de profeten, waarvan hij misschien kennis had bekomen, en die er op wezen dat de hand van God was in het verderf van de tien stammen, en nu dacht hij evengoed volmacht van God te hebben om Jeruzalem als Samaria te belegeren en in te nemen. Velen, die tegen God hebben gestreden, hebben voorgewend een opdracht van Hem te hebben.
C. Dat, al zou ook JAHWEH, de God van Israël, hen willen beschermen tegen de koning van Assyrië, Hij er toch de macht niet toe zou hebben, met deze Godslastering besluit hij zijn rede, vers 33-35. Hij vergelijkt de God van Israël met de goden van de volken die hij overwonnen en tenonder heeft gebracht, stelt Hem op een lijn met hen, en komt tot de gevolgtrekking dat, omdat zij hun aanbidders niet hebben kunnen beschermen en verlossen, de God Israëls de Zijnen evenmin zal kunnen beschermen en verlossen. Zie hier:
Ten eerste. Zijn hoogmoed. Als hij een stad veroverde, achtte hij ook over haar goden te hebben gezegevierd, en liet er zich geweldig op voorstaan. Zijn hoge dunk van de afgoden maakte dat hij een hoge dunk had van zichzelf, daar hij hun te sterk bleek.
Ten tweede. Zijn Godslastering, de God van Israël was geen lokale godheid, maar de God van de gehele aarde, de enig levende en ware God, de Oude van dagen, en had zich dikwijls bewezen boven alle goden te zijn, toch acht hij Hem niets meer te zijn dan de nieuwbakken, denkbeeldige goden van Hamath en Arpad. Volgens de overlevering van de Joden was Rabsake een afvallige Jood, hetgeen hem zo bedreven maakte in de Joodse taal. Indien dit zo is, dan was zijn onwetendheid omtrent de God van Israël zoveel minder te verontschuldigen en zijn vijandschap zoveel minder vreemd, want afvalligen zijn gewoonlijk de bitterste en boosaardigste vijanden, getuige Julianus. Het moet erkend worden dat er in deze rede van Rabsake veel beleid en kunst is, maar daarbij ook zeer veel hoogmoed, boosaardigheid, leugen en Godslastering, een greintje oprechtheid en eerlijkheid zou meer waard zijn geweest dan al dat vernuft en die redekunst.
Eindelijk. Er wordt ons gezegd wat de commissarissen van Hizkia deden.
1. Zij zwegen stil, niet omdat zij niets vanwege en voor Hizkia te zeggen hadden, zij zouden hem gemakkelijk en rechtvaardiglijk zijns meesters trouweloosheid hebben kunnen verwijten en zijn woord verbreken en hem gevraagd kunnen hebben: Welke godsdienst moedigt u aan te hopen dat dat voorspoedig zal zijn? Zij hadden hem tenminste de ernstige wenk kunnen geven, die Achab aan Benhadad gegeven heeft, toen deze hem dezelfde onbeschaamde eisen heeft gesteld: -Die zich aangordt beroeme zich niet als die zich losmaakt maar de koning had hun bevolen hem niet te antwoorden, en zij hielden zich aan hun instructies. Er is een tijd om te zwijgen zowel als een tijd om te spreken, en er zijn van de zodanigen, aan wie iets Godsdienstigs of redelijks te zeggen een werpen van paarlen voor de zwijnen zou wezen. Wat zou men aan een waanzinnige kunnen zeggen? Waarschijnlijk heeft hun zwijgen Rabsake nog trotser en geruster gemaakt, en zo werd zijn hart opgeheven en verhard tot zijn verderf.
2. Zij scheurden hun klederen, in verfoeiing van zijn Godslastering en in smart over de geminachten treurigen toestand van Jeruzalem, welks smaad hun een last was. 3. Zij hebben de zaak getrouwelijk de koning bekend gemaakt, en hem de woorden van Rabsake te kennen gegeven, opdat hij zou overwegen wat er gedaan moest worden, welke maatregelen genomen moesten worden, en welk antwoord zij op Rabsake's eis zouden brengen.