Jesaja 26:5-11
Hier moedigt de profeet ons nog verder aan om op de Heere te vertrouwen tot in eeuwigheid, en op Hem te blijven wachten.
I. Hij zal nederige zielen, die op Hem vertrouwen doen triomferen over hun trotse vijanden vers 5, 6. Zij, die zichzelf verhogen, zullen vernederd worden, want Hij buigt de hooggezetenen, en in hetgeen waarin zij trotselijk nederzitten, is Hij boven hen, zelfs de verheven stad. Babel of Ninevé vernedert Hij, Hoofdstuk 25:12. Hij kan het doen, al is zij ook nog zo wel versterkt. Hij heeft het dikwijls gedaan, Hij zal het doen, want Hij weerstaat de hovaardigen, het is Zijn eer om het te doen, want Hij bewijst zich God te zijn door "alle hoogmoedigen te zien en tenonder te brengen," Job 40:7. Zij daarentegen, die zichzelf vernederen, zullen verhoogd worden, want de voeten van de armen zullen op de verheven steden treden, vers 6. Hij zegt niet: grote legers zullen ze vertreden, maar als God het gedaan wil hebben, zullen de voeten van de armen het doen, Maleachi 4:3. "Gij zult de goddelozen vertreden. Treedt toe, zet uw voeten op de halzen van deze koningen." Zie Psalm 147:6, Romeinen 16:20.
II. Hij neemt kennis van de weg Zijns volks en heeft er een welgevallen aan, vers 7. Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, het is zijn streven en voortdurende zorg om met God te wandelen in gestadige gehoorzaamheid en een heilige levenswandel, mijn "voet staat op effen baan," gaat op een effen pad, Psalm 26:12. En het is hun geluk, hun voorrecht, dat God hun weg effen en gemakkelijk voor hen maakt. O Gij rechtvaardige, Gij maakt het pad van de rechtvaardigen effen, vers 7, door datgene te voorkomen of weg te nemen, dat een struikelblok voor hen zou kunnen zijn, zodat niets een aanstoot voor hen zal zijn, Psalm 119:165. God weegt hun pad, aldus lezen wij het. Hij beschouwt het, gaat het na, en zal hun genade geven, die voor hen genoeg is om over alle moeilijkheden heen te komen, die zij op hun weg kunnen ontmoeten. Aldus zal God zich met de oprechten oprecht betonen.
III. Het is onze plicht en zal onze troost zijn om op God te wachten, en heilige begeerten naar Hem te blijven koesteren, ook in de donkerste meest moedbenemende tijden, vers 8, 9. Dit is altijd de praktijk geweest van Gods volk, zelfs dan, als Hij hen misnoegd aanzag.
1. Voortdurend op Hem te steunen, "Wij hebben ook in de weg van Uw gerichten U, o Heere, verwacht, als Gij ons gekastijd hebt, dan hebben wij naar geen andere hand dan de Uwe uitgezien, om verlichting te verkrijgen," zoals "de dienstknecht alleen op de hand zijns heren ziet totdat hij hem genadig" is, Psalm 123:2. Wij kunnen ons van Gods gerechtigheid op niets anders beroepen dan op Zijn genade. Als Gods oordelen lang duren, als het een weg van oordelen is - dat is de betekenis van het woord-dan moeten wij het wachten toch niet moede zijn, maar blijven wachten.
2. Heilige begeerten tot Hem op te zenden. Onze benauwdheden, hoe zwaar die ook zijn, moeten ons nooit de Godsdienst moede doen zijn, ons nooit van God afwenden, nog altijd moet tot Zijn naam en Zijn gedachtenis de begeerte van onze ziel zijn, en in de nacht, de donkerste, langste nacht van de beproeving, moeten wij met onze ziel Hem begeren.
a. Onze grote belangstellende zorg moet zijn betreffende Gods naam, en onze ernstige begeerte dat die verheerlijkt moge worden, wat er dan ook van onze naam moge worden. Dat is hetgeen, waarop wij moeten wachten en waarvoor wij moeten bidden: "Vader, verheerlijk Uw naam, en dan zijn wij tevreden."
b. Onze grote vertroosting moet wezen in de gedachtenis van die naam, van alles, waardoor God zich bekend heeft gemaakt. De gedachtenis van God moet onze grote steun en ons genot, ons vermaak wezen, en hoewel vrij soms Hem niet gedachtig zijn, moet toch onze begeerte naar Zijn gedachtenis wezen, en wij moeten ons moeite geven met ons eigen hart, om Hem steeds voor onze geest te hebben.
c. Onze begeerte naar God moet inwendig wezen, vurig en oprecht. Met onze ziel moeten wij Hem begeren, met onze ziel moeten wij naar Hem smachten Psalm 42:2, en met onze geest, die in het binnenste van ons is, met de innerlijkste gedachten van ons hart moeten wij Hem vroeg zoeken. Onze Godsdienst is van geen betekenis, als wij er geen hartewerk van maken.
d. Zelfs in de donkerste nacht van beproeving moet onze begeerte naar God zijn als onze zijn en ons schild, want hoe of op wat wijze het God ook behaagt met ons te handelen, nooit moeten wij daarom slechte gedachten van Hem koesteren, onze liefde tot Hem laten verkoelen.
e. Indien onze begeerten wezenlijk naar God zijn, dan moeten wij dit tonen door Hem te zoeken, Hem vroeg te zoeken als degenen, die wensen Hem te vinden, en de gedachte vrezen Hem te zullen missen. Zij die God willen zoeken en vinden, moeten Hem bijtijds zoeken, Hem ernstig zoeken. Al komen wij nog zo vroeg, zullen wij Hem gereed en bereid vinden om ons te ontvangen.
IV. In Zijn zenden van oordelen is het Gods genaderijk doeleinde, om de mensen er toe te brengen Hem te zoeken en Hem te dienen. Wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, die alles verwoesten, dan hebben wij reden te verwachten dat niet alleen Gods belijdend volk, maar zelfs de inwoners van de wereld gerechtigheid zullen leren, dat hun vergissingen gerectificeerd zullen worden, hun leven verbeterd zal worden, dat zij er toe gebracht zullen worden om Gods rechtvaardigheid te erkennen in hen te straffen, dat zij berouw zullen hebben van hun eigen ongerechtigheid door God te beledigen, en er aldus toe gebracht worden om op rechte wegen te wandelen. Zij zullen dit doen, de gerichten zijn bedoeld om hen hiertoe te brengen, zij hebben de strekking om die uitwerking teweeg te brengen, en hoewel velen hardnekkig blijven, zijn er toch sommigen, zelfs van de inwoners van de wereld, die hun voordeel zullen doen met deze tucht, en gerechtigheid zullen leren, voorzeker zullen zij het, zij zouden wel zeer stompzinnig zijn, indien zij het niet deden. De bedoeling van de beproevingen is ons gerechtigheid te leren, en welgelukzalig is de man, die God tuchtigt en aldus leert, Psalm 94:12. Discife justitiam morite, et non temnere divos-Laat deze bestraffing u leren gerechtigheid aan te kweken en u doen aflaten van de goden te verachten. Virgillus.
V. Diegenen zijn in waarheid goddeloos, die niet willen dat de gunstige methoden, welke God gebruikt om hen tenonder te brengen en te verbeteren, enigerlei uitwerking op hen zullen hebben, zodat het nodig is dat God streng met hen zal handelen door Zijn gerichten, welke hen zullen vernederen, die op geen andere wijze vernederd willen worden.
Merk op:
1. Hoe de zondaars in tegenheid wandelen met God, en weigeren zich te onderwerpen aan de middelen, die gebruikt worden tot hun verbetering en aan het doel ervan te beantwoorden. A. Er wordt hun gunst betoond, zij ontvangen vele zegeningen van God, Hij doet Zijn zon over hen schijnen, en doet Zijn regen op hen nederdalen. Hij maakt hen voorspoedig en geeft hun overvloed, aan velen van de slagen van Gods gerichten ontkomen zij, door welke anderen, minder goddeloos dan zij zijn, afgesneden werden, in sommige bijzondere gevallen schijnen zij op merkwaardige wijze bevoorrecht te zijn boven hun naburen, en de bedoeling van dat alles is hen te winnen om God, die hen aldus bevoorrecht, lief te hebben en te dienen, en toch is het alles tevergeefs, zij willen geen gerechtigheid leren, willen niet tot bekering gebracht worden door de goedheid van God, en dan is het nodig dat God Zijn oordelen zendt op de aarde, om met de mensen af te rekenen voor hun misbruiken van zegeningen.
B. Zij leven in een geheel richtig land, in een land van oprechtheid, waar de Godsdienst beleden wordt en in ere is, waar het Woord van God wordt gepredikt, en waar hun veel goede voorbeelden worden gegeven, in een effen land, waar niet zovele struikelblokken zijn als in andere plaatsen, in een land waar ondeugd en goddeloosheid tegengegaan en gestraft worden, en toch zullen zij daar onrechtvaardig handelen en volharden op hun boze wegen. Zij, die goddelooslijk handelen, handelen onrechtvaardiglijk tegenover God en de mensen, en met hun eigen ziel, en zij, die niet terecht gebracht willen worden door de gerechtigheid des volks, kunnen verwachten, dat de oordelen God over hen zullen komen. Ook kunnen zij geen plaats verwachten in het land van de gelukzaligheid hiernamaals, die zich thans niet onderwerpen aan de wetten en de gewoonten, noch gebruik maken van de voorrechten en voordelen van het land van de oprechtheid. En waarom doen zij het niet? Het is omdat zij de hoogheid des Heeren niet willen aanzien, niet willen geloven) niet willen bedenken welk een God van ontzaglijke majesteit Hij is, wiens wetten en gerechtigheid zij blijven minachten. Gods majesteit openbaart zich in al de beschikkingen van Zijn voorzienigheid, maar zij slaan er geen acht op, en daarom streven zij er ook niet naar om aan deze beschikkingen te beantwoorden. Zelfs als wij de zegeningen en goedertierenheden des Heeren ontvangen, dan moeten wij nog op de hoogheid des Heeren zien en op Zijn goedheid.
C. God heft Zijn hand op om hen te waarschuwen opdat zij door berouw en gebed zich met Hem zullen verzoenen, maar zij letten er niet op, zij hebben er geen bewustheid van dat God toornig op hen is, of tegen hen uitgaat. Zij willen niet zien, en niemand is zo blind als zij, die niet willen zien, die hun ogen sluiten voor de klaarste overtuigingen van schuld en toorn, die aan het toeval of "het gemene lot" toeschrijven, wat duidelijk en blijkbaar een Goddelijke bestraffing is, die op de dreigende tekenen van hun eigen verderf geen acht slaan, maar vrede roepen voor zichzelf als de rechtvaardige God krijg tegen hen voert.
2. Hoe God hun ten laatste te sterk zal zijn, want als Hij oordeelt, zal Hij overwinnen. Zij willen niet zien, maar zij zullen zien, zij zullen genoodzaakt worden te zien, of zij willen of niet, dat God toornig op hen is. Atheïsten, spotters en zij, die zich aan vleselijke gerustheid overgeven, zullen weldra gevoelen wat zij nu niet willen geloven, namelijk dat het vreeslijk is om te vallen in de handen van de levenden God Zij willen het kwaad niet zien van de zonde, inzonderheid van de zonde om het volk van God te haten en te vervolgen, maar door de tekenen van Gods misnoegen tegen hen, en in de uitreddingen, die God werkt voor Zijn volk, zullen zij zien, dat wat tegen hen, dat is tegen Gods volk, gedaan wordt, beschouwd zal worden als tegen Hemzelf gedaan, en dienovereenkomstig afrekening er voor zal worden gehouden. Zij zullen zien dat zij aan Gods volk groot en veel onrecht hebben gedaan, en zij zullen beschaamd worden om hun vijandschap tegen en hun afgunst van hen, en hun slechte behandeling van hen, die een betere behandeling verdiend hadden. Zij, die kwaadwillig gezind zijn jegens Gods volk, hebben reden om er zich over te schamen omdat het zo ongerijmd, zo onredelijk is, en vroeg of laat zullen zij er zich ook over schamen, zal de herinnering er aan hen doen blozen. Sommigen lezen dit: Zij zullen zien, en beschaamd worden over de ijver van het volk, door de ijver, die God betonen zal voor Zijn volk, als het hun te weten zal gedaan worden, dat God ijvert voor de eer en het welzijn van Zijn volk, dan zullen zij beschaamd worden bij de gedachte dat zij hadden kunnen behoren tot dat volk, maar het niet hebben gewild. Daarom is hun oordeel dat, dewijl zij het geluk van Gods vrienden hebben geminacht, het vuur van Gods tegenstanders hen zal verteren, vers 11, het vuur, dat bestemd is voor Gods vijanden, en waarmee zij verteerd zullen worden, het vuur, bestemd voor de duivel en zijn engelen. Zij, die vijanden zijn van Gods volk en het benijden, worden door God beschouwd als Zijn vijanden, en dienovereenkomstig zal Hij met hen handelen.