Jesaja 28:23-29
Deze gelijkenis is, -evenals vele van de gelijkenissen van onze Zaligmaker-ontleend aan het beroep van de landman, en wordt ingeleid met een ernstige opwekking tot aandacht, wie oren heeft om te horen, dat hij hore, hore en versta, vers 23.
I. De gelijkenis is duidelijk genoeg, de landman legt zich met grote zorgvuldigheid en wijs beleid toe op zijn werk, en geeft zich daarbij veel moeite, secundum artem-naar de regel-en naar zijn oordeel hem leidt volgt hij methode en orde bij zijn werk.
1. Bij zijn ploegen en zaaien. Ploegt de ploeger de gehele dag om te zaaien? Ja, dat doet hij, en hij ploegt op hope en hij zaait op hope, 1 Corinthiers 9:10. Opent en egt hij zijn land? Ja, dat doet hij, opdat het geschikt zou zijn om het zaad te ontvangen. En wanneer hij aldus het bovenste effen heeft gemaakt, zaait hij dan niet zijn zaad, zaad, dat geschikt is voor de grond? Want de landman weet welk graan geschikt is voor de kleiachtigen grond, en welk voor de zandgrond, en dienovereenkomstig zaait hij iedere soort in de geschikte plaats ervoor tarwe in de voornaamste plaats, zoals de kanttekening zegt, want dat is het voornaamste graan, en was een van de voornaamste voortbrengselen van Kanaän. Ezechiël 27:17, "en gerst aan Mijn plaats." De wijsheid en goedheid van de God van de natuur kunnen hierop opgemerkt worden, dat Hij om aan Zijn schepselen een aangename verscheidenheid van voortbrengselen te geven, de verschillende grondsoorten daarvoor geschikt heeft gemaakt.
2. In zijn dorsen, vers 27,28, ook dat doet hij naar de aard van het graan, dat uitgedorst moet worden, de wikken en het komijn, die gemakkelijk door de hulzen of aren losgelaten worden, worden slechts met een staf en een stok gedorst, maar het broodkoren vereist meer kracht, en daarom moet dit verbrijzeld worden met een dorsslede, die van onder met ijzer beslagen was, die werd er heen en weer over getrokken, om er het koren uit te slaan, en toch zal hij het niet altijd door dorsen, niet langer dan nodig is, om het koren van het kaf los te maken, Hij zal het niet breken of verbrijzelen in de grond met zijn wagenrad, doch verbrijzelt hij het met zijn paarden, het vermalen ervan geschiedde door een andere bewerking. Merk hier meteen op, welk een moeite er gedaan moet worden voor ons noodzakelijk voedsel, niet alleen om het te verdienen, maar ook om het te bereiden, en toch is dit met dat al slechts spijze, die vergaat, zal het ons dan verdrieten om nog veel meer moeite te doen voor de spijze, die blijft tot in het eeuwige leven Het broodkoren wordt verbrijzeld, Christus was dit, het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen opdat Hij voor ons het brood des levens zijn zou.
II. De verklaring van de gelijkenis is niet zo duidelijk. De meeste uitleggers houden haar voor nog een nader antwoord aan hen, die de oordelen Gods trotseerden: "Laat hen weten, dat, gelijk de landman niet altijd ploegt, maar ten laatste zijn zaad zal zaaien, zo zal God niet altijd dreigen, maar ten slotte Zijn bedreigingen ten uitvoer brengen, en over de zondaren de oordelen doen komen, die zij verdiend hebben, doch Hij zal het doen in wijsheid en in evenredigheid met hun kracht, opdat zij er niet ten verderve, maar tot bekering en verbetering van leven door worden gebracht. Maar ik denk dat wij aan deze gelijkenis een ruimere strekking kunnen geven.
1. In het algemeen: dat God, die aan de landman deze wijsheid geeft, zelf ongetwijfeld oneindig wijs is. Het is God, die de landman onderricht van de wijze, dat is, hem wijsheid leert, als zijn God, vers 26. Landbouwers hebben wijsheid nodig om hun zaken, hun werkzaamheden te regelen, en zij behoren die werkzaamheden niet op zich te nemen, tenzij dat zij ze tenminste enigermate verstaan, en zij moeten er zich op toeleggen om door waarneming en ervaring hun kennis te vermeerderen. Daar de koning zelf van het veld wordt gediend is de bevordering van de landbouwkunde een algemene dienst aan de mensheid, veel meer dan die van iedere andere kunst of wetenschap. De bekwaamheid van de landman is uit God, zoals iedere goede en volmaakte gave dit is. Het neemt iets af van het gewicht en de verschrikking van het vonnis, dat over de mens werd uitgesproken om de zonde, dat toen God, om het te voltrekken, de mens heenzond om de aarde te bebouwen, Hij hem leerde om dit op de voor hem voordeligste wijze te doen want anders zou hij in de grootheid van zijn dwaasheid in plaats van de grond altijd door het zand van de zee bebouwd hebben, tevergeefs arbeidende. Hij is het, die aan de mensen de bekwaamheid geeft voor dit beroep, die er hun de neiging toe geeft, die er hen vermaak in doet vinden, en indien sommigen, die er door Gods voorzienigheid als voor gemaakt waren, er als voor geknipt waren, zoals wij zeggen, er zich niet in verblijdden en verlustigden, zoals Issaschar die stam van landbouwers, zich verblijdden in hun tenten, in weerwil van de zware arbeid en de vermoeienis, die aan dit beroep zijn verbonden, dan zouden wij spoedig gebrek hebben aan het nodige levensonderhoud. Indien sommigen verstandiger en oordeelkundiger zijn in het bestuur van deze of van welke andere zaken ook dan anderen, dan moet God daarin erkend worden, en Hem moeten de landbouwers bidden om wijsheid in hun zaken, want meer dan ieder ander zijn zij onmiddellijk afhankelijk van Gods voorzienigheid. Ten opzichte van de andere voorbeelden van des landmans beleid in het dorsen van zijn koren, daarvan wordt gezegd: zulks komt ook voort van de Heere van de heirscharen, vers 29. Ook de eenvoudigste voorschriften van rede en gezond verstand moeten erkend worden te zijn voortgekomen van de Heere van de heirscharen. En het is van Hem, als de mensen hun zaken doen met verstand en beleid, en wij moeten Hem erkennen als wonderlijk te zijn van raad en groot van daad, Gods werking is naar Zijn wil, nooit handelt Hij tegen zijn eigen wil en gevoelen, zoals de mensen dikwijls doen, en er is een raad in geheel zijn wil, Hij is groot van daad, omdat Hij wonderlijk is van raad.
2. Gods kerk is Zijn akkerwerk, 1 Corinthiers 3:9. Als Christus de ware wijnstok is, dan is Zijn Vader de landman, Johannes 15:1, en voortdurend bebouwt hij het land door Zijn Woord en Zijn inzettingen. Ploegt de ploeger de gehele dag, en egt hij zijn grond opdat hij het zaad kan ontvangen, en egt God niet door Zijn dienstknechten het braakland? Strooit niet de ploeger, als de grond geschikt en gereed is voor het zaad, het zaad in de geschikte plaatsen? Dat doet Hij, en zo zaait de grote God Zijn zaad door de hand van Zijn dienstknechten, Mattheus 13:19, die het woord van de waarheid recht moeten snijden, om aan ieder zijn deel te geven. Hoedanig de grond van het hart ook moge zijn, er is in het Woord het een of andere zaad, dat er geschikt voor is. En evenals van het woord Gods, zo wordt ook van de roede Gods een wijs gebruik gemaakt. Beproevingen zijn Gods dorswerktuigen, bestemd om ons los te maken van de wereld, ons te scheiden van ons kaf, en ons te bereiden om gebruikt te worden. En God zal er gebruik van maken naar Hij het nodig oordeelt, maar Hij zal ze in evenredigheid zenden met onze kracht, zij zullen niet zwaarder zijn dan nodig is. Indien de staf en de stok aan het doel beantwoorden, dan zal Hij geen gebruik maken van Zijn wagenrad en Zijn paarden. En wanneer deze nodig zijn, zoals voor het verbrijzelen van het broodkoren (dat niet anders van het stro bevrijd kan worden), dan zal Hij het toch niet altijd dorsen Hij zal niet altoos twisten, maar Zijn toorn zei slechts voor een ogenblik zijn, noch zal Hij de gevangenen van de aarde onder Zijn voeten verbrijzelen. En hierin moeten wij Hem erkennen te zijn wonderlijk van raad en groot van daad.