Jesaja 28:1-8
I. Hier waarschuwt de profeet het rijk van de tien stammen voor de oordelen, die over hen zullen komen wegens hun zonden, die spoedig daarna volvoerd werden door de koning van Assyrië, die hun land verwoestte en het volk gevankelijk wegvoerde. Efraïm had zijn naam ontleend aan vruchtbaarheid, hun grond zeer vruchtbaar zijnde, en de voortbrengselen ervan waren zeer overvloedig en de beste van hun soort, zij hadden zeer veel vette valleien vers 1, 4, en Samaria, dat op een heuvel was gelegen, was, als het ware, aan het hoofd van de vette valleien. Hun land was rijk en lieflijk, en als de hof des Heeren, het was de roem van Kanaän, zoals Kanaän de roem was van alle landen, hun korenoogsten hun wijnoogst weren het heerlijk sieraad op het hoofd van hun valleien, die geheel bedekt waren met koren en wijnstokken. Merk nu op:
1. Welk een slecht gebruik zij maakten van hun overvloed. Wat God hun gaf om Hem er mee te dienen, verdierven zij, misbruikten zij door het tot voedsel en brandstof te maken voor hun lusten.
A. Zij waren er door opgeblazen van hoogmoed. De goedheid, waarmee God hun jaren kroonde, die Hem een heerlijk sieraad des lofs behoorde te wezen, was hun een sieraad des hoogmoeds. Zij, die rijk zijn in de wereld, zijn licht hoogmoedig, 1 Timotheus 6:17. Hun koning, die de kroon droeg, was er trots op dat hij over zo'n rijk land regeerde. Samaria, hun koninklijke stad, was bekend om haar hoogmoed. Misschien was het onder hen gebruikelijk om op hun feesten guirlandes te dragen, vervaardigd van bloemen en korenaren, die zij droegen ter ere van hun vruchtbaar land. Hoogmoed was een zonde, die algemeen onder hen heerste, en daarom heeft de profeet in de naam van Hem, die de hovaardigen wederstaat, vrijmoedig een wee uitgeroepen over de hovaardige kroon. Als zij, die kronen dragen, er hoogmoedig op zijn, dan moeten zij niet denken dat zij aan dat wee zullen ontkomen. Hetgeen waar de mensen hoogmoedig op zijn, is hun, al is het ook nog zo nietig, een kroon, hij, die hoogmoedig is, denkt dat hij zo groot is als een koning, maar wee hun, die aldus zichzelf verhogen, zij zullen vernederd worden, hun hoogmoed is de voorbode van hun verderf.
B. Ze gaven zich toe in zinnelijkheid, Efraïm was bekend, of berucht, om zijn dronkenschap en uitgieting van overdadigheid. Samaria, het hoofd van de vette valleien, was vol van degenen die geslagen waren van de wijn, er door gebro ken waren, zoals de kanttekening zegt. Zie hoe dwaas dronkaards handelen, en geen wonder, daar zij in het bedrijven van de zonde reeds dwazen of dieren van zichzelf maken.
a. Zij laten zich overwinnen door de zonde, laten de zonde over zich heersen, worden er de dienstknechten van, 2 Petrus 2:1-9, zij worden er gevangen door geleid, en de gevangenschap is zoveel smadelijker omdat zij vrijwillig is. Sommigen van deze slaven hebben zelf erkend dat er geen zwaarder werk ter wereld is dan drinken. Zij zijn verslagen, niet door de wijn, maar door hun liefde ervoor.
b. Zij onderwerpen zich om er door in het verderf gestort te worden, zij zijn verbroken door de wijn hun gezondheid is er door te gronde gericht zij zijn gebroken in hun beroep, hun bezittingen en hun gezin worden er in het verderf door gestort, hun vrede met God is verbroken, en hun zielen zijn in gevaar om voor eeuwig verloren te gaan, en dit alles voor de bevrediging van een lage lust. Wee die dronkaards van Efraïm! De leraren moeten het algemene wee van het woord toepassen op bijzondere plaatsen en personen. Wij moeten zeggen: Wee de dronkaards! hun toestand is een toestand van wee en ellende hun dierlijke genietingen moeten beklaagd, niet benijd worden, "zij zullen het koninkrijk Gods niet beërven," 1 Corinthiers 6:10, de vloek is van kracht tegen hen, Deuteronomium 29:19, 20. Ja, wij moeten nog verder gaan en zeggen: Wee de dronkaards van zo'n plaats, opdat zij mogen horen en vrezen, ja, en wee deze of die persoon, als hij een dronkaard is. Er is een bijzonder wee over de dronkaards van Efraïm, want zij behoren tot Gods belijdend volk, en hun betaamt dronkenschap minder de aan anderen, zij weten beter en daarom moeten zij een beter voorbeeld geven. Sommigen houden het er voor dat de hovaardige kroon behoort tot de dronkaards, en dat er de guirlandes mee bedoeld zijn, waarmee zij gekroond werden, die in hun wedstrijden bij hun drinkgelagen de overwinning hadden behaald over de overigen van het gezelschap, dat is, meer hadden kunnen drinken dan een hunner: zij waren er trots op sterke wijndrinkers te zijn, maar wee hun, die aldus roemen in hun schande.
2. De rechtvaardigheid Gods in het wegnemen van hun overvloed, die zij aldus misbruikt hadden. Hun heerlijk sieraad, de overvloed, waarop zij trots waren is slechts een verwelkende bloem, het is spijze, die vergaat. De beste vruchten zijn, als God ze verderft, er op blaast, slechts verwelkende bloemen, vers 1. God kan gemakkelijk "hun koren wegnemen op zijn tijd," Hosea 2:8, en locum valtatum, grond die vervreemd was en braak ligt, herstellen, dit Zijn goed, dat zij voor Baäl bereid hebben. God heeft een beambte, gereed en bereid om beslag te leggen voor Hem. Hij heeft tot Zijn dienst een sterke en machtige, die in staat is het werk te doen namelijk de koning van Assyrië, die met de hand ter aarde zal werpen, gemakkelijk en als door het omwenden van de hand zal ter nederwerpen en vernietigen, al hetgeen waarop zij hoogmoedig zijn en waarin zij een welbehagen hebben, vers 2. Hij zal het ter aarde werpen om in stukken te worden gebroken met een sterke hand, waartegen zij niets vermogen. Dan zullen de hovaardige kroon en de dronkenen van Efraïm met voeten vertreden worden vers 3, zij zullen aan verachting worden blootgesteld, en niet in staat zijn om zich te herstellen. Dronkaards zijn in hun dwaasheid er licht toe geneigd om trotselijk te spreken, en dan het meest op zichzelf te roemen, als zij het meest over zichzelf beschaamd moesten zijn, maar hierdoor maken zij zich slechts des te meer bespottelijk. Het sieraad hunner valleien, waarin zij roemden, zal wezen:
a. Als een verwelkende bloem (zoals tevoren, vers 1) het zal vanzelf verdorren, en heeft in zich de beginselen van zijn eigen bederf, het zal mettertijd door zijn eigen mot en roest verdorven worden.
b. Gelijk de rijpe vrucht zodra zij ontdekt is geplukt en gegeten wordt, zo is de rijkdom van de wereld, behalve nog dat hij vanzelf kan vervallen en tenietgaan, ook er aan blootgesteld om door anderen te worden verslonden, en wel met evenveel gretigheid als de eerste rijpe vruchten, als er sterk naar verlangd wordt, Micha 7:1. Dieven breken door en stelen. De oogst, waar de wereldling trots op is, wordt door de hongerigen verteerd, Job 5:5, niet zodra bespeuren zij de prooi, of zij steken de hand er naar uit, en verslinden al wat zij er machtig van kunnen worden, hij wordt even gemakkelijk verslonden als de vruchten, die rijp zijn, voordat zij tot haar volle wasdom zijn gekomen en zeer klein zijnde, opgegeten worden, en van weinig waarde zijnde, worden zij niet bewaard, maar terstond opgegeten.
II. Vervolgens wendt hij zich tot het rijk van Juda, dat hij de overgeblevenen Zijns volks noemt, vers 5, want zij waren slechts twee stammen tegen tien in het rijk van Israël. 1. Hij belooft hun Gods gunst, en dat zij onder Zijn leiding en bescherming genomen zullen worden, als het sieraad van Efraïm blootgesteld zal zijn om vertreden en verslonden te worden, vers 5,6. Te die dage als het Assyrische leger Israël zal verwoesten, en Juda zou kunnen denken dat het huis van hun buurman in brand staande, hun eigen huis gevaar liep van ook in brand te geraken, te die dagen van vertreding en benauwdheid, zal God de overgeblevenen Zijns volks zijn alles wat zij nodig hebben en kunnen begeren, niet alleen voor het rijk van Juda, maar ook voor diegenen van Israël, die aan hun oprechtheid hebben vastgehouden, en die, zoals waarschijnlijk het geval was met sommigen van hen, zich naar het land van Juda hebben begeven om zich onder de bescherming van de Godvruchtige koning Hizkia te stellen. Toen de Assyriër, deze machtige en sterke, in Israël was als een hagelstorm, knetterend en bulderend, als een verwoestende stormwind, alles terneer werpende, inzonderheid op zee, en als een vloed van de sterke wateren, die overvloeien, het land overstromen, vers 2, dan zal in die dag de Heere van de heirscharen van alle heirscharen, door bijzondere gunsten Zijn volk onderscheiden, die zich onderscheiden hebben door een standvastig aankleven van Hem, en wat zij het meest behoeven, zal Hij zelf dan voor hen wezen. De waarde van de beloften wordt er zeer door verhoogd dat God, zich verbindende om een algenoegzaam God te zijn voor Zijn volk, het op zich neemt om zelf alles voor hen te zijn, dat zij kunnen begeren. Hij zal hun al de eer aandoen, die nodig is, niet alleen om hen voor smaad en minachting te behoeden, maar om hun eer en achting te doen verwerven. Hij zal hun tot een heerlijke kroon wezen en tot een sierlijke krans. Zij, die de hovaardige kroon droegen, hebben met minachting neergezien op Gods volk, en het vertreden, en zij-Gods volk-waren het snarenspel van de dronkenen van Efraïm, maar God zal door Zijn voorzienigheid zo voor hen verschijnen, dat het blijkbaar wordt dat Zijn gunst over hen is, en dat zal hun een heerlijke kroon wezen, immers welke grotere heerlijkheid of eer kan een volk hebben, dan om door God als de Zijnen erkend te worden? En Hij zal door Zijn genade zo aan hen verschijnen, dat het blijkbaar wordt dat Zijn beeld in hen vernieuwd is, en dat zal hun tot een sierlijke krans wezen, immers welk groter sieraad kan iemand hebben dan het sieraad van de heiligheid? Zij, die God tot hun God hebben, hebben Hem tot een kroon van de heerlijkheid en tot een sierlijker krans, want zij zijn Hem tot koningen en priesters gemaakt.
b. Hij zal hun al de wijsheid en genade geven die zij nodig hebben om de plicht van hun plaats en roeping naar de eis te vervullen. Voor hen, die ten gerichte zitten zal Hij zelf een geest des gerichts of des oordeels wezen, de raadslieden van de kroon zullen door wijsheid worden geleid en bestuurd, en de rechters zullen regeren door recht en billijkheid. Het is voor ieder volk een grote zegen als zij, die tot openbare ambten geroepen worden, bekwaam zijn voor hun post, als zij, die ten oordeel zitten, een geest des oordeels hebben, een geest van bestuur en regering.
c. Hij zal hun al de moed en de vrijmoedigheid geven die nodig zijn, om hen vastberaden te doen heengaan door al de moeilijkheden en de tegenstand, die zij waarschijnlijk zullen ontmoeten, Hij zal tot een sterkte wezen degenen, die de strijd afkeren tot de poort toe, tot de poort van de vijand, wiens steden zij belegeren, of tot hun eigen poorten, als zij een uitval doen tegen de vijanden, die hen belegeren. De kracht van het krijgsvolk is evenzeer van God afhankelijk als de wijsheid van de magistraten, als God die beide geeft dan is Hij een kroon van de heerlijkheid voor Zijn volk. Dit kan zeer wel verondersteld worden op Christus te wezen, en zo wordt het door de Chaldeeuwse paraphrase ook uitgelegd: te dien dage zal de Messias een heerlijke kroon zijn. Simeon noemt Hem de heerlijkheid van Zijn volk Israël, en Hij is ons geworden wijsheid en rechtvaardigheid en kracht van God. 2. Hij klaagt over de verdorvenheden, die onder hen gevonden werden, en over de vele verdorvenen, vers 7. En ook dezen, ook velen van Juda, dwalen van de wijn. Er zijn dronkenen van Jeruzalem, zowel als dronkenen van Efraïm, en daarom moet de genade Gods te meer bewonderd worden dat Hij de heerlijkheid van Juda niet verdorven heeft, zoals Hij de heerlijkheid van Efraïm heeft verdorven. Sparende genade legt ons zeer bijzondere verplichtingen op, als zij aldus onderscheidend voor ons is. Efraïms zonden worden in Juda gevonden, maar toch niet Efraïms verderf. Zij dwalen door wijn, hun onmatig drinken is zelf reeds een practische dwaling, zij denken hun verbeeldingskracht er door te verhogen, maar zij verderven hun oordeel er mede, en aldus bedriegen zij zichzelf, zij denken er hun gezondheid door te bevorderen, er hun spijsvertering gemakkelijk door te maken, maar zij bederven hun lichaamsgestel, en verhaasten ziekte en de dood. En het is de aanleiding tot zeer vele dwalingen in beginsel, hun verstand wordt er door beneveld, het geweten verleid, en daarom zullen zij, om er zich in te steunen, verdorven meningen omhelzen, en hun verstand, hun geest geweld aandoen, om zich toe te geven in hun lusten. Waarschijnlijk zijn sommigen door hun liefde tot de wijn en sterken drank er toe gebracht om afgoden te aanbidden, want bij hun afgodische feesten werd daar een overvloedig gebruik van gemaakt, en zo dwaalden zij door de wijn, zoals Israël zich door zijn liefde voor de dochteren van Moab aan Baäl-Peor gekoppeld heeft.
Drie dingen worden hier opgemerkt als verzwaringen van deze zonde:
A. Dat diegenen er zich aan schuldig maakten, wier roeping het was om anderen er tegen te waarschuwen, hen betere dingen te leren, en die dus een beter voorbeeld hadden moeten geven. De priester en de profeet zijn verslonden van de wijn hun ambt is er geheel in bedolven, teniet gedaan. De priesters waren als offeraars door een speciale wet verplicht om matig te zijn, Leviticus 10:9, en als oversten en magistraten kwam het hun niet toe wijn te drinken, Spreuken 31:4. De profeten waren een soort van nazireërs, zoals blijkt uit Amos 2:11, en daar zij naar hun ambt bestraffers waren, was het hun plicht om zich op de grootst mogelijke afstand te houden van de zonden, die zij in anderen bestraften, en toch waren velen van hen verstrikt in deze zonde. Hoe, een priester, een profeet, een bedienaar van het Evangelie, en toch dronken! Vertel het niet te Gath. Zulk een ergernis, zo'n schande zijn zij voor hun gewaad.
B. Dat de gevolgen ervan zeer verderflijk waren, niet alleen door de slechte invloed van hun voorbeeld maar als de profeet dronken was dan dwaalde hij in het gezicht, de valse profeten maakten zich duidelijk als de zodanigen bekend, als zij door de drank waren bevangen. De priester vergat de inzetting en veranderde de rechtzaak aller verdrukten, Spreuken 31:5, hij was even onvast in de werkingen van zich geest als in de bewegingen van zijn lichaam. Welke wijsheid of gerechtigheid kan men verwachten van hen, die verstand en deugd en geweten en alles wat van waarde is opofferen aan zo'n lage lust als de liefde tot sterke drank is? Welgelukzalig zijt gij land, welks vorsten ter rechter tijd eten, tot sterkte, en niet tot drinkerij, Prediker 10:17.
C. Dat de ziekte epidemisch was, en dat de meesten van hen, die open tafel hielden, er door besmet waren. Alle tafels zijn vol van uitspuwsel, vers 8. Zie hoe hatelijk een zaak de zonde van de dronkenschap is, welk een belediging zij is voor de menselijke samenleving, zij is grof, ongemanierd, in zo'n mate, dat de toeschouwers ervan walgen, want de tafels, waaraan zij hun spijs eten, zijn vuil, bevlekt door de tekenen van hun zonde, die de zondaars bekend maken zoals Sodom, hun tafels zijn vol van uitspuwsel. Zodat de overwinnaar, in plaats van fier te zijn op zijn kroon, er zich veeleer over moest schamen. Het is voor ieder volk een slecht voorteken, als zo'n domme zonde een nationale zonde geworden is.